id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.5 Rolnummer: P.21.0311.N Zaak: L. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-14 Raadplegingen: 879 - laatst gezien 2026-06-19 23:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Indien de rechter bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek voor de bewezen verklaarde feiten slechts één straf oplegt, dient hij wat betreft de uitgesproken straf enkel de wetsbepalingen te vermelden betreffende die ene straf; de wetsbepalingen betreffende de straffen die de rechter niet toepast, hoeft hij niet te vermelden
(1).
(1)Zie Cass. 5 juni 2018, AR P.18.0144.N, AC 2018, nr. 354, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180605.3; Cass. 5 januari 2016, AR P.15.0297N, arrest niet gepubliceerd; F. VAN VOLSEM, “De verplichting om in politie- en correctionele zaken de toegepaste wetsbepalingen te vermelden” (noot onder Cass. 24 april 2019, AR P.19.0166.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190424.4, AC 2019, nr. 241), NC 2020, 279-
- Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - ALGEMEEN Vrije woorden: Strafzaken - Eendaadse samenloop - Eén straf - Vermelding van de toegepaste wetsbepalingen betreffende die ene straf - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Eendaadse samenloop - Eén straf - Vermelding van de toegepaste wetsbepalingen betreffende die ene straf - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 195 en 211 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0311.N F. G. M. L., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 8 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest vermeldt niet artikel 52 Strafwetboek in verband met de toepasselijke straffen inzake de strafbare poging tot een misdaad, maar enkel artikel 394 Strafwetboek, wat de zwaarst mogelijke straf is, zodat niet blijkt dat de appelrechters met de eerst vermelde bepaling hebben rekening gehouden en de beslissing bijgevolg niet naar recht verantwoord is; het arrest maakt geen toepassing van artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, hoewel het dit inhoudelijk wel lijkt te doen door de burgerlijke belangen aan te houden.
- Uit artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat volgens artikel 211 Wetboek van Strafvordering ook van toepassing is op de hoven van beroep, moet een veroordelende beslissing de wetsbepalingen vermelden welke het feit strafbaar stellen alsook die welke de toegepaste straffen bepalen.
- Indien de rechter bij toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek voor de bewezen verklaarde feiten slechts één straf oplegt, dient hij wat betreft de uitgesproken straf enkel de wetsbepalingen te vermelden betreffende die ene straf. De wetsbepalingen betreffende de straffen die de rechter niet toepast, hoeft hij niet te vermelden. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest bevestigt eisers schuldigverklaring aan de feiten omschreven onder de telastlegging A (moordpoging, inbreuk op de artikelen 51, 52 en 394 Strafwetboek, na correctionalisering strafbaar met een gevangenisstraf van drie tot twintig jaar), de telastlegging B (brandstichting in een woning met een vermoeden van aanwezigheid van personen, bij nacht, met een ziekte of ongeschiktheid tot gevolg, inbreuk op de artikelen 510, 513, eerste lid, en 518 Strafwetboek, na correctionalisering strafbaar met een gevangenisstraf van drie tot twintig jaar) en de telastlegging C (opzettelijke slagen aan een partner, inbreuk op de artikelen 398 en 410, tweede lid, Strafwetboek, strafbaar met een gevangenisstraf van zestien dagen tot een jaar en geldboete). Het oordeelt dat deze feiten de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet, zodat voor al die feiten samen slechts één straf moet worden opgelegd.
- De zwaarste straf is die waarin de wetsbepalingen betreffende zowel de feiten omschreven onder de telastlegging A als die omschreven onder de telastlegging B voorzien. De niet-vermelding van artikel 52 Strafwetboek betreffende het feit omschreven onder de telastlegging A is dan ook zonder belang, aangezien de zwaarste straf ook wordt bepaald door de vermelde wetsbepalingen betreffende het feit omschreven onder de telastlegging B. In zoverre is het middel niet ontvankelijk.
- Het arrest vermeldt uitdrukkelijk dat het de burgerlijke belangen, andere dan die welke werden beoordeeld door de eerste rechter, ambtshalve aanhoudt overeenkomstig artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest miskent de motiveringsverplichting door wat betreft de persoonlijkheid van de eiser enkel te verwijzen naar de deskundigenverslagen die op het ogenblik van het beraad reeds meerdere jaren oud waren en door op geen enkele manier rekening te houden met het verweer betreffende eisers actuele situatie, zijn persoonlijkheid, de afhandeling van de burgerlijke belangen, de door de eiser bijgebrachte stukken en de door het openbaar ministerie gevoegde stukken; het arrest beantwoordt niet eisers verweer om een mildere straf dan die welke is opgelegd door de eerste rechter.
- Het arrest verwijst bij de motivering van de straftoemeting uitdrukkelijk naar de verhoren van de moraliteitsgetuigen en de uitleg van de betrokkenen en stelt daarbij vast dat de bevindingen van de gerechtsdeskundigen erbij aansluiten. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.
- Uit het enkele gegeven dat de rechter niet uitdrukkelijk verwijst naar bepaalde stukken of bepaalde feitelijke gegevens volgt niet dat hij die niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De appelrechters die de keuze voor de door hen opgelegde straf en de maat ervan op nauwkeurige wijze motiveren zoals voorgeschreven door de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering dienen niet uitdrukkelijk melding te maken van feitelijke gegevens die een beklaagde heeft aangevoerd als grond voor een strafmildering en van de redenen waarom die gegevens niet overtuigend zijn. Met die nauwkeurige motivering geven de appelrechters immers te kennen dat de ingeroepen feitelijke gegevens hen niet tot een ander oordeel kunnen brengen.
- Het arrest vermeldt bij de beslissing over de straftoemeting wat volgt: - de bewezenverklaarde feiten zijn gelet op de aangewende middelen van brand-stichting uitermate zwaarwichtig en wijzen bij de eiser op een volstrekt gebrek aan normbesef en een jegens het slachtoffer niets ontziende agressieve ingesteldheid; - de bewezen feiten druisen in tegen de openbare veiligheid en zijn uitermate gevaarlijk en schadelijk voor het niets vermoedende slachtoffer; - er wordt rekening gehouden met de persoonlijkheid van de eiser zoals die wordt toegelicht in de deskundigenverslagen; - de bevindingen van de deskundigen sluiten aan bij de inhoud van de verhoren van de moraliteitsgetuigen en de eigen uitleg van de betrokkenen; - de toestand van de intoxicatie waarin de eiser verkeerde vormt geen verzachtende omstandigheid of een strafverminderende verschoningsgrond; - een ontradende effectieve bestraffing is noodzakelijk, gelet op de aard van de bewezen misdrijven, de hoge graad van ernst en zwaarwichtigheid, de omstan-digheden waarin ze zijn gepleegd, de impact ervan op het slachtoffer en de omgeving, de persoonlijkheid van de eiser en het algemeen maatschappelijk belang inzake veiligheid en openbare orde. Met die redenen vermeldt het arrest op nauwkeurige wijze de keuze voor de opgelegde straf en de maat ervan, beantwoordt en verwerpt het eisers verweer voor wat betreft de straftoemeting en verantwoordt het die beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 783 Gerechtelijk Wetboek, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest stelt vast dat de raadsman van de burgerlijke partij is gehoord op de rechtszitting van 4 januari 2021; dit kan minstens een eventuele invloed hebben gehad op het verloop van de zaak; uit het proces-verbaal van de rechtszitting is onmogelijk op te maken of de raadsman van de burgerlijke partij werd gehoord en wat hij zou hebben gezegd; bijgevolg is eisers recht van verdediging miskend aangezien niet blijkt dat hij in de mogelijkheid was om tegenspraak te voeren en te repliceren op het eventueel pleidooi van de burgerlijke partij.
- Uit het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 januari 2021, dat tot doel heeft op authentieke wijze het verloop van die rechtszitting en de verrichte proceshandelingen vast te stellen en dat door de eiser niet van valsheid wordt beticht, volgt dat op die rechtszitting geen raadsman voor de burgerlijke partij werd gehoord.
- Uit het gegeven dat blijkens de vaststellingen van het arrest de burgerlijke rechtsvordering in hoger beroep niet aanhangig was en uit de inhoud van het proces-verbaal van de rechtszitting van 4 januari 2021 volgt dat de vermelding in het arrest dat de advocaat van de burgerlijke partij werd gehoord een verschrijving is, die het Hof vermag te verbeteren in die zin dat geen raadsman voor de burgerlijke partij is verschenen en werd gehoord. Het middel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 113,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180605.3 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190424.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div