id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 Rolnummer: P.21.0252.N Zaak: S. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-18 Raadplegingen: 1665 - laatst gezien 2026-06-19 08:19 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen; dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen; in de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde; wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen
(1).
(1)Cass. 4 mei 2021, AR P.21.0081.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5, AC 2021, nr. 321; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1125.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13, AC 2021, nr. 213; Cass. 8 september 2020, AR P.20.0486.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25, AC 2020, nr. 508; Cass. 26 februari 2019, AR P.18.1028.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1, AC 2019, nr. 117, T. Strafr. 2019, 296 noot S. BERNEMAN; Cass. 21 november 2017, AR P.17.0410.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7, AC 2017, nr. 662; Cass; 20 september 2017, AR P.17.0428.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4, AC 2017, nr. 488; Cass. 2 mei 2017, AR P.17.0290.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4, AC 2017, nr. 303, T. Strafr. 2017, 224; Cass. 14 maart 2017, AR P.16.1152.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6, AC 2017, nr. 181, T. Strafr. 2017, 210; Cass. 31 januari 2017, AR P.16.0970.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4, AC 2017, nr. 73 met concl. van advocaat-generaal R. MORTIER, RO.4, T. Strafr. 2017, 207 en EHRM 15 december 2011, Al-Khawaja en Tahery t/Verenigd Koninkrijk, EHRM 15 december 2015, Schatschaschwili t/Duitsland EHRM 14 juni 2016, Riahi t/België, §27, RDP 2017, 604 noot C. MACQ, NC 2017, 141 noot P. TERSAGO en RABG 2017, 509 noot B. DE SMET; EHRM 19 januari 2021, Keskin t/Nederland, www.echr.coe.int Zie ook D. DE WOLF, “Het recht op horen van getuigen (à charge) na het arrest Al-Khawaja en Tahery van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens”, in Strafrecht in breed spectrum, Die Keure, 2014, 25-58; O. MICHIELS en P. KNAEPEN, “Les déclarations non verifiées de témoins au regard du procès équitable”, J.T. 2016, 485-490; A. BLOCH, “Het horen van getuigen ter rechtszitting als voorwaarde voor een eerlijk proces”, T. Strafr. 2017, 286-307; C. VAN DE HEYNING, "Het getuigenverhoor na de zaak Riahi: het Hof van Cassatie zoekt zijn weg", T. Strafr. 2017, 227-229; S. BERNEMAN, “De advocaat, de terrorist en de getuige à décharge: een explosief trio!”, T. Strafr. 2019, 286-287; C. VAN DEN WYNGAERt, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 776-779; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1400-1403. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Strafzaken - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Criteria Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Criteria Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Impact op een eerlijk proces - Beoordeling - Criteria Fiches 4 - 6 In het kader van het tweede criterium, het al dan niet doorslaggevend karakter van de getuigenis, moeten ter rechtszitting niet alle getuigen worden gehoord die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring hebben afgelegd, maar enkel de getuigen wiens belastende verklaringen doorslaggevend zijn voor het resultaat van de zaak; of dat het geval is, moet worden bepaald aan de hand van het belang dat de rechter aan die verklaringen hecht binnen het geheel van de redenen waarop zijn beslissing over de schuldigverklaring steunt; de loutere verwijzing naar een belastende verklaring volstaat dan ook niet om ze als doorslaggevend te aanzien, wanneer blijkt dat andere doorslaggevende bewijselementen aan de beslissing ten grondslag liggen. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Strafzaken - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Schriftelijke getuigenis dat niet het enige of doorslaggevend bewijs is - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Schriftelijke getuigenis dat niet het enige of doorslaggevend bewijs is - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Schriftelijke getuigenis dat niet het enige of doorslaggevend bewijs is - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.3.d - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiches 7 - 9 Voor wat betreft het derde criterium, de voldoende compenserende waarborgen voor de beklaagde, kan de rechter oordelen dat de bewijselementen vermeld bij de beoordeling van het tweede criterium een bevestiging uitmaken van de belastende verklaringen van een niet ter rechtszitting gehoorde getuige; niet vereist is dat de rechter aan de vermelde verklaringen uitdrukkelijk een verminderde bewijswaarde toekent; bovendien kan het feit dat een beklaagde over die verklaringen ten volle tegenspraak heeft kunnen voeren, een bijkomende compenserende factor uitmaken. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Strafzaken - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Gebruik van een schriftelijke getuigenis met voldoende compenserende waarborgen voor de beklaagde - Voorwaarden Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.3 Vrije woorden: Artikel 6.3.d - Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Gebruik van een schriftelijke getuigenis met voldoende compenserende waarborgen voor de beklaagde - Voorwaarden Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Getuigen Vrije woorden: Rechter ten gronde - Niet horen van een getuige à charge op de rechtszitting - Gebruik van een schriftelijke getuigenis met voldoende compenserende waarborgen voor de beklaagde - Voorwaarden Fiche 10 De rechter oordeelt in elke zaak afzonderlijk en aan de hand van de bijzondere omstandigheden ervan of er binnen een redelijke termijn is beslist over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging; bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde overheden, alsook met het belang van de zaak voor de partijen
(1); daarbij is de procedure in haar geheel in aanmerking te nemen; een vertraging in een bepaalde fase of meerdere fasen van de procedure verplicht dan ook niet noodzakelijk tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden
(2).
(1)Cass. 14 juni 2016, AR P.16.0430.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.2, AC 2016, nr. 400; Cass. 25 maart 2014, AR P.13.1855.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.3, AC 2014, nr. 239; ; Cass. 14 december 2010, AR P.10.0671.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.7, AC 2010, nr. 741; Cass. 5 januari 2010, AR P.09.0486.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100105.1, AC 2010, nr. 2; Cass. 28 februari 2007, AR P.06.1038.F ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070228.3, AC 2007, nr. 115; Cass. 14 februari 2001, AR P.00.1350.F ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14, AC 2001, nr. 91; Cass. 17 mei 2000, AR P.00.0275.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000517.31, AC 2000, nr. 302;. Zie J. MEESE, “Redelijke termijn in strafzaken”, in Comm. Sr. 2012, 5-8; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 949; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 807-808; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel&Svacina, 2019, 745-474; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 51-60.
(2)Cass. 10 december 2019, AR P.19.1002.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.10, AC 2019, nr. 658; Cass. 26 september 2006, AR P.06.0604.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7, AC 2006, nr. 439. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn - Criteria Fiche 11 Elke beklaagde kan alle wettelijke middelen aanwenden die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn recht van verdediging; de uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet om de implicaties daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de rechtspleging in haar geheel; geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel sluit uit dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn de houding van medebeklaagden in rekening brengt, wanneer die houding een vertraging veroorzaakt in het onderzoek of de behandeling van de zaak
(1); opdat de rechter bij het bepalen van de duur van de redelijke termijn rekening kan houden met de houding van een beklaagde of een medebeklaagde, is niet vereist dat de betrokkene het verloop van de procedure heeft vertraagd door obstructief of niet-medewerkend gedrag
(2).
(1)Cass. 30 april 2013, AR P.12.1290.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.3, AC 2013, nr. 270. Zie M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 56.
(2)Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215; Cass. 25 maart 2014, AR P.12.1890.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.9, AC 2014, nr. 237; Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0442.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.2, AC 2011, nr. 552, T. Strafr. 2012, 33. Zie ook J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 57. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn - Vertraging te wijten aan de houding van een medebeklaagde - Invloed Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0252.N I J. S., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen. II P. J. H., beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Jorgen Van Laer, advocaat bij de balie Antwerpen. III D. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Hans Porters, advocaat bij de balie Limburg. IV F. P. M. M., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent. V A. V. D. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Serge Defrenne, advocaat bij de balie Gent, met kantoor te 9090 Melle, Brusselsesteenweg 326, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 28 januari 2021. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser IV voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser V voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen 1. In zoverre gericht tegen de beslissingen die de eisers vrijspreken, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I 2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest verklaart de eiser I schuldig aan de bewezen gebleven telastleggingen C met de verzwarende omstandigheid dat de drugmisdrijven daden van deelneming waren aan de hoofd- of bijkomende bedrijvigheid van een vereniging; het motiveert echter niet waarom die verzwarende omstandigheid vaststaat en motiveert bijgevolg niet alle constitutieve bestanddelen van het bewezen verklaarde misdrijf. 3. De strafrechter voldoet aan de uit artikel 149 Grondwet voortvloeiende verplichting om de constitutieve bestanddelen te vermelden van de misdrijven en verzwarende omstandigheden die hij bewezen verklaart, wanneer hij de feiten bewezen verklaart in de bewoordingen van de strafwet. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient hij het bestaan van die constitutieve bestanddelen niet uitdrukkelijk te motiveren. 4. De in het middel vermelde verzwarende omstandigheid was bij de telastleggingen C vermeld in de bewoordingen van artikel 2bis, § 3, b, Drugwet. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt evenwel niet dat de eiser I daarover heeft geconcludeerd. Bijgevolg moest het arrest het bestaan van die verzwarende omstandigheid niet nader motiveren. Het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I 5. Het middel voert schending aan van de artikelen 195, tweede lid, en 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest motiveert niet op nauwkeurige en geïndividualiseerde wijze waarom het aan de eiser I voor de vermengde telastleggingen C, D en I, in zoverre bewezen gebleven, naast een hoofdgevangenisstraf ook een geldboete oplegt die hier facultatief is. 6. De als geschonden aangewezen wetsbepalingen verplichten de appelrechter om nauwkeurig de redenen te vermelden voor de keuze van de straffen die de wet aan zijn vrije beoordeling overlaat, zij het dat dit beknopt mag zijn. Dit betekent niet dat de appelrechter elke straf afzonderlijk moet motiveren. Zo kunnen redenen voor het opleggen van een facultatieve straf ook blijken uit de motivering van de globale strafmaat of uit de motivering van een andere straf. Bovendien impliceert het feit dat de appelrechter de bestraffing van verschillende beklaagden steunt op dezelfde redenen niet dat hij de respectieve straffen niet individualiseert. 7. Het arrest (p. 130-137) oordeelt dat de bewezen verklaarde feiten zeer ernstig zijn en streng moeten worden beteugeld. Het verwijst daarvoor onder meer naar de grootschaligheid en het georganiseerde karakter van de drugtrafiek, de gevaren voor de volksgezondheid, het streefdoel van elke beklaagde naar gemakkelijk en groot geldgewin en eisers eerdere veroordeling voor drugmisdrijven. Het oordeelt eveneens dat de geldboeten tot doel hebben de beklaagden te raken in hun vermogen en hen te doen inzien dat crimineel geldgewin nooit lonend mag zijn. Aldus vermeldt het nauwkeurig en geïndividualiseerd waarom het de geldboete aan de eiser I oplegt en is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. Het middel kan niet worden aangenomen. Derde middel van de eiser I 8. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: het arrest verwerpt eisers verzoek om J.V. ter rechtszitting als getuige te horen op grond van onvoldoende ernstige redenen; het risico op beïnvloeding, de gezondheidstoestand van J.V. en het lange tijdsverloop sinds de feiten wegen niet op tegen de noodzaak voor de eiser I om J.V. als getuige ter rechtszitting te kunnen horen, te meer daar diens verklaring het enige, minstens het voornaamste belastende bewijs was dat de eiser I aan de hem ten laste gelegde feiten linkte en er geen afdoende bewijsmateriaal voorligt dat die verklaring bevestigt. 9. Of de rechter die zich over de gegrondheid van de strafvordering moet uitspreken verplicht is een persoon, die tijdens het vooronderzoek een voor een beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, te horen als getuige indien die beklaagde daarom verzoekt, moet worden beoordeeld in het licht van het door artikel 6.1 EVRM en artikel 14.1 IVBPR gewaarborgde recht op een eerlijk proces en het door artikel 6.3.d EVRM en artikel 14.3.e IVBPR gewaarborgde recht om getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen. Wezenlijk daarbij is of de tegen de beklaagde gevoerde strafvervolging in haar geheel beschouwd eerlijk verloopt, wat niet uitsluit dat de rechter niet alleen rekening houdt met het recht van verdediging van die beklaagde, maar ook met de belangen van de samenleving, de slachtoffers en de getuigen zelf. 10. Uit de vermelde verdragsbepalingen volgt in de regel dat het tegen een beklaagde aangevoerde bewijs hem wordt voorgelegd tijdens een openbare rechtszitting, hij dit bewijs moet kunnen tegenspreken en hem in beginsel de gelegenheid moet worden gegeven een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon die een belastende verklaring heeft afgelegd, als getuige ter rechtszitting te ondervragen. 11. Artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, vereist dat om een belastende verklaring van een tijdens het vooronderzoek gehoorde persoon als bewijs in aanmerking te nemen, zonder dat de beklaagde de gelegenheid had die persoon als getuige op de rechtszitting te ondervragen, de rechter nagaat of: (
- i)er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridische gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden; (
- ii)de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldigverklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald; (iii) er voor het niet kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip van sterke procedurele waarborgen. Dergelijke compenserende factoren kunnen onder meer bestaan in het voorliggen van bewijsmateriaal dat de inhoud van de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen ondersteunt of bevestigt, de gelegenheid die de beklaagde had om tijdens het vooronderzoek of ter rechtszitting de getuige te ondervragen of te doen ondervragen en de mogelijkheid voor de beklaagde om zijn standpunt kenbaar te maken over de geloofwaardigheid en de betrouwbaarheid van de getuige of over interne strijdigheden in die verklaring of strijdigheid met verklaringen van andere getuigen. 12. In de regel zal de rechter de impact op het eerlijk proces van het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een belastende verklaring heeft afgelegd, beoordelen aan de hand van de drie voormelde criteria en in de vermelde volgorde. Wel kan de beoordeling van het ene criterium de beoordeling van de andere criteria versterken, vervolledigen of verduidelijken, zodat de redenen voor een afwijzing van het verzoek om een getuige à charge te horen in hun onderling verband moeten worden gelezen. 13. Het staat aan de rechter om rekening houdende met de voormelde criteria te oordelen of door het niet-horen op de rechtszitting van een getuige die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring heeft afgelegd, diens recht op een eerlijk proces in zijn geheel beschouwd, met inbegrip van zijn recht van verdediging, wordt miskend. De rechter moet zijn beslissing steunen op concrete omstandigheden die hij aanwijst. 14. Voor wat betreft het eerste criterium wijst het arrest (p. 41-42) op het risico van beïnvloeding, intimidatie, bedreiging en zelfs geweld, gelet op het milieu van georganiseerde criminaliteit waarin de feiten zich afspeelden en de entourage van O.A., die zelf een gewelddadig verleden heeft. Het wijst bovendien op praktische problemen om J.V. ter rechtszitting te horen, volgend uit zijn gezondheidstoestand en het lange tijdsverloop sinds de feiten, waardoor de betrouwbaarheid van zijn verklaring kan worden aangetast. 15. In het kader van het tweede criterium moeten ter rechtszitting niet alle getuigen worden gehoord die tijdens het vooronderzoek een voor de beklaagde belastende verklaring hebben afgelegd, maar enkel de getuigen wiens belastende verklaringen doorslaggevend zijn voor het resultaat van de zaak. Of dat het geval is, moet worden bepaald aan de hand van het belang dat de rechter aan die verklaringen hecht binnen het geheel van de redenen waarop zijn beslissing over de schuldigverklaring steunt. De loutere verwijzing naar een belastende verklaring volstaat dan ook niet om ze als doorslaggevend te aanzien, wanneer blijkt dat andere doorslaggevende bewijselementen aan de beslissing ten grondslag liggen. 16. Voor wat betreft dit criterium oordeelt het arrest dat de belastende verklaringen van J.V. niet het enige of doorslaggevende element zijn waarop de schuldigverklaring van de eiser I steunt en vermeldt het vervolgens een geheel van andere bewijselementen die zijn schuldigverklaring schragen, zoals de resultaten van huiszoekingen, de analyse van data en vaststellingen van politie en douane. Uit die bewijselementen blijkt dat het arrest: - voor de schuldigverklaring van de eiser I aan de telastlegging D.III (nemen van beslissingen in een criminele organisatie) steunt op het feit dat verschillende vennootschappen actief in de criminele organisatie werden geleid door de eiser I of door de stroman J.V. die door de eisers I en V werd aangestuurd, dat de eiser I betrokken was bij verdachte geldtransacties en dat hij nauwe contacten onderhield met O.A., wiens vertrouwen hij genoot (p. 58-67); - voor zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen C.IV, c en d (invoer van drugs), steunt op het feit dat de drugs werden ontdekt bij politie- en douanecontroles en dat J.V. door de eisers I en V is ingeschakeld als stroman voor de vertegenwoordiging van een bij de invoer betrokken vennootschap (p. 67-70); - voor zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen C.VI en I.II.b (informaticabedrog) steunt op het feit dat de drugs werden vervoerd in een gestolen container bij een trekker die werd gebruikt door een vennootschap waarvan de eiser I de zaakvoerder was en dat de bestuurder van de trekker een pincode had gebruikt om zich toegang te verschaffen tot de containerterminal (p. 72-74). Uit die redenen blijkt niet dat de verklaringen van J.V. en R.V. het resultaat van eisers zaak op doorslaggevende wijze hebben beïnvloed. 17. Voor wat betreft het derde criterium oordeelt het arrest dat voldoende compenserende factoren blijken uit de voormelde bewijselementen, waardoor de verklaringen van J.V. worden bevestigd, alsmede uit de omstandigheid dat de eiser I gedurende de ganse procedure over het tegen hem ingebrachte bewijs tegenspraak heeft kunnen voeren en ook heeft gevoerd (p. 43). 18. Op grond van het geheel van die redenen, in hun onderling verband gelezen, kan het arrest wettig oordelen dat eisers recht op een eerlijk proces en recht van verdediging niet zijn miskend doordat rekening wordt gehouden met de verklaringen van J.V. zonder hem als getuige ter rechtszitting te horen. Het middel kan niet worden aangenomen. Eerste middel van de eiseres II 19. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest oordeelt dat de redelijke termijn voor de behandeling van de zaak van de eiseres II niet is overschreden; het neemt daarbij ten onrechte niet de houding van de eiseres II in acht, maar scheert alle beklaagden over één kam; ondanks haar coöperatieve houding loopt de redelijke termijn voor de eiseres II sinds 2014; de overschrijding van de redelijke termijn is te wijten aan het uitblijven van de eindvordering van de procureur des Konings gedurende een jaar en twee maanden en de inleidingszitting in hoger beroep gedurende tien maanden, terwijl het arrest pas werd uitgesproken op 28 januari 2021; het betrof hier nochtans geen complexe misdrijven en geen enkele vertraging is te wijten aan de beklaagden, die enkel hun rechten hebben uitgeoefend. 