id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 11 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9 Rolnummer: C.17.0412.N Zaak: VANDEREYT NV contra JECO NV Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 3884 - laatst gezien 2026-06-20 00:05 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210611.1N.9 Fiches 1 - 2 De rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de toestand van partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de grond van de vordering, neemt een beslissing alvorens recht te doen waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij hierover het debat gevoerd
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting tussen partijen - Beslissing van de rechter - Aard Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, derde lid, en 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Gevorderde voorafgaande maatregel - Betwisting tussen partijen - Beslissing van de rechter - Appellabiliteit Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 19, derde lid, en 1050, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Annotaties Publicaties: Juristenkrant-De Juristenkrant - 2021, nr. 432, p.
- - VANDENBUSSCHE, Wannes; e.a.; Noot'Cassatie beëindigt discussie over bepaling uit potpourriwet I' Juristenkrant-De Juristenkrant - 2021-22, nr. 13, p. 505-
- - DE POTTER TEN BROECK, Michaël; VAN SEVEREN, Claudia; Noot'Eerherstel voor de beslissing alvorens recht te doen' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 14, p. 1334-
- - GOVAERTS, Marcel; Noot'Tegen een voorlopige maatregel alvorens recht te doen staat geen hoger beroep' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 16, p. 1528-
- - SONCK, Stefaan; Noot'Het (onmiddelijk)hoger beroep tegen een beslissing alvorens recht te doen in burgerlijke zaken:kunnen we het nu eindelijk eens zijn?' NJW-Nieuw juridisch weekblad - 2022, nr. 460, p. 317-
- - THIRIAR, Pierre; Noot'Hoger beroep tegen een maatregel alvorens recht te spreken-cassatie contra legem' RCJB-Revue critique de jurisprudence belge - 2022, n° 2, p. 193-
- - HOC, Arnaud; Note'Nature du jugement ordonnant une mesure avant dire droit contestée: fin de la controverse' JT-Journal des tribunaux - 2021, n° 36, p. 745-
- - DEJEMEPPE, Benoît; Note'Les audiences plénières de la Cour de cassation' Tekst van de beslissing Nr. C.17.0412.N VANDEREYT nv, met zetel te 3500 Hasselt, Zavelvennestraat 36, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen
- JECO nv, met zetel te 3960 Bree, Industrieterrein Kanaal-Noord 1138, eerste verweerster,
- MOBILITY CENTER GENK-ZUID INTERNATIONAL nv, met zetel te 3600 Genk, Jaarbeurslaan 23, bus 4, tweede verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de tweede verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 13 juli
- De zaak is bij beschikking van de eerste voorzitter van 1 april 2021 verwezen naar de voltallige kamer. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 1 juni 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan. Geschonden wettelijke bepaling - de artikelen 19, eerste en derde lid, en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. Aangevochten beslissing De appelrechters verklaren het hoger beroep van eiseres onontvankelijk op grond van de volgende motieven: “2.
- In het bestreden vonnis nam de eerste rechter kennis van het geschil in toepassing van artikel 19, laatste lid Ger. W. zegde voor recht dat [eerste verweerster] recht had op een provisie van 50.000 EUR en veroordeelde [eiseres] daartoe alsook werd de heer P. als gerechtsdeskundige aangesteld. Het [hof van beroep] is van oordeel dat het hoger beroep van [eiseres] tegen dit bestreden vonnis onontvankelijk moet worden verklaard. In antwoord op de door partijen in hoger beroep uiteengezette grieven oordeelt het [hof van beroep] als volgt: - Artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek werd zo aangepast (artikel 31 van de wet van 19 oktober 2015 - Potpourri I-wet) dat onmiddellijk hoger beroep tegen vonnissen alvorens recht te doen wordt uitgesloten, tenzij de rechter anders bepaalt. Het betreft vonnissen waarbij de rechter, alvorens recht te doen, een voorafgaande maatregel beveelt om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig regelt (art. 19, derde lid, Ger. W.). Voormeld artikel 31 Potpourri I-wet is in werking getreden op 1 november 2015 (zijnde 10 dagen na de publicatie ervan in het Belgisch Staatsblad). - Het [hof