← België

R.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.11 Rolnummer: P.21.0368.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Constitutioneel recht - Overige Invoerdatum: 2021-06-14 Raadplegingen: 1103 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De in artikel 37/1, § 1, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde maatregel beoogt niet de recidiverende bestuurder te bestraffen, maar de maatschappij te beschermen tegen onverantwoord verkeersgedrag door mee te waarborgen dat een bestuurder zich veilig in het verkeer begeeft

(1); die maatregel houdt geen onredelijk zware sanctie in waardoor hij niet verenigbaar zou zijn met enige internationale rechtsnorm zoals artikel 6 EVRM en het feit dat hij een veiligheidsmaatregel in het algemeen belang uitmaakt, speelt daarbij geen rol.
(1)Cass. 3 maart 2021, AR P.20.1313.F, AC 2021, nr. 154, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210303.2F.5 met concl. van advocaat-generaal Nolet de Brauwere op datum in Pas. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Vrije woorden: Artikel 37/1 - Alcoholslot - Aard van de maatregel - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 37/1, § 1, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiches 2 - 4 Noch de vonnisrechter noch het Hof dient een prejudiciële vraag te stellen die steunt op een loutere hypothese, namelijk dat de eiser nadeel zou ondervinden van het feit dat een andere bestuurder een bezwarende alcoholblaastest zou afleggen in een alcoholslot waarmee een voertuig zou zijn uitgerust waarmee ook de eiser zou rijden. Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hypothese - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag - Grens Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Hypothese - Verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag - Grens Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 37 Vrije woorden: Artikel 37/1 - Alcoholslot - Prejudiciële vraag - Hypothese - Geen verplichting tot het stellen van een prejudiciële vraag Annotaties Publicaties: Verkeer, aansprakelijkheid, verzekering [VAV] - 2021, nr. 5,p. 61-
  1. - BREWAEYS, Luc; Noot'Alcoholslot bij herhaling: toepassing van de wet in de tijd' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0368.N W. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Bart Bleyaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 16 februari 2021, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 16 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 10, 11, 12, 144 en 149 Grondwet en artikel 26 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof. Eerste onderdeel
  4. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters ten onrechte eisers verzoek verwerpen om aan het Grondwettelijk Hof de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen over het straf- of beveiligingskarakter van het alcoholslot bedoeld in artikel 37/1 Wegverkeerswet; zij oordelen op grond van een redenering die de exclusieve bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof miskent dat het beveiligingskarakter van die maatregel vaststaat zodat het antwoord op de vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen; het alcoholslot is wel degelijk een straf en moet als dusdanig kunnen worden getoetst op zijn bestaanbaarheid met dwingende eisen van internationaal en intern recht; de kwalificatie van het alcoholslot is ook bepalend voor de mogelijkheid om gunstmaatregelen toe te staan. De eiser vraagt het Hof om aan het Grondwettelijk Hof dezelfde prejudiciële vraag te stellen, namelijk: “Schendt artikel 37/1 van de Wegverkeerswet, in die mate geïnterpreteerd als zouden het alcoholslot en het daarbij gepaard gaande omkaderingsprogramma een beveiligingsmaatregel zijn, de artikelen 12, 14 en 144 van de Grondwet, samengelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, de artikelen 6 en 13 van het EVRM?”
  5. Het in de artikelen 12, tweede lid, en 14 Grondwet vervatte legaliteitsbeginsel in strafzaken vereist dat wetsbepalingen voldoende toegankelijk zijn en op voldoende precieze wijze de als strafbaar gestelde gedragingen omschrijven, zodat de draagwijdte ervan redelijk voorzienbaar is.
  6. Artikel 37/1, § 1, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt: “In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, artikel 35 in geval van dronkenschap of van artikel 36, kan de rechter, indien hij geen definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt of geen toepassing maakt van artikel 42, voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, op voorwaarde dat de overtreder als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3, bedoelde omkaderingsprogramma.”