20. De rechter oordeelt in elke zaak afzonderlijk en aan de hand van de bijzondere omstandigheden ervan of er binnen een redelijke termijn is beslist over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging. Bij die beoordeling kan de rechter onder meer rekening houden met de complexiteit van de zaak, het gedrag van de partijen en de bevoegde overheden, alsook met het belang van de zaak voor de partijen. Daarbij is de procedure in haar geheel in aanmerking te nemen. Een vertraging in een bepaalde fase of meerdere fasen van de procedure verplicht dan ook niet noodzakelijk tot de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. 21. Elke beklaagde kan alle wettelijke middelen aanwenden die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn recht van verdediging. De uitoefening van dat recht belet de rechter evenwel niet om de implicaties daarvan in aanmerking te nemen bij de beoordeling van de redelijke termijn van de rechtspleging in haar geheel. 22. Geen enkele bepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel sluit uit dat de rechter bij de beoordeling van de redelijke termijn de houding van medebeklaagden in rekening brengt, wanneer die houding een vertraging veroorzaakt in het onderzoek of de behandeling van de zaak. 23. Opdat de rechter bij het bepalen van de duur van de redelijke termijn rekening kan houden met de houding van een beklaagde of een medebeklaagde, is niet vereist dat de betrokkene het verloop van de procedure heeft vertraagd door obstructief of niet-medewerkend gedrag. 24. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht. 25. De rechter oordeelt in het licht van de voormelde criteria onaantastbaar of de redelijke termijn is overschreden. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord. 26. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (p. 50-52) en met eigen redenen oordeelt het arrest (p. 34) onder meer: - de redelijke termijn voor de eiseres II loopt vanaf 2014; - de eerste beschikking tot mededeling dateert van 8 maart 2016, waarna op 1 december 2016 nog een zeer uitgebreid synthese proces-verbaal aan het dossier werd gevoegd; - de raadkamer heeft de zaak meerdere malen moeten uitstellen ingevolge de voeging van bijkomende stukken, het neerleggen van verzoeken tot bijkomend onderzoek en het instellen van hogere beroepen tegen weigeringen tot bijkomend onderzoek; - op 2 augustus 2017 is de eiser V, nadat hij de vlucht had genomen, uitgeleverd vanuit Spanje, waarna nog een aantal onderzoeksdaden moesten gebeuren; - bij beschikking van 29 januari 2018 werden de beklaagden verwezen naar de correctionele rechtbank, waartegen de eiser III een niet ontvankelijk verklaard hoger beroep heeft aangetekend; - de beklaagden werden gedagvaard voor de inleidende rechtszitting van de correctionele rechtbank van 9 april 2018, waarop conclusietermijnen werden bepaald die op verzoek van de beklaagden ingingen op 2 mei 2018, namelijk na het vernemen van de vordering van het openbaar ministerie; - de zaak werd gepleit op de rechtszittingen van 26 september 2018, 1 oktober 2018 en 8 oktober 2018, datum waarop ze in beraad werd genomen; - het strafonderzoek is zeer complex en betreft een uitgebreid onderzoek waarin 16 feiten van internationale drugtrafiek werden onderzocht binnen het raam van een criminele organisatie, met 19 beklaagden, die er uiterst gewiekste technieken op nahielden om deze feiten te kunnen plegen, in de vorm van hacking en cybercriminaliteit; - er werden 44 rechtshulpverzoeken uitgestuurd waaronder twee naar Turkije, één naar Cyprus en één naar de Verenigde Staten. Veel van de verhoren moesten in Nederland gebeuren. Er werd een rogatoire commissie uitgevoerd in Peru. De exploitatie van een server in de Verenigde Staten leverde 50.000 schermafdrukken op die stuk voor stuk dienden te worden onderzocht. Gelet op de modus operandi die de beklaagden erop nahielden, moesten gespecialiseerde speurders worden ingezet; - ook tijdens de behandeling voor het hof van beroep werd de redelijke termijn niet overschreden, gelet op de door de partijen gevraagde conclusietermijnen, de duur van die termijnen en de pleitduur waarvoor meerdere pleitzittingen werden voorzien, waarna de zaak nog in voortzetting moest worden gesteld; - de zaak werd voor het hof van beroep behandeld op de rechtszittingen van 23 september 2020, 30 september 2020, 29 oktober 2020 en 18 november 2020, datum waarop de zaak in beraad werd genomen. De enige vertraging tijdens de behandeling in hoger beroep was gerechtvaardigd door de corona-epidemie. Op grond van die redenen kan het arrest wettig oordelen dat de redelijke termijn hier niet is overschreden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiseres II 27. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering. Eerste onderdeel 28. Het onderdeel voert aan dat het arrest, door bij de beoordeling van de redelijke termijn geen acht te slaan op de houding van de eiseres II maar alle beklaagden over één kam te scheren en zodoende een vereiste toe te voegen die niet blijkt uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ook de motiveringsplicht miskent. 29. Een onjuiste toepassing van de wet levert geen motiveringsgebrek op, maar enkel een schending van die wet. In zoverre het onderdeel miskenning van de motiveringsplicht aanvoert, faalt het naar recht. 30. Voor het overige is het onderdeel afgeleid uit de in het eerste middel vergeefs aangevoerde onwettigheid en is het niet ontvankelijk. Tweede onderdeel 31. Het onderdeel voert aan dat het arrest, met het oordeel dat het recht op een eerlijk proces pas in het gedrang komt zodra de bewijsgaring in haar geheel is geschied in omstandigheden die doen twijfelen aan de betrouwbaarheid van het verkregen bewijs, de motiveringsplicht miskent omdat het daarmee de vaststaande rechtspraak miskent van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en het Grondwettelijk Hof; dat laatste Hof heeft het enkel over een onderzoek van de procedure in haar geheel; met dat oordeel beperkt het arrest ook op onrechtmatige wijze het recht op een eerlijk proces aangezien het onrechtmatig verkrijgen van één bewijselement miskenning van dat recht kan teweegbrengen voor zover daardoor het eerlijke karakter van de procedure in haar geheel in het gedrang komt. 32. De bekritiseerde beslissing beantwoordt enkel het verweer van de eiser IV dat wat hem betreft het vermoeden van onschuld is miskend ingevolge de deloyale en partijdige houding van de onderzoekers en het openbaar ministerie. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiseres II zelf een dergelijk verweer voor de appelrechters heeft aangevoerd. De beslissing kan de eiseres II bijgevolg niet grieven. Het onderdeel is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Derde onderdeel 33. Het onderdeel voert aan dat het arrest de motiveringsplicht miskent met het oordeel geen waardeoordeel te kunnen vellen over de prerogatieven van het openbaar ministerie. 34. Het onderdeel is om de reden vermeld in het antwoord op het tweede onderdeel niet ontvankelijk. Vierde onderdeel 35. Het onderdeel voert aan dat het arrest de motiveringsplicht miskent door de eiseres II schuldig te verklaren aan de telastlegging P.VIII (betrokkenheid bij een criminele organisatie) zonder dat het van tel is dat zij zelf niet rechtstreeks betrokken was bij de individuele feiten van invoer van verdovende middelen; wanneer de eiseres II niet betrokken was bij die invoer, was zij ook niet noodzakelijk op de hoogte van de criminele aard van de organisatie, kunnen haar activiteiten ten voordele van de organisatie niet zonder meer worden beschouwd als handelingen die wetens en willens werden gesteld en kan uit haar activiteiten niet onlosmakelijk worden afgeleid dat zij op de hoogte was van het feit dat de organisatie gebruik maakt van intimidatie, bedreiging, geweld, listige kunstgrepen of corruptie, of commerciële of andere structuren aanwendde om het plegen van de misdrijven te verbergen of te vergemakkelijken. 36. Het arrest oordeelt dat de eiseres II zich wetens en willens inschreef in de logica van de criminele organisatie en doelbewust hand- en spandiensten leverde die de werking van de criminele organisatie ten goede kwamen. Het leidt dat af uit een geheel van feitelijke gegevens die het vaststelt, waaronder de plaats waar de eiseres II was tewerkgesteld, haar relatie met O.A. en haar belang voor de tran¬sportactiviteiten ten behoeve van de criminele organisatie. Aldus motiveert het arrest wel degelijk waarom de eiseres II wetens en willens betrokken was bij de criminele organisatie in de zin van artikel 324ter, § 1, Strafwetboek. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Vijfde onderdeel 37. Het onderdeel voert aan dat het arrest de door het beroepen vonnis aan de eiseres II opgelegde geldboete verhoogt van 1.000,00 euro naar 5.000,00 euro zonder enige reden aan te halen die deze verzwaring verantwoordt. 38. De appelrechter moet enkel de door hem uitgesproken straffen motiveren. Hij moet niet motiveren waarom hij een hogere geldboete oplegt dan de eerste rechter. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Middel van de eiser IV 39. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn voor de behandeling van eisers zaak niet is overschreden; eensdeels oordeelt het dat de behandeling van de zaak is vertraagd doordat de eiser V, na eerder de vlucht te hebben genomen, pas in Spanje is gearresteerd op 19 juli 2017 en pas op 18 augustus 2017 ietwat uitgebreide verklaringen heeft afgelegd; anderdeels oordeelt het dat de procureur des Konings op 12 mei 2017 een gedetailleerde eindvordering heeft ondertekend na een uitgebreide en onmiskenbaar grondige analyse van de rol van iedere inverdenkinggestelde bij de feiten; aldus bestaat er geen oorzakelijk verband tussen eensdeels de vlucht van de eiser V en zijn daaruit volgende afwezigheid tussen 2014 en 19 juli 2017 en anderdeels de duur van de behandeling van de zaak, die ingevolge die vlucht niet is vertraagd of uitgesteld; er kan met de houding van de medebeklaagde voor wat betreft de redelijke termijn slechts rekening worden gehouden indien er sprake is van een causaal verband tussen het gebrek aan medewerking of de obstructieve houding van de medebeklaagde en de vertraging van het strafproces. 40. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste middel van de eiseres II, kan de rechter voor de beoordeling van de redelijke termijn rekening houden met de houding van een beklaagde of een medebeklaagde zonder dat deze blijk moet hebben gegeven van een gebrek aan medewerking of een obstructieve houding of dat hij enige vorm van misbruik heeft gepleegd. Bijgevolg moet er evenmin een causaal verband bestaan tussen een dergelijke houding van de beklaagde of een medebeklaagde en de vertraging van het strafproces. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 41. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres II en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Middel van de eiser III 42. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.3.c IVBPR en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de redelijke termijn voor de behandeling van eisers zaak niet is overschreden, terwijl dit niet het gevolg is van een obstructieve houding van de eiser III of het feit dat hij rechtsmiddelen heeft aangewend; bovendien was de redelijke termijn al overschreden tijdens de fase van het onderzoek. 43. Het arrest oordeelt, mede op grond van een beschrijving van de complexiteit van de zaak en van het procedureverloop tijdens de regeling van de rechtspleging, dat het onderzoek niet onredelijk lang heeft geduurd. In zoverre het middel opkomt tegen dat onaantastbare oordeel van het arrest, is het niet ontvankelijk. 44. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres II en het middel van de eiser IV en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Eerste middel van de eiser V 45. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.d EVRM, alsmede miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht op een eerlijk proces: de appelrechters verwerpen eisers verzoek om J.V. en R.V. ter rechtszitting als getuigen te horen; zij onderzoeken echter niet of er objectieve gegevens zijn die de zogenaamde vrees van J.V. en R.V. voor hun fysieke integriteit, intimidatie, bedreiging of geweld ondersteunen; de in het arrest vermelde praktische problemen van J.V. en R.V. volstaan niet als reden om hen niet als getuigen te horen; de appelrechters hebben geen enkele positieve maatregel genomen om de getuigen te horen; de verklaring van R.V. was bovendien wel degelijk van doorslaggevend belang voor de schuldigverklaring van de eiser V en uit niets blijkt dat de appelrechters aan de tijdens het vooronderzoek afgelegde verklaringen van R.V. minder gewicht zouden hebben verleend dan aan andere elementen à charge. 46. In zoverre het middel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk. 47. In zoverre het middel dezelfde strekking heeft als het derde middel van de eiser I, is het om dezelfde redenen te verwerpen. 48. Voor wat betreft het eerste criterium moet de rechter, wanneer de ogenschijnlijke vrees van een getuige voor een beklaagde of zijn entourage van zulke aard is dat die vrees een ernstige reden kan zijn om de getuige niet ter rechtszitting te horen, onderzoeken of er objectieve en dus door bewijselementen ondersteunde gegevens zijn die deze vrees rechtvaardigen en of er geen haalbare alternatieven zijn. Bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie dient de rechter dergelijke alternatieven echter niet ambtshalve op te werpen. 49. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 50. De redenen op grond waarvan het arrest oordeelt dat er een risico bestaat op beïnvloeding van de getuigen, zoals vermeld in het antwoord op het derde middel van de eiser I, zijn objectieve en door feiten ondersteunde redenen die, samen gelezen met de andere omstandigheden die het arrest aanwijst, redelijkerwijze het niet-horen van J.V. en R.V. ter rechtszitting kunnen verantwoorden. Daarvoor is geen bewijs vereist van de feitelijke gegevens waarop die redenen steunen. 51. Hetzelfde geldt voor de praktische bezwaren om de getuigen te horen, met inbegrip van de vroegere proceshouding en de gezondheidstoestand van R.V. 52. Voor wat betreft het tweede criterium oordeelt het arrest dat de belastende verklaringen van J.V. en R.V. niet het enige of doorslaggevende element zijn waarop de schuldigverklaring van de eiser V steunt en vermeldt het vervolgens een geheel van andere bewijselementen die aan zijn schuldigverklaring ten grondslag liggen, zoals de resultaten van huiszoekingen, de analyse van data, vaststellingen van politie en douane en de verklaring van de eiser III. Uit die bewijselementen blijkt dat het arrest: - voor de schuldigverklaring van de eiser V aan de telastlegging D.III steunt op het feit dat verschillende vennootschappen actief in de criminele organisatie werden geleid door de stroman J.V. die daartoe door de eisers I en V werd aangestuurd, dat de eiser V betrokken was bij geldverrichtingen voor in totaal 85.250,00 euro, dat de eiser V contacten onderhield met O.A. en dat hij zorgde voor de nodige wagens (p. 58-64); - voor zijn schuldigverklaring aan de telastleggingen C.IV, c en d, steunt op dezelfde bewijselementen als voor wat betreft de eiser I. Uit die redenen blijkt niet dat de verklaringen van J.V. en R.V. het resultaat van eisers zaak op doorslaggevende wijze hebben beïnvloed. 53. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. 54. Voor wat betreft het derde criterium kan de rechter oordelen dat de bewijselementen vermeld bij de beoordeling van het tweede criterium een bevestiging uitmaken van de belastende verklaringen van een niet ter rechtszitting gehoorde getuige. Niet vereist is dat de rechter aan de vermelde verklaringen uitdrukkelijk een verminderde bewijswaarde toekent. Bovendien kan het feit dat een beklaagde over die verklaringen ten volle tegenspraak heeft kunnen voeren, een bijkomende compenserende factor uitmaken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. 55. De redenen van het arrest (p. 43), vermeld in het antwoord op het derde middel van de eiser I, zijn dan ook van aard om compenserende factoren uit te maken. 56. Op grond van het geheel van de vermelde redenen, in hun onderling verband gelezen, kan het arrest wettig oordelen dat eisers recht op een eerlijk proces en recht van verdediging niet zijn miskend doordat rekening wordt gehouden met de verklaringen van J.V. en R.V. zonder hen als getuigen ter rechtszitting te horen. In zoverre kan het middel kan niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser V 57. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest kan uit de feiten die het vaststelt niet afleiden dat de redelijke termijn ingevolge de houding van de eiser V niet is overschreden; van een beklaagde kan geen actieve medewerking worden vereist; het is pas wanneer er een causaal verband kan worden aangetoond tussen het gebrek aan medewerking of de obstructieve houding van de beklaagde en de vertraging van het onderzoek dat de appelrechters rekening zouden mogen houden met de houding van de beklaagde; de houding van de eiser heeft geen bijkomende vertraging met zich meegebracht. 58. In zoverre het middel niet preciseert hoe en waardoor het arrest artikel 149 Grondwet schendt, is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk. 59. Het arrest steunt het oordeel over het niet-overschreden zijn van de redelijke termijn niet enkel op de houding van de eiser V. In zoverre het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest, mist het feitelijke grondslag. 60. In zoverre het middel aanvoert dat de houding van de eiser V geen enkel causaal verband vertoont met de vertraging van de behandeling van zijn zaak, komt het op tegen het onaantastbare andersluidende oordeel van het arrest en is het bijgevolg evenmin ontvankelijk. 61. Voor het overige heeft het middel dezelfde strekking als het eerste middel van de eiseres II en het middel van de eiser IV en is het om dezelfde redenen te verwerpen. Ambtshalve onderzoek 62. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 710,10 euro, waarvan de eiser I en de eiseres II elk 144,00 euro is verschuldigd en de eisers III, IV en V elk 140,70 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 15 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 Gerelateerde publicatie(
- s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240319.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241007.3F.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20250318.2N.1 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251001.2F.6 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000517.31 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7 ECLI:BE:CASS:2007:ARR.20070228.3 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20100105.1 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.2 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130430.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160614.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170131.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170314.6 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170502.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170920.4 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171121.7 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190226.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191210.2N.10 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200908.2N.25 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.13 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210504.2N.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20211012.2N.9 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220503.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.4 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.19 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20231219.2N.2 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240918.2F.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div