van beroep] stelt vast dat de eerste rechter in het bestreden vonnis enerzijds na akkoord van partijen een gerechtsdeskundige aangesteld heeft (alle partijen hebben voor de eerste rechter in die zin geconcludeerd) en anderzijds aan [eerste verweerster] een provisie toekende van 50.000 EUR en [eiseres] veroordeelde tot betaling van dit bedrag. Het [hof van beroep] is van oordeel dat de eerste rechter hiermee een vonnis velde in de zin van artikel 19, derde lid Ger. W, nu hij alvorens recht te doen een gerechtsdeskundige aanstelde en een voorafgaande maatregel beval die de toestand van partijen voorlopig regelde door aan [eerste verweerster] een provisie van 50.000 EUR toe te kennen. Het [hof van beroep] baseert zich hiervoor op volgende elementen: [Eiseres] houdt ten onrechte voor dat het bestreden vonnis niet een vonnis is ‘alvorens recht te doen’ in de zin van artikel 19, derde lid Ger. W., maar een eindvonnis. Naar luid van artikel 19, eerste lid Ger. W. is een eindvonnis een vonnis in zoverre daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij wet bepaald. Enerzijds was en is de aanstelling van een gerechtsdeskundige geen geschilpunt tussen partijen, nu alle partijen voor de eerste rechter de aanstelling van een gerechtsdeskundige vorderden dan wel minstens hiermee akkoord gingen. Anderzijds kan het bestreden vonnis in zoverre het aan [eerste verweerster] een provisie van 50.000 EUR toekende evenmin aanzien worden als ‘de beoordeling van een geschilpunt waarmee de eerste rechter zijn rechtsmacht heeft uitgeput', nu:
- de eerste rechter zijn vonnis velde 'alvorens recht te doen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering' (zie de samenlezing van de artikelen 875bis en 1050 Ger. W.);
- de toegekende provisie uitdrukkelijk geschiedde bij toepassing van artikel 19, laatste lid Ger.W.;
- hieraan geen afbreuk wordt gedaan doordat de gevraagde provisie door [eiseres] voor de eerste rechter betwist werd, hetgeen de aard van de bestreden beschikking ('vonnis alvorens recht te doen') in casu niet wijzigt. De eerste rechter stelde dienaangaande duidelijk dat partijen zich in een patsituatie bevonden, dat het ingehouden bedrag buiten verhouding stond tot de aangehaalde gebreken, dat tot op dat moment de toerekenbaarheid van de vertraging niet bewezen was en dat er tot op dat moment geen bewijs voorhanden was dat [eerste verweerster] als enige verantwoordelijk zou zijn voor de opgelopen vertraging voor de erf zodat de eerste rechter hiermee slechts de situatie van partijen voorlopig regelde door de toekenning van een provisie aan [eerste verweerster] en zijn rechtsmacht op geen enkel punt uitgeput werd. - Uit hetgeen hoger gesteld wordt, dient te worden besloten dat tegen het bestreden vonnis geen hoger beroep openstaat, zodat het hoger beroep van [eiseres] als onontvankelijk dient te worden verklaard" (bestreden arrest, p. 5-7) Grieven Krachtens artikel 1050 van het Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis. Tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen kan slechts hoger beroep worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Krachtens artikel 19, eerste en derde lid van het Gerechtelijk Wetboek is het vonnis een eindvonnis inzover daarmee de rechtsmacht van de rechter over een geschilpunt uitgeput is, behoudens de rechtsmiddelen bij de wet bepaald. Alvorens recht te doen, kan de rechter, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen. De meest gerede partij kan hiertoe de zaak in elke stand van het geding voor de rechter brengen bij eenvoudig schriftelijk verzoek neergelegd ter of toegezonden aan de griffie; de griffier roept de partijen en, in voorkomend geval, hun advocaat op bij gewone brief of, ingeval de partij verstek heeft laten gaan op de inleidingszitting en geen advocaat heeft, bij gerechtsbrief. Daarbij wijzigt de kwalificatie die een rechter aan zijn beslissing geeft, niet de ware aard van die beslissing. Wanneer een gevorderde maatregel om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, tot een betwisting heeft geleid die de rechter heeft moeten beslechten, waardoor hij zijn rechtsmacht daarover volledig heeft uitgeoefend, is die beslissing een eindbeslissing en geen beslissing alvorens recht te doen. De eerste rechter heeft eiseres provisioneel veroordeeld tot betaling aan eerste verweerster van een bedrag van 50.000,00 euro. Eiseres had voor de eerste rechter deze voorlopige