  7. De vraag of de beperking van de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder op grond van die bepaling het karakter heeft van een straf of van een veiligheidsmaatregel en hoe die maatregel zich in de ene of de andere van die kwalificaties verhoudt tot de internationale rechtsnormen die in België rechtstreekse werking hebben, houdt als dusdanig geen verband met de legaliteit van die bepaling, maar met de interpretatie ervan die behoort tot de bevoegdheid van de hoven en de rechtbanken. Bijgevolg moet de vonnisrechter die vraag niet voorleggen aan het Grondwettelijk Hof, maar moet hij ze zelf beantwoorden en dit ongeacht het belang ervan voor de oplossing van het geschil. Dat het Grondwettelijk Hof over die vraag reeds standpunt heeft ingenomen in analoge materies, speelt geen rol.
  8. De in artikel 37/1, § 1, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde maatregel beoogt niet de recidiverende bestuurder te bestraffen, maar de maatschappij te beschermen tegen onverantwoord verkeersgedrag door mee te waarborgen dat een bestuurder zich veilig in het verkeer begeeft. Dit blijkt uit het feit dat: - volgens de wetsgeschiedenis van de wet van 12 juli 2009 tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd op 16 maart 1968, wat het invoeren van het alcoholslot betreft, de wetgever van oordeel is dat het voor de beteugeling van rijden onder invloed van alcohol niet volstaat enkel straffen op te leggen, maar het bij dergelijke overtredingen belangrijk is dat er ook begeleidende veiligheidsmaatregelen worden genomen die de overtreder langs een andere weg dan de straf nog meer ertoe aanzetten zijn gedrag naar de toekomst toe te wijzigen met het oog op het verhogen van de verkeersveiligheid; - de artikelen 37/1, § 1, eerste lid, en 61quinquies, § 3, Wegverkeerswet bepalen dat de veroordeelde moet voldoen aan de voorwaarden van een omkaderingsprogramma tijdens de periode waarbinnen de maatregel geldt; - het alcoholslot uit zijn aard ertoe strekt na te gaan of de betrokkene, alvorens hij met zijn voertuig kan beginnen te rijden, voldoet aan de wettelijke minimumvereisten inzake nuchterheid om veilig een voertuig te besturen.
  9. Die maatregel houdt geen onredelijk zware sanctie in waardoor hij niet verenigbaar zou zijn met enige internationale rechtsnorm zoals hier bedoeld. Dat hij een veiligheidsmaatregel in het algemeen belang uitmaakt, speelt daarbij geen rol.
  10. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  11. Er is voor het Hof geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag die uitgaat van onjuiste rechtsopvattingen.
  12. Met de redenen die zij vermelden (bestreden vonnis, p. 11), verantwoorden de appelrechters naar recht de beslissing dat het alcoholslot een veiligheidsmaatregel is en is die beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  13. Voor het overige komt het onderdeel op tegen overtollige redenen en is het bijgevolg niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
  14. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters ten onrechte eisers verzoek verwerpen om aan het Grondwettelijk Hof de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen over individualiteit van de straf van het alcoholslot; het alcoholslot dient te worden geïnstalleerd in een voertuig dat mogelijkerwijze eveneens wordt bestuurd door anderen; wanneer die laatsten een bezwarende alcoholblaastest afleggen, werkt dit door ten nadele van de eiser omdat hij dan niet meer voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma; dit houdt in dat de grondwettelijk gewaarborgde individualiteit van de straf in het gedrang komt, zodat deze straf niet kan worden toegepast; de appelrechters gaan niet na of het beantwoorden van de vraag niet onontbeerlijk is voor de behandeling van de zaak dan wel of dat artikel 37/1 Wegverkeerswet de Grondwet klaarblijkelijk niet schendt. De eiser vraagt het Hof om aan het Grondwettelijk Hof dezelfde prejudiciële vraag te stellen, namelijk: “Schendt artikel 37/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer het artikel 14 van de Grondwet, nu het opleggen van een alcoholslot in ieder door een te veroordelen persoon bestuurd motorvoertuig tevens tot gevolg kan hebben dat ook andere personen aan dezelfde straf worden onderworpen zonder daartoe te zijn veroordeeld?”
