← België

H.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.13 Rolnummer: P.21.0447.N Zaak: H. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-14 Raadplegingen: 711 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Uit de bepaling van artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand, volgt dat de verplichting voor een strafgerecht dat een beklaagde heeft veroordeeld bovendien ook nog te veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds niet geldt per aanleg; noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan kan worden afgeleid dat het appelgerecht dat een beroepen beslissing bevestigt dat een beklaagde heeft veroordeeld en hem tevens heeft verplicht tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds, hem voor de procedure in hoger beroep nogmaals zou kunnen of moeten veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds. Thesaurus CAS: GERECHTSKOSTEN - STRAFZAKEN - Procedure voor de feitenrechter Vrije woorden: Bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand - Veroordeling in eerste aanleg - Hoger beroep - Bevestiging van het beroepen vonnis - Bijkomende veroordeling tot de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand - Wettigheid - Grens Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - STRAFZAKEN (DOUANE EN ACCIJNZEN INBEGREPEN) - Allerlei Vrije woorden: Bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand - Veroordeling in eerste aanleg - Bevestiging van het beroepen vonnis - Bijkomende veroordeling tot de bijdrage aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand - Wettigheid - Grens Wettelijke bepalingen: Wet 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand - 19-03-2017 - Art. 4 - 06 ELI link Pub nr 2017011424 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0447.N A. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Gunter Fransis, advocaat bij de balie Leuven. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, 22 februari

  1. De eiser voert geen middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 4, § 3, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand.
  2. Artikel 4, § 3, eerste lid, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (hierna het Fonds) bepaalt: "Behalve indien hij van de juridische tweedelijnsbijstand of rechtsbijstand geniet, of indien de rechter oordeelt dat hij zich op het vlak van zijn bestaansmiddelen in een situatie bevindt waarbij hij beroep zou kunnen doen op juridische tweedelijnsbijstand of op rechtsbijstand wordt iedere door een strafgerecht veroordeelde verdachte, inverdenkinggestelde, beklaagde, beschuldigde of voor het misdrijf burgerrechtelijk aansprakelijke persoon, veroordeeld tot het betalen van een bijdrage aan het Fonds." Het derde lid bepaalt: "Het rechtscollege vereffent het bedrag van de bijdrage aan het Fonds in de eindbeslissing die in de kosten verwijst."
  3. Uit deze bepaling volgt dat de verplichting voor een strafgerecht dat een beklaagde heeft veroordeeld bovendien ook nog te veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds niet geldt per aanleg. Noch uit de tekst van deze bepaling noch uit de wetsgeschiedenis ervan kan worden afgeleid dat het appelgerecht dat een beroepen beslissing bevestigt dat een beklaagde heeft veroordeeld en hem tevens heeft verplicht tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds, hem voor de procedure in hoger beroep nogmaals zou kunnen of moeten veroordelen tot de betaling van een bijdrage aan het Fonds.
  4. Het bestreden vonnis dat het beroepen vonnis bevestigt in al zijn beschikkingen op strafgebied en dus ook wat betreft de veroordeling tot betaling van een bijdrage van 20,00 euro aan het Fonds en dat de eiser voor de procedure in hoger beroep nogmaals veroordeelt tot betaling van een bijdrage van 20,00 euro aan het Fonds, schendt de vermelde bepaling. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  5. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiser voor de procedure in hoger beroep veroordeelt tot een bijdrage van 20,00 euro aan het Fonds. Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot negen tienden van de kosten. Laat de overige kosten ten laste van de Staat. Zegt dat er geen grond is voor verwijzing. Bepaalt de kosten op 97,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.13 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.