maatregel betwist, derwijze dat de eerste rechter deze betwisting heeft moeten beslechten waardoor hij zijn rechtsmacht op dit punt volledig heeft uitgeoefend en er aldus sprake is van een eindbeslissing. De appelrechters oordelen evenwel dat de provisionele veroordeling van eiseres een beslissing is alvorens recht te doen en geen eindbeslissing. Zij overwegen daarbij dat “de eerste rechter zijn vonnis velde ‘alvorens recht te doen over de ontvankelijkheid en gegrondheid van de vordering’”, dat “de toegekende provisie uitdrukkelijk geschiedde bij toepassing van artikel 19, laatste lid Ger. W.”, en dat “hieraan geen afbreuk wordt gedaan doordat de gevraagde provisie door [eiseres] voor de eerste rechter betwist werd”. Door aldus te oordelen, terwijl enerzijds de voorlopige maatregel aanleiding heeft gegeven tot een betwisting die de eerste rechter heeft moeten beslechten, derwijze dat hij zijn rechtsmacht op dat punt volledig heeft uitgeoefend, en anderzijds de kwalificatie die de eerste rechter aan zijn beslissing heeft gegeven geen afbreuk doet aan de ware aard van de beslissing als eindbeslissing, schenden de appelrechters de artikelen 19, eerste en derde lid en 1050 van het Gerechtelijk Wetboek. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1050, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek kan in alle zaken hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een verstekvonnis. Het tweede lid van dit artikel, zoals hier van toepassing, bepaalt dat tegen een beslissing inzake bevoegdheid of, tenzij de rechter anders bepaalt, een beslissing alvorens recht te doen slechts hoger beroep kan worden ingesteld samen met het hoger beroep tegen het eindvonnis. Artikel 19, derde lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechter, alvorens recht te doen, in elke stand van de rechtspleging, een voorafgaande maatregel kan bevelen om de vordering te onderzoeken of een tussengeschil te regelen dat betrekking heeft op een dergelijke maatregel, dan wel de toestand van de partijen voorlopig te regelen.
- Uit de wetsgeschiedenis van de wet van 19 oktober 2015 houdende wijziging van het burgerlijk procesrecht en houdende diverse bepalingen inzake justitie, waarbij voormeld artikel 1050, tweede lid, werd gewijzigd, blijkt de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever dat een beslissing alvorens recht te doen, waaronder een beslissing die de toestand van de partijen voorlopig regelt, onder voorbehoud van een andersluidende beslissing van de rechter, nog slechts het voorwerp kan uitmaken van een hoger beroep dat wordt ingesteld samen met een hoger beroep tegen het eindvonnis.
- Hieruit volgt dat de rechter die een voorafgaande maatregel beveelt om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, zonder daarbij een beslissing te nemen over de ontvankelijkheid of de grond van de vordering, een beslissing neemt alvorens recht te doen waartegen geen onmiddellijk hoger beroep openstaat, ook al bestond over die maatregel tussen de partijen betwisting en hebben zij hierover het debat gevoerd.
- Het middel dat geheel ervan uitgaat dat het volstaat dat een gevorderde maatregel om de toestand van de partijen voorlopig te regelen, tot enige betwisting heeft geleid die de rechter heeft moeten beslechten, opdat de beslissing over die maatregel een eindbeslissing zou zijn die onmiddellijk voor hoger beroep vatbaar is, ook al wordt daarmee nog geen standpunt ingenomen over de ontvankelijkheid of over de grond van de vordering, gaat uit van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 1.095,79 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, als voorzitter, de sectievoorzitters Christian Storck, Eric Dirix, Koen Mestdagh en Mireille Delange, en de raadsheren Michel Lemal, Bart Wylleman, Marie-Claire Ernotte en Koenraad Moens, en in openbare en voltallige rechtszitting van 11 juni 2021 uitgesproken door eerste voorzitter Beatrijs Deconinck, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210611.1N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210611.1N.9 geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220916.1N.9 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221215.1F.4 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240503.1F.1 ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260416.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250116.1F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div