  15. In zoverre het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheden, is het niet ontvankelijk.
  16. In zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat de in artikel 37/1, § 1, eerste lid, Wegverkeerswet bedoelde maatregel de verplichting inhoudt om een voertuig uit te rusten met een alcoholslot, faalt het naar recht.
  17. Noch de vonnisrechter noch het Hof dient een prejudiciële vraag te stellen die steunt op een loutere hypothese, namelijk dat de eiser nadeel zou ondervinden van het feit dat een andere bestuurder een bezwarende alcoholblaastest zou afleggen in een alcoholslot waarmee een voertuig zou zijn uitgerust waarmee ook de eiser zou rijden.
  18. Voor het overige verantwoorden de appelrechters (bestreden vonnis, p. 12-13) naar recht de beslissing dat het beperken van de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot voertuigen uitgerust met een alcoholslot kennelijk geen miskenning van de individualiteit van de straf of van het legaliteitsbeginsel inhoudt en is die beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
  19. Het onderdeel voert aan dat de appelrechters ten onrechte eisers verzoek verwerpen om aan het Grondwettelijk Hof de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen over de miskenning van het gelijkheidsbeginsel door de verschillende behandeling van personen onderworpen aan de maatregel bepaald in artikel 42 Wegverkeerswet die een minimale duurtijd heeft van zes maanden en de maatregel bepaald in artikel 37/1, § 1, Wegverkeerswet die een minimale duurtijd heeft van een jaar; de appelrechters eigenen zich ten onrechte de bevoegdheid van het Grondwettelijk Hof toe door zelf die vraag te beantwoorden; de appelrechters oordelen ten onrechte dat het om verschillende categorieën van overtreders gaat die aldus terecht op een onderscheiden wijze worden behandeld.
  20. De eiser vraagt het Hof om aan het Grondwettelijk Hof dezelfde prejudiciële vraag te stellen, namelijk: “Schendt artikel 37/1, §1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in de mate de wettelijke minimumduur van het alcoholslot werd bepaald op één jaar, terwijl de minimumduur na een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen zes maanden bedraagt?”
  21. De appelrechters (bestreden vonnis, p. 13) verwerpen eisers verzoek om de vermelde vraag te stellen omdat: “In casu dient te worden vastgesteld dat artikel 37/1 Wegverkeerswet en artikel 42 Wegverkeerswet betrekking hebben op categorieën van personen die niet vergelijkbaar zijn. Artikel 37/1 Wegverkeerswet beoogt personen die geestelijk en fysiek geschikt zijn om met een motorvoertuig te rijden, maar dit doen op een onverantwoorde manier, namelijk onder invloed van alcohol of drugs en zich om die reden enkel in het verkeer mogen begeven onder bepaalde garanties dat dit op een veilige manier zal gebeuren. Artikel 42 Wegverkeerswet beoogt daarentegen personen die geestelijk of fysiek ongeschikt zijn om een motorvoertuig te besturen en om zich om die reden op geen enkele manier met een motorvoertuig in het verkeer mogen begeven. Bovendien houdt de maatregel van het alcoholslot van rechtswege op wanneer de opgelegde termijn verstrijkt terwijl in het geval van artikel 42 en 44 Wegverkeerswet na 6 maanden een verzoekschrift moet worden neergelegd en een rechtbank eerst zal moeten beslissen of de betrokkene hersteld kan worden in het recht tot sturen, hetgeen dus tot gevolg kan hebben dat de betrokkene toch voor een langere termijn dan 6 maanden ongeschikt blijft. Deze twee categorieën van personen zijn met andere woorden wezenlijk verschillend.” Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  22. In zoverre het onderdeel opkomt tegen overtollige redenen, is het niet ontvankelijk.
