id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 08 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 210
, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Hoger beroep - Grieven beperkt tot de strafmaat en de burgerlijke rechtsvordering - Conclusies over de schuld - Motivering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek
Art. 204
- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek
Art. 210, tweede lid - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.0343.N F. H. I. D. V., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Ben Leyman, advocaat bij de balie Oudenaarde, tegen
- K. T., burgerlijke partij,
- D. D., burgerlijke partij,
- Ph. A., burgerlijke partij,
- M. O., burgerlijke partij,
- B. A., burgerlijke partij,
- S. A., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 12 februari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres betreffende haar schuld; ook al stond de beslissing over de schuld vast, dan nog hadden de appelrechters met de aangevoerde middelen betreffende de schuldbeoordeling rekening moeten houden op het vlak van de straftoemeting; het arrest gebruikt voor de motivering van de straf passe-partout-formules en standaardmotiveringen en verwerpt het verzoek van de eiseres om opschorting of een straf volledig met uitstel met redenen die naast de kwestie zijn; het arrest beperkt het beantwoorden van het verweer voor wat betreft de beslissing op de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweerders 3 tot en met 6 tot vage standaardformuleringen niettegenstaande de eiseres in haar syntheseappelconclusie een uitgebreid verweer heeft gevoerd (p. 22-26).
- Indien een beklaagde hoger beroep instelt tegen een hem veroordelend vonnis maar in zijn grievenformulier enkel de beslissingen over de straf en de burgerlijke rechtsvordering als grieven opgeeft, volgt uit artikel 204 Wetboek van Strafvordering dat de beslissing over zijn schuld niet tot de saisine van het appelgerecht behoort, behoudens ingeval van toepassing van artikel 210, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Indien die beklaagde-appellant niettemin voor het appelgerecht concludeert betreffende de beslissing over zijn schuld, dan moet het appelgerecht dit doelloos verweer niet beantwoorden. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Uit de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 3, vierde lid, en 8, § 1, vierde lid, Probatiewet volgt dat de rechter de keuze voor een straf en de maat ervan, als de wet die aan zijn vrije beoordeling laat, alsook de weigering opschorting van de uitspraak van veroordeling of uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen in die gevallen waar die maatregel wettelijk mogelijk is, nauwkeurig moet motiveren.
- Het arrest oordeelt voor wat betreft de bestraffing door overname van de redenen van het beroepen vonnis en met eigen redenen als volgt: - de regelgeving over het Vlaamse woonbeleid beoogt onder meer het waarborgen van het fundamenteel recht op menswaardig wonen; - personen die onroerende goederen verhuren met winstoogmerk moeten bij de verhuur of terbeschikkingstelling van woningen de door de overheid opgelegde kwaliteitsnormen en -vereisten strikt naleven en mogen niet besparen op investeringen daartoe; - de eiseres moet beseffen dat zij bij het verhuren niet alleen de lusten, maar ook de lasten moet dragen; - de feiten zijn bijzonder laakbaar aangezien de eiseres duidelijk misbruik maakte van de kwetsbare positie van de huurders, zich in het geheel niet bekommerend om hun woonsituatie; - dat crimineel gedrag was een gewoonte geworden; - gezien de economische weerslag van de gepleegde misdrijven is een geldboete passend en noodzakelijk als maatschappelijke vergelding; - bij het bepalen van de geldboete wordt rekening gehouden met het financiële motief dat aan de misdrijven ten grondslag ligt, de winsten die het misdrijf opleverde en de financiële draagkracht van de eiseres die ook een groot onroe¬rend vermogen bezit; - uit niets volgt dat een geldboete de eiseres sociaal zou declasseren of haar sociale reclassering op onevenredige wijze in het gedrang zou brengen; - de straf moet de eiseres voldoende aanzetten tot naleving van de regels ter vrijwaring van de woonkwaliteit op de huurmarkt; - er is geen reden om meer mildheid aan de dag te leggen; - een straf met (deels) uitstel van tenuitvoerlegging is ontoereikend als maatschappelijke vergelding en zou de eiseres onvoldoende aanzetten de wet voortaan na te leven; - dit geldt ook voor de door de eiseres gevraagde opschorting van de uitspraak van veroordeling. Met die redenen, welke geenszins passe-partout-formules zijn of beschouwingen van algemene aard die voor gelijk welk geschil van dezelfde aard kunnen gelden, motiveren de appelrechters op nauwkeurige wijze de keuze en de maat van de door hen opgelegde straf, alsook de weigering opschorting van de uitspraak van veroordeling en uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen. Met die redenen beantwoordt het arrest bovendien het specifieke verweer van de eiseres betreffende de opschorting van de uitspraak van de veroordeling. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- De eiseres heeft in haar syntheseappelconclusie verweer gevoerd betreffende de burgerlijke rechtsvordering van de verweerders 3 tot en met 6 (p. 22-26). Het arrest neemt de redenen van het beroepen vonnis (p. 9, nr. 17) betreffende die burgerlijke rechtsvordering over. Aldus beantwoordt het arrest op concrete wijze het bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest dat slechts standaardformuleringen gebruikt, voldoet niet aan de verplichting van deze bepaling om de beslissing over de straffen en de maat ervan, indien de wet die overlaat aan de vrije beoordeling van de rechter, nauwkeurig te motiveren.
- Het onderdeel is gelet op de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen te verwerpen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek en de artikelen 1 en 2 KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding, zoals gewijzigd door het koninklijk besluit van 29 maart 2019: het arrest veroordeelt de eiseres om aan de verweerder 1 een rechtsplegingsvergoeding van 1.320,00 euro te betalen en aan de verweerster 2 een rechtsplegingsvergoeding van 780,00 euro, ook al wonen zij samen en werden zij bijgestaan door eenzelfde raadsman; het arrest beperkt het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding ook niet overeenkomstig artikel 1022, vijfde lid, Gerechtelijk Wetboek tot het dubbele van het maximumbedrag waarop één van deze verweerders aanspraak kan maken.
- Volgens artikel 1, tweede lid, KB Tarief Rechtsplegingsvergoeding worden de bedragen van de rechtsplegingsvergoeding vastgesteld per gerechtelijke band en ten aanzien van elke partij die door een advocaat wordt bijgestaan. Wanneer eenzelfde advocaat in eenzelfde gerechtelijke band verscheidene partijen bijstaat, wordt de rechtsplegingsvergoeding onder hen verdeeld.
- Het middel dat er geheel vanuit gaat dat er eenzelfde gerechtelijke band bestaat tussen de verweerder 1 en de eiseres als tussen de verweerster 2 en de eiseres verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is. Het middel is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Erwin Francis, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 8 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210608.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2023:CONC.20230530.2N.14 ECLI:BE:ORGNT:2025:JUG.20250408.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div