id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 15 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.5 Rolnummer: P.21.0387.N Zaak: DEL'HAYE BVBA contra B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-18 Raadplegingen: 1146 - laatst gezien 2026-06-19 01:33 Versie(s): Vertaling FR Fiche Artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement bepaalt dat een bestuurder in alle omstandigheden moet kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien; een hindernis is onvoorzienbaar wanneer deze zich zo snel, onverwacht en op korte afstand voordoet dat de naderende bestuurder noch kan halt houden noch een uitwijkmanoeuvre kan uitvoeren zonder gevaar voor hemzelf of anderen
(1)
(2).
(1)Vgl. Cass. 12 januari 2021, AR P.20.0970.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.4, AC 2020, nr. 18. “Een hindernis is onvoorzienbaar wanneer het opduiken of juist inschatten ervan voor elke normale, voorzichtige en redelijke persoon onmogelijk is”.
(2)Het openbaar ministerie was van mening dat de appelrechters naar recht hebben geoordeeld dat verweerster, als voorrangsgerechtigde bestuurster van een bromfiets, erop mocht vertrouwen dat de beklaagde (een werknemer van eiseres) na het volledig tot stilstand brengen van zijn bestelwagen aan het kruispunt haar voorrang zou verlenen; de handeling waarbij de voorrangsplichtige beklaagde met zijn bestelwagen toch het kruispunt opreed was volgens het OM een reden om de bestelwagen te beschouwen als een onvoorzienbare hindernis, die verweerster niet toeliet te stoppen en aldus het verkeersongeval te vermijden. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSREGLEMENT VAN 01-12-1975 - REGLEMENTSBEPALINGEN - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 10.1.3° - Onvoorzienbare hindernis - Begrip Wettelijke bepalingen: KB van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en het gebruik van de openbare weg - 01-12-1975 - Art. 10.1.3° - 31 ELI link Pub nr 1975120109 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0387.N DEL'HAYE JACQUES bv, met zetel te 8930 Menen, Ropswalle 24, burgerrechtelijk aansprakelijke partij, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Sint-Denijs-Westrem, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen C. B., burgerlijke partij, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177 bus 7, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Kortrijk, van 22 januari
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- De verweerster werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op: het cassatieberoep is niet ontvankelijk omdat de eiseres het niet heeft ingesteld in haar hoedanigheid van burgerrechtelijk aansprakelijke partij, maar wel als burgerlijke partij; het cassatieberoep werd de verweerster ook in die hoedanigheid betekend.
- Uit het bestreden vonnis en uit de memorie van de eiseres blijkt dat de eiseres vrijwillig is verschenen als burgerrechtelijk aansprakelijke partij en niet als burgerlijke partij. De vermelding van de hoedanigheid van de eiseres van burgerlijke partij in de akte van het cassatieberoep en de akte van betekening ervan is een verschrijving die het Hof leest als burgerrechtelijk aansprakelijke partij. Het middel mist feitelijke grondslag. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek en de artikelen 1 en 10.1 Wegverkeersreglement: het bestreden vonnis beantwoordt niet het verweer dat de verweerster, wanneer zij een snelheid van 50 km/u voerde, zich minstens 30 meter vóór het kruispunt bevond en de aanrijding kon vermijden, maar zij onoplettend was en te laat heeft gereageerd; het bestreden vonnis gaat niet na en stelt niet vast dat de verweerster zich al te dicht bij of op het kruispunt bevond om de aanrijding nog te kunnen vermijden en de verweerster als een normaal aandachtig en voorzichtig weggebruiker heeft gereageerd op de hindernis; de beslissing dat de verweerster geen inbreuk heeft gepleegd op artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement en geen fout heeft begaan is dan ook niet naar recht verantwoord; het bestreden vonnis bevat niet de nodige vaststellingen opdat het Hof zijn wettigheidstoets kan uitoefenen.
- Artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement bepaalt dat een bestuurder in alle omstandigheden moet kunnen stoppen voor een hindernis die kan worden voorzien.
- Een hindernis is onvoorzienbaar wanneer deze zich zo snel, onverwacht en op korte afstand voordoet dat de naderende bestuurder noch kan halt houden noch een uitwijkmanoeuvre kan uitvoeren zonder gevaar voor hemzelf of anderen.
- De eiