id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.5 Rolnummer: C.20.0185.N Zaak: AIRHELP LTD. contra BRUSSELS AIRLINES nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 1620 - laatst gezien 2026-06-18 12:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De overtreding van de verplichtingen opgelegd in de artikelen 5, 6 en 7 van de Passagiersverordening maakt het misdrijf vervat in artikel 32, 1ste lid van de wet van 27 juni 1937 uit. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Luchtvervoer Vrije woorden: Wet 27 juni 1937 - Artikel 32, eerste lid - Misdrijf - Begrip Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelke regels inzake compensatie en bstand aan luchtreizigers b instapweigering en annulering of langdurige vertraging van ... - 11-02-2004 - Artt. 5, 6 en 7 Wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart - 27-06-1937 - Art. 32, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1937062750 Fiche 2 De vordering tot betaling van de in artikel 7 Passagiersverordening bedoelde compensatie is gebaseerd op een overeenkomst van personenvervoer zodat de passagiers die vordering evenals een eventueel voorafgaand verzoek tot compensatie moeten instellen binnen een termijn van 1 jaar te rekenen vanaf de dag van de vertraging, welke de contractuele wanprestatie uitmaakt die aanleiding geeft tot de vordering. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Luchtvervoer Vrije woorden: Passagiersverordening - Artikel 7 - Compensatie - Vordering tot betaling - Termijn - Aanvang Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelke regels inzake compensatie en bstand aan luchtreizigers b instapweigering en annulering of langdurige vertraging van ... - 11-02-2004 - Art. 7 Wet van 25 augustus 1891 houdende herziening van de titel van het Handelswetboek betreffende de vervoerovereenkomsten - Wetboek van koophandel: Boek I - Titel VII bis - Vervoerovereenkomst - 25-08-1891 - Art. 9, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1891082550 Fiche 3 Er is sprake van een overtreding waarop de gemeenrechtelijke verjaringstermijn inzake misdrijven van toepassing is wanneer de luchtvaartmaatschappij ten onrechte weigert in te gaan op een door de passagier tijdig ingediend verzoek tot compensatie van de annulering of vertraging van de vlucht. Thesaurus CAS: VERVOER - GOEDERENVERVOER - Luchtvervoer Vrije woorden: Misdrijven - Gemeenrechtelijke verjaringstermijn - Toepassing - Overtreding - Begrip Wettelijke bepalingen: Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelke regels inzake compensatie en bstand aan luchtreizigers b instapweigering en annulering of langdurige vertraging van ... - 11-02-2004 - Art. 7 Wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart - 27-06-1937 - Art. 32, eerste lid - 30 ELI link Pub nr 1937062750 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2022, nr. 441, p.
- - VERHOEVEN, Marek; Noot'Vorderingen van vliegtuigpassagiers kunnen verjaren na vijf jaar' JLMB-Revue de jurisprudence de Liège, Mons et Bruxelles - 2022, n° 12, p. 547-
- - FAUCONNIER, Pierre; Note'Droit aérien-Réglementation de la navigation aérienne-Règlements de l'Union européenne sanctionnés pénalement en droit belge' Tekst van de beslissing Nr. C.20.0185.N
- AIRHELP Ltd, vennootschap naar het recht van Hong Kong, met zetel te 9B Amtel Building, 148 Des Vœux Road Central (Hong Kong),
- B. P.,
- A. P., eisers, vertegenwoordigd door mr. Paul Lefebvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480/9, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen BRUSSELS AIRLINES nv, met zetel te 1050 Elsene, Jaargetijdenlaan 100-102, bus 30, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0400.853.488, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Werner Derijcke, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 65, bus 11, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in laatste aanleg van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel van 26 februari
- Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft op 19 maart 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens de artikelen 5, 6 en 7 van Verordening nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna Passagiersverordening), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie van de Europese Unie, kunnen passagiers van vertraagde vluchten aanspraak maken op de in artikel 7 van de verordening bedoelde compensatie, wanneer zij door een vertraging van de vlucht drie of meer uren tijd verliezen, dat wil zeggen wanneer zij hun eindbestemming drie of meer uren na de door de luchtvaartmaatschappij oorspronkelijk geplande aankomsttijd bereiken. Een dergelijke vertraging verleent de passagiers evenwel geen recht op compensatie indien de luchtvaartmaatschappij kan aantonen dat de langdurige vertraging het gevolg is van buitengewone omstandigheden die ondanks het treffen van alle redelijke maatregelen niet voorkomen konden worden, dat wil zeggen van omstandigheden waarop de luchtvaartmaatschappij geen daadwerkelijke invloed kan uitoefenen (HvJ 19 november 2009, Sturgeon, gevoegde zaken C-402/07 en C-432/07, r.o. 69; HvJ 23 oktober 2012, Nelson, gevoegde zaken C-581/10 en C-629/10, r.o. 40; HvJ 18 april 2013, Germanwings GmbH, zaak C-413/11, r.o. 19).
- Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 22 november 2012, Moré, C-139/11, r.o. 26 en 33, geoordeeld dat de termijn waarbinnen vorderingen tot betaling van de in de artikelen 5 en 7 Passagiersverordening bedoelde compensatie moeten worden ingesteld, wordt bepaald overeenkomstig de voorschriften van de verschillende lidstaten betreffende de verjaring van vorderingen. Voornoemde verordening bevat immers geen enkele bepaling betreffende de verjaringstermijn voor bij nationale rechterlijke instanties ingestelde vorderingen tot betaling van deze compensatie (r.o. 24). Het staat derhalve, bij ontbreken van een Unieregeling op dat gebied, aan het nationale recht van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor rechtsvorderingen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen, voor zover die regels het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel eerbiedigen (r.o. 25). Hieruit volgt dat aangezien de vordering tot betaling van de in artikel 7 Passagiersverordening bedoelde compensatie werd ingesteld voor de Belgische rechter, de verjaringstermijn voor die vordering moet worden bepaald overeenkomstig de regels van Belgisch recht.
- Artikel 9, vierde lid, van de wet van 25 augustus 1891 tot herziening van het Wetboek van Koophandel betreffende de vervoerovereenkomst (hierna Vervoerswet), zoals hier van toepassing, bepaalt dat de rechtsvorderingen ontstaan uit de overeenkomst van personenvervoer, met uitzondering van die welke volgen uit een strafbaar feit, verjaren door verloop van één jaar. Krachtens het vijfde lid van dit artikel loopt de verjaring van de dag waarop het feit dat tot de rechtsvordering aanleiding geeft, zich heeft voorgedaan.
- Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 7 maart 2018, Flightright GmbH, gevoegde zaken C-274/16, C-447/16 en C-448/16, r.o. 63-64 geoordeeld dat de verbintenis tot betaling van de in artikel 7 Passagiersverordening bedoelde compensatie bij langdurige vluchtvertraging, voortvloeit uit de luchtvervoerovereenkomst zelf.
- Uit het vorenstaande volgt dat een vordering tot betaling van de in artikel 7 Passagiersverordening bedoelde compensatie ontstaat uit een overeenkomst van personenvervoer, in de zin van artikel 9, vierde lid, Vervoerswet. Dit betekent dat de passagiers die vordering, en desgevallend een voorafgaand verzoek tot compensatie, tegen de luchtvaartmaatschappij moeten instellen binnen een termijn van één jaar te rekenen vanaf de dag van de vertraging, dit is de contractuele wanprestatie die tot de vordering aanleiding geeft.
- Krachtens artikel 32, eerste lid, van de wet van 27 juni 1937 houdende herziening van de wet van 16 november 1919, betreffende de regeling der luchtvaart, zoals gewijzigd bij de wet van 15 mei 2006 houdende diverse maatregelen inzake vervoer en zoals hier van toepassing, worden, ingeval deze wet voor “de misdrijven tegen de verordeningen van de Europese Gemeenschap betreffende de burgerlijke luchtvaart” geen bijzondere straf voorziet, zij gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot één jaar en met een geldboete van tweehonderd euro tot vier miljoen euro, of met een van die straffen alleen. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze aanvulling tot doel heeft tegemoet te komen aan de in talrijke Europese verordeningen opgelegde handhavingsverplichtingen en meer bepaald om, zoals artikel 16, derde lid, Passagiersverordening bepaalt, te voorzien in sancties die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Verder heeft de wetgever ervoor gekozen deze inbreuken niet nader te specifiëren, maar ter zake te volstaan met een verwijzing naar de bedoelde verordeningen.
- Artikel 16, derde lid, Passagiersverordening bepaalt dat de door de lidstaten vastgestelde sancties voor overtreding van deze verordening doeltreffend, evenredig en afschrikkend moeten zijn. Overtredingen van de verplichtingen die worden opgelegd in de Passagiersverordening vormen aldus strafbare feiten die beteugeld kunnen worden krachtens voornoemd artikel 32, eerste lid, van de wet van 27 juni 1937 en op grond waarvan, bij uitzondering op de eenjarige verjaringstermijn van artikel 9, vierde lid, Vervoerswet, een burgerlijke of strafvordering kan worden ingesteld binnen de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen inzake misdrijven, hetzij binnen vijf jaar.
- Een strafbaarstelling onderstelt een duidelijk omschreven verplichting of verbod waarbij door de wet op de overtreding ervan een straf wordt gesteld. Van een dergelijke overtreding waarop de gemeenrechtelijke verjaring inzake misdrijven van toepassing is, kan bijgevolg slechts sprake zijn wanneer de luchtvaartmaatschappij in geval van een annulering of vertraging van de vlucht ten onrechte weigert gevolg te geven aan een door de passagier tijdig ingediend verzoek tot compensatie.
- Het middel dat er geheel van uitgaat dat de niet-betaling door een luchtvaartmaatschappij van de in artikel 7 Passagiersverordening bedoelde compensatie in ieder geval een overtreding van de Passagiersverordening vormt en dus ongeacht of het verzoek tot compensatie tijdig werd gedaan en bijgevolg een strafbaar feit uitmaakt krachtens artikel 32, eerste lid, van de wet van 27 juni 1937 op grond waarvan, bij uitzondering op de eenjarige verjaringstermijn van artikel 9, vierde lid, Vervoerswet, een burgerlijke of strafvordering kan worden ingesteld binnen de gemeenrechtelijke verjaringstermijnen inzake misdrijven, faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 232,79 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 11 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div