  23. Om de vermelde redenen is er voor het Hof evenmin grond om de vraag te stellen. Tweede middel Eerste onderdeel
  24. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters oordelen, enerzijds, dat het stellen van een prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is voor de verdere behandeling van de zaak en, anderzijds, dat een alcoholslot geen straf maar een veiligheidsmaatregel is waarvoor geen probatie-uitstel mogelijk is; die redenen zijn tegenstrijdig omdat de appelrechters niet tegelijk kunnen oordelen dat het karakter van het alcoholslot wel en niet van belang is.
  25. De appelrechters oordelen niet dat de kwalificatie van het alcoholslot als straf of veiligheidsmaatregel niet belangrijk is voor de oplossing van het geschil, maar wel dat het antwoord op de prejudiciële vraag niet onontbeerlijk is om daarover uitspraak te doen. Die redenen heffen elkaar niet op of sluiten elkaar niet uit. Bijgevolg is de beslissing niet tegenstrijdig gemotiveerd. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  26. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters oordelen, enerzijds, dat het alcoholslot geen nadelige gevolgen voor derden met zich meebrengt en, anderzijds, dat dit toch praktische gevolgen heeft voor derden die het voertuig uitgerust met een dergelijk slot willen besturen omdat zij zich dan aan een alcoholblaastest moeten onderwerpen.
  27. De appelrechters (bestreden vonnis, p. 12) oordelen dat: - een veroordeling van de eiser overeenkomstig artikel 37/1 Wegverkeerswet op geen enkele manier repercussies heeft voor de onbeperkte geldigheid van het rijbewijs van derden die geen voorwerp uitmaken van de veroordeling; - die veroordeling op geen enkele manier de verplichting voor derden inhoudt om ook een alcoholslot in hun voertuig te laten installeren wanneer de eiser ermee wenst te rijden; - wanneer derden met het voertuig van de eiser wensen te rijden, dit voor hen enkel minieme praktische gevolgen heeft, namelijk het blazen in het toestel, en hun rechten op geen enkele manier worden beperkt of aangetast aangezien zij onverkort gerechtigd blijven ook andere voertuigen te besturen. Die redenen zijn niet tegenstrijdig. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Derde middel
  28. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering en de artikelen 1318, 1319, 1320 en 1322 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: de appelrechters oordelen: “[De eiser] verzoekt de rechtbank om bij toepassing van artikel 37/1 §3 Wegverkeerswet de kosten voor de installatie en gebruik van het alcoholslot en van het omkaderingsprogramma in mindering te brengen van de geldboete. Hij verwijst hiervoor naar de hoge kostprijs, de socio-economische situatie en het feit dat hij toelating kreeg om zijn geldboete af te betalen. De rechtbank is van oordeel dat [de eiser] geen bewijs levert van het feit dat hij de kosten van het alcoholslot en het omkaderingsprogramma niet zou kunnen dragen. Dat [de eiser] recent een woning aankocht is evenmin een omstandigheid waaruit een beperkte financiële draagkracht kan afgeleid worden”; de redenen dat de eiser enerzijds zijn boete dient af te betalen omdat hij ze niet in eenmaal kan voldoen, maar anderzijds geen bewijs levert van het feit dat hij de kosten van het alcoholslot en omkaderingsprogramma niet zou kunnen dragen, zijn tegenstrijdig; minstens miskennen de appelrechters het door de eiser neergelegde stuk over zijn afbetalingen van de geldboete.
  29. Het middel dat formeel een motiveringsgebrek en miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, komt in werkelijkheid geheel op tegen het onaantastbare oordeel van de appelrechters over de vermindering van de opgelegde geldboete met de kosten van het alcoholslot en het omkaderingsprogramma. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  30. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 100,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220601.2F.3 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240409.2N.14 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210303.2F.5 ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210303.2F.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.