id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.1 Rolnummer: P.21.0260.N Zaak: B. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-18 Raadplegingen: 1370 - laatst gezien 2026-06-18 18:36 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter elke onregelmatigheid in de bewijsvoering te sanctioneren
(1).
(1)Cass. 14 januari 2014, AR P.13.1415.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140114.4, AC 2014, nr. 28, met concl. van eerste advocaat-generaal P. DUINSLAEGER. Over art. 32 VT Sv. Zie alg. J. DE CODT, “La nouvelle loi sur les nullités: un texte inutile?”, RDP 2014, 263-264; F. LUGENTZ, “La sanction de l'irrégularité de la preuve en matière pénale après la loi du 24 octobre 2013”, JT. 2015, 185-195; F. GOOSSENS, “De Antigoonwet van 24 oktober 2013: we drinken een glas, … en alles blijft zoals het was, of toch niet?”, in Na rijp beraad. Liber amicorum Michel Rozie, Intersentia, 2014, 213-232; T. DECAIGNY, “De stille evolutie inzake de uitsluiting van onbetrouwbaar bewijs”, T. Strafr. 2015, 167-172; B. REYNAERTS, “De sanctionering van het onrechtmatig verkregen bewijs voor de vonnisgerechten”, NC 2013, dossier april 2013, 94-126; F. LUGENTZ, “Les effets de l'irrégularité de la preuve dans la procédure pénale. Trois ans d'application de la loi du 24 octobre 2013”, JT. 2017, 61-68; F. LUTGENTZ, La preuve en matière pénale. Sanction des irrégularités, Linal, Anthemis, 2017, 296 p.; M. ROZIE, “Antigoon of het vredesbestand na een tachtigjarige jurisprudentiële oorlog m.b.t. het onrechtmatig verkregen bewijs”, RABG 2018, 672-675; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, GompelSvacina, 2019, 1366-1377; J. VAN DONINCK, “Het lot van het onrechtmatig bewijs: een grondslagenonderzoek”, RW 2020-21, 1283-1308; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1345-1365. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijsvoering Vrije woorden: Onregelmatigheid - Gevolg Fiche 2 De vormvoorwaarden waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, zoals bedoeld in art. 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, betreffen niet louter formaliteiten, maar hebben een algemene draagwijdte en slaan op alle materiële en formele vereisten die de wet bepaalt voor een regelmatige bewijsgaring. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Onregelmatig verkregen bewijs - Uitsluiten van bewijs - Vormvoorwaarden waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering - 17-04-1878 - Art. 32 - 01 ELI link Pub nr 1878041750 Fiche 3 Gedragingen die de maatschappelijke orde zodanig verstoren dat de wet ze strafbaar stelt en vormvoorwaarden inzake bewijsverkrijging die voor de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging zodanig belangrijk zijn dat de wet ze sanctioneert met nietigheid, maken het voorwerp uit van onderscheiden rechtstoestanden die onderling niet te vergelijken zijn. Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Onregelmatig verkregen bewijs - Uitsluiten van bewijs - Vormvoorwaarden waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven - Verschil met misdrijven - Grens Fiche 4 Listige kunstgrepen in de zin van art. 496 Strafwetboek zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak; aangezien dergelijke bedrieglijke middelen determinerend dienen te zijn voor die afgifte of die levering, gaan zij in de regel eraan vooraf
(1).
(1)Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, AC 2020, nr. 36 met concl. OM; Cass. 25 januari 2017, AR P.16.1021.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.8, AC 2017, nr. 54, RW 2018-19, 261 noot R. VERHEYDEN en J. VANROYE; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1526.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6, AC 2015, 461, R.W. 2016-17, 708; Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, AC 2012, nr. 660; Cass. 15 april 1997, AR P.97.0469.N ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970415.10, AC 1997, nr. 187, 445; Cass. 17 februari 1988, AC 1987-88, 775, RDP 1988,
- Zie ook B. SPRIET, “Gemeenrechtelijke fraudemisdrijven m.b.t. onroerende goederen”, in Het onroerend goed in het straf(proces)recht, Intersentia, 2012, 47; M. BOCKSTAELE, “Oplichting”, in Postal Memorialis, Kluwer, 2016,
- Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Listige kunstgrepen - Begrip Fiche 5 Het leugenachtig in het vooruitzicht stellen van een huwelijk of een affectieve relatie om bij een lichtgelovige persoon een verlangen of een behaagzucht te creëren die hem overtuigt gelden af te geven teneinde de dader uit een voorgewende nood te helpen, kan een listige kunstgreep uitmaken wanneer de dader die leugens doet gepaard gaan met uitwendige handelingen
(1)die aan de leugens een bepaald krediet toekennen; dat de effectieve totstandkoming van dergelijke relatie nooit zeker is of dat het verbreken van de relatie zich pas na de afgifte van de gelden voordoet, doet daaraan geen afbreuk.
(1)Over de vereiste van uitwendige handelingen die een bepaald krediet toekennen aan een leugenachtige bewering, als bestanddeel van het misdrijf oplichting, Cass. 21 januari 2020, AR P.19.0693.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3, AC 2020, nr. 59, NC 2020, 288, RABG 2020, 719; Cass. 1 december 2020, AR P.20.0784.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5, AC 2020, nr. 736 met concl. OM; Cass. 11 december 2018, AR P.18.0791.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5, AC 2018, nr. 702, T. Strafr. 2019, 73 noot B. MEGANCK; Cass. 2 juni 2015, AR P.14.1080.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3, AC 2015, nr. 360, RABG 2016, 26 noot V. VEREECKE; Cass. 17 februari 2015, AR P.14.1526.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6, AC 2015, nr. 123; Cass. 21 januari 2014, AR P.12.1840.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10, AC 2014, nr. 47; Cass. 4 december 2012, AR P.12.0781.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2, AC 2012, nr. 660, T. Strafr. 2013, 189 noot G. SCHOORENS. Zie ook F. DERUYCK en A. DE NAUW, Inleiding tot het bijzonder strafrecht, Kluwer, 2020,
- Thesaurus CAS: OPLICHTING Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Listige kunstgrepen - Leugenachtige belofte van een huwelijk of affectieve relatie - Uitwendige handelingen die aan de leugen een bepaald krediet toekennen - Voorwaarde Tekst van de beslissing Nr. P.21.0260.N S. B. E. K., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Anne Marie De Clerck, advocaat bij de balie Gent, tegen
- D. D. V., burgerlijke partij,
- K. L., burgerlijke partij,
- P. V., burgerlijke partij,
- F. S., burgerlijke partij,
- F. T., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 27 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert in zijn aanhef schending aan van artikel 7 van het Handvest van de Europese Unie, artikel 8 EVRM en artikel 149 Grondwet, zonder dat het in enig onderdeel preciseert hoe en waardoor het arrest die artikelen schendt. In zoverre is het middel onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6.1 en 13 EVRM en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging: het arrest verwerpt het verweer van de eiseres dat de strafvordering niet ontvankelijk is, minstens dat moet worden overgegaan tot het weren van het onregelmatige bewijs dat de verweerder 3 heeft verkregen door het plegen van misdrijven en dat hij heeft gebruikt om andere partijen op te sporen die eveneens klacht tegen de eiseres hebben gedaan; het arrest oordeelt dat, zelfs indien die onregelmatigheid in het kader van een andere strafprocedure zou komen vast te staan, dit nog niet leidt tot de nietigheid van het eventueel verkregen bewijsmateriaal; het arrest koppelt zodoende geen enkele sanctie aan de voorlegging van bewijs waarover wordt aangevoerd dat het voorkomt uit een misdrijf; aldus blijft de eiseres verstoken van een effectieve toegang tot de rechter en van een daadwerkelijk rechtsherstel om de schending van een wettelijke norm te laten sanctioneren.
- Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verplicht de rechter elke onregelmatigheid in de bewijsvoering te sanctioneren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met eigen en van het beroepen vonnis overgenomen redenen oordeelt het arrest onder meer dat: - de verweerder 3 bij beschikking van de raadkamer van 20 september 2020, waartegen de eiseres hoger beroep heeft ingesteld maar waarin haar recht op een eerlijk proces en recht van verdediging niet zijn miskend, buiten vervolging is gesteld voor onder meer de hacking van de laptop van de eiseres; - het gerechtelijk onderzoek lastens de eiseres is opgestart door de verweerder 1 onafhankelijk van enige andere persoon of procedure; - de verweerder l en andere slachtoffers reeds aangifte hadden gedaan van feiten of zich bij de politie reeds hadden beklaagd over de eiseres onafhankelijk van de door haar aangevoerde onregelmatigheid betreffende de verweerder 3; - het gerechtelijk onderzoek autonome bewijselementen lastens de eiseres heeft opgeleverd en is uitgebreid op vordering van het openbaar ministerie; - er geen op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste is miskend, de aangevoerde onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs niet aantast en de eiseres vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over het tegen haar ingebrachte bewijs zodat haar recht van verdediging niet is miskend; - de verklaringen van de verweerders gedifferentieerd en gedetailleerd zijn, worden ondersteund door objectief bewijs en derhalve geloofwaardig zijn; - de bewering van de eiseres dat de aangiften van de verweerders zouden zijn georkestreerd door de verweerder 3, niet overeenstemt met de realiteit; - de schuld van de eiseres wordt geschraagd door diverse met elkaar overeenstemmende bewijselementen en niet enkel door de verklaringen van de verweerder 3 of de gegevens gevonden op haar laptop. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 6 en 13 EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet en artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt op grond van vermeld artikel 32 dat er geen grond is om over te gaan tot de uitsluiting van bewijs waarvan de eiseres heeft aangevoerd dat het is verkregen door een misdrijf, omdat de betrouwbaarheid van het bewijs niet is aangetast en het gebruik van het bewijs niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces; overeenkomstig artikel 32 leidt de miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereiste op zichzelf tot bewijsuitsluiting, terwijl een onregelmatigheid opgeleverd door het plegen van een misdrijf vereist dat wordt geoordeeld over de betrouwbaarheid van het bewijs of de miskenning van het recht op een eerlijk proces; aldus wordt de overtreding van loutere vormvoorwaarden die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven strenger behandeld dan de overtreding van wetten voorgeschreven op straffe van strafsancties; voor dat verschil in behandeling bestaat geen redelijke verantwoording. Het onderdeel verzoekt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 32 van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden, doordat het bewijs dat door een misdrijf werd verkregen enkel tot bewijsuitsluiting leidt indien de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast, of, indien het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces, terwijl het bewijs dat werd verkregen zonder naleving van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarden op zichzelf leidt tot bewijsuitsluiting?"
- Overeenkomstig artikel 32 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering is onregelmatig verkregen bewijs slechts nietig en dient het bijgevolg te worden uitgesloten indien de bewijsverkrijging in strijd is met vormvoorwaarden waarvan de naleving op straffe van nietigheid is voorgeschreven, de begane onregelmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast of het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces. De vormvoorwaarden waarvan sprake in dat artikel betreffen niet louter formaliteiten, maar hebben een algemene draagwijdte en slaan op alle materiële en formele vereisten die de wet bepaalt voor een regelmatige bewijsgaring. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Gedragingen die de maatschappelijke orde zodanig verstoren dat de wet ze strafbaar stelt en vormvoorwaarden inzake bewijsverkrijging die voor de eerbiediging van het recht op een eerlijk proces en het recht van verdediging zodanig belangrijk zijn dat de wet ze sanctioneert met nietigheid, maken het voorwerp uit van onderscheiden rechtstoestanden die onderling niet te vergelijken zijn. Er bestaat geen grond om de prejudiciële vraag te stellen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 496 en 504quater Wetboek van Strafvordering: het arrest verklaart de eiseres ten onrechte schuldig aan de telastleggingen A en B (informaticabedrog) en C tot I (oplichting); het oordeelt dat de listige kunstgrepen erin bestonden dat de eiseres het vertrouwen en de lichtgelovigheid van de slachtoffers misbruikte door bij hen het blinde vertrouwen op te wekken en hen in de waan te laten dat zij een reële relatie met hen wilde aangaan; oplichting is een aflopend misdrijf dat moet worden beoordeeld op het moment van de afgifte van de zaak; uit geen enkel feit dat het arrest vermeldt, blijkt echter dat de eiseres op het moment van de afgifte van de gelden meer aan de verweerders had voorgespiegeld dan een mogelijkheid tot het aangaan van een reële relatie; eigen aan een mogelijkheid is dat deze zich al dan niet kan realiseren; bijgevolg maakt het feit dat er na de afgifte van de gelden geen relatie is aangegaan, de door de eiseres gecreëerde omstandigheden niet bedrieglijk en konden de appelrechters het bestaan van de aan de eiseres ten laste gelegde misdrijven niet wettig afleiden uit de vastgestelde feiten.
- Oplichting bestaat in het zich doen afgeven of leveren van een door artikel 496 Strafwetboek bedoelde zaak die een ander toebehoort hetzij door gebruik te maken van valse namen of valse hoedanigheden hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen, met het oogmerk zich die zaak toe te eigenen.
- Listige kunstgrepen zijn misleidende middelen die bestaan in of gepaard gaan met uitwendige handelingen met het oog op de afgifte of de levering van de zaak. Aangezien dergelijke bedrieglijke middelen determinerend dienen te zijn voor die afgifte of die levering, gaan zij in de regel eraan vooraf.
- Het leugenachtig in het vooruitzicht stellen van een huwelijk of een affectieve relatie om bij een lichtgelovige persoon een verlangen of een behaagzucht te creëren die hem overtuigt gelden af te geven teneinde de dader uit een voorgewende nood te helpen, kan een listige kunstgreep uitmaken wanneer de dader die leugens doet gepaard gaan met uitwendige handelingen die aan de leugens een bepaald krediet toekennen. Dat de effectieve totstandkoming van dergelijke relatie nooit zeker is of dat het verbreken van de relatie zich pas na de afgifte van de gelden voordoet, doet daaraan geen afbreuk. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met eigen en van het beroepen vonnis (p. 15-25) overgenomen redenen beschrijft het arrest (p. 23-24) de vermelde leugens, alsook de uitwendige handelingen waarmee de eiseres die leugens heeft doen gepaard gaan om ze uitwerking te doen hebben. Uit die redenen kan het arrest wettig afleiden dat de eiseres listige kunstgrepen heeft gebruikt om zich de gelden vermeld in de telastleggingen C tot I door de daar bedoelde slachtoffers te doen overhandigen, alsook dat het gebruik van de bank- en visakaart vermeld in de telastleggingen A en B wel degelijk bedrieglijk was. Aldus is de beslissing dat de aan de eiseres ten laste gelegde feiten bewezen zijn, naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 163,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 15 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.1 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19970415.10 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121204.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140114.4 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140121.10 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150217.6 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150602.3 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170125.8 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181211.5 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200121.2N.3 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201201.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220111.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div