id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.2 Rolnummer: C.20.0277.N Zaak: V. contra Van Hul Diane Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 824 - laatst gezien 2026-06-16 04:21 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De Pachtwet voorziet dat de pacht in geval van overlijden van de pachter zonder meer doorloopt ten voordele van diens erfgenamen of rechtverkrijgenden; er wordt niet vereist dat zij ook het landbouwbedrijf van de pachter overnemen. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Algemeen Vrije woorden: Pachtovername - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen - 04-11-1969 - Art. 38 - 30 ELI link Pub nr 1969110401 Fiche 2 De Pachtwet legt geen algemene verplichting tot beroepsbekwaamheid van de overnemer op waaruit zou volgen dat de pacht met toepassing van artikel 38 Pachtwet niet zou overgaan op de erfgenaam of rechtverkrijgende die op het ogenblik van de pachtoverdracht niet over de vereiste beroepsbekwaamheid beschikt. Thesaurus CAS: HUUR VAN GOEDEREN - PACHT - Algemeen Vrije woorden: Pachtovername - Overnemer - Beroepsbekwaamheid - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Wet van 4 november 1969 tot wijziging van de pachtwetgeving en van de wetgeving betreffende het recht van voorkoop ten gunste van huurders van landeigendommen - 04-11-1969 - Artt. 1, 1°, 34, 37, § 1, 5°, en 38 - 30 ELI link Pub nr 1969110401 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0277.N R. V. L., eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen D. V. H., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 16 december
- Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste onderdeel (…) Tweede onderdeel
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt.
- De appelrechters stellen met betrekking tot de door de eiser opgeworpen nietigheid van de bij testament overgedragen pachtrechten vast en oordelen dat: - uit artikel 29 Pachtwet volgt dat de omstandigheid dat de pachter het gepachte goed niet meer bedrijfsmatig exploiteert en daaruit schade ontstaat voor de verpachter, eventueel de ontbinding van de pachtovereenkomst kan wettigen, maar dat de Pachtwet niet voorziet in een nietigverklaring van de pacht-overdracht om die reden; - het niet bedrijfsmatig exploiteren van het gepachte goed door een erfgenaam of rechtverkrijgende van de pachter, behoudens wanneer de Pachtwet dit uitdrukkelijk bepaalt, niet tot gevolg heeft dat de pachter, zijn rechtsopvolgers of rechtverkrijgenden van rechtswege de bescherming van de Pachtwet verliezen; - uit geen enkele bepaling van de Pachtwet volgt dat de pacht niet kan doorlopen ten voordele van de bijzondere legataris indien de overleden pachter zijn pachtrechten overdraagt zonder landbouwbedrijf; - de verweerster rechtsgeldig als bijzondere legataris van alle pachtrechten van haar broer kon worden aangesteld; - alle overige argumenten niet van het tegendeel kunnen overtuigen. Vervolgens stellen de appelrechters met betrekking tot de vordering van de eiser tot pachtontbinding vast en oordelen zij dat: - de verweerster sinds het overlijden van haar broer in diens rechten en plichten als pachter is getreden; - zij uit het betoog van de eiser afleiden dat de verweerster volgens hem in het algemeen de bepalingen van de pachtovereenkomst schendt en het gepachte goed niet bedrijfsmatig exploiteert; - dat de omstandigheid dat de pachter het gepachte goed niet bedrijfsmatig exploiteert slechts de ontbinding van de pachtovereenkomst op grond van artikel 29 Pachtwet kan wettigen indien daaruit schade voor de verpachter ontstaat; - de eiser nergens aanduidt welke schade hij lijdt door de volgens hem gebrekkige exploitatie van het pachtgoed door de verweerster en bij gebreke aan concrete schade, de vordering in ontbinding van de pachtovereenkomst dient te worden afgewezen.
- Aldus verwerpen en beantwoorden de appelrechters het verweer van de eiser dat de verweerster niet de vereiste beroepsbekwaamheid bezat op het ogenblik van de pachtoverdracht en dus niet voldeed aan de voorwaarden van de Pachtwet. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, mist het feitelijke grondslag.
- Luidens artikel 9, vierde lid, Pachtwet, moeten, in geval van opzegging van de pachtovereenkomst door de verpachter op grond van de bij de artikelen 7, 1°, en 8, bepaalde reden, degene of degenen die in de opzegging als aanstaande exploitant zijn aangewezen en indien zij rechtspersonen zijn, hun verantwoordelijke organen of bestuurders: ofwel houder zijn van een getuigschrift of diploma afgegeven na het volgen met goed gevolg van een landbouwcursus of van onderwijs aan een land- of tuinbouwschool, ofwel landbouwexploitant zijn of geweest zijn in de voorbije periode van vijf jaar gedurende tenminste één jaar; ofwel reeds effectief gedurende ten minste één jaar aan een landbouwexploitatie hebben deelgenomen. Krachtens artikel 34, eerste lid, Pachtwet kan de pachter, zonder toestemming van de verpachter, zijn pacht geheel overdragen aan zijn afstammelingen of aangenomen kinderen of aan die van zijn echtgenoot of van de echtgenoten van de voormelde afstammelingen. Gelet op artikel 35, eerste lid, Pachtwet ontstaat, op voorwaarde dat de pachter of de in artikel 34, eerste lid, Pachtwet genoemde rechtverkrijgenden, binnen drie maanden na de ingenottreding van de overnemer aan de verpachter kennis geven van de pachtoverdracht, van rechtswege pachthernieuwing ten voordele van de overnemer of overnemers, bij gebreke aan geldig verklaard verzet van de verpachter. Krachtens artikel 37, § 1, 5°, Pachtwet kan als geldige reden van verzet van de verpachter tegen de pachthernieuwing worden aanvaard het feit dat de overnemer niet de vereiste beroepsbekwaamheid bezit of dat hij niet over de nodige materiële middelen beschikt om het verpachte goed behoorlijk te exploiteren. Krachtens artikel 38 Pachtwet loopt, in geval van overlijden van de pachter van een landeigendom, de pacht door ten voordele van zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden, tenzij de verpachter, zijn erfgenamen of rechtverkrijgenden opzegging hebben gedaan overeenkomstig de artikelen 39 en 40 Pachtwet.
- Uit geen van deze wetsbepalingen volgt dat de pacht bij het overlijden van de pachter niet met toepassing van artikel 38 Pachtwet wordt overgedragen aan een bijzondere legataris die op het ogenblik van de pachtoverdracht niet de vereiste beroepsbekwaamheid bezit. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van de artikelen 1, 1°, 34, 37, § 1, 5° en 38, Pachtwet, en voor zover als nodig artikel 9, vierde lid, Pachtwet, faalt het naar recht. Derde onderdeel (…) Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 507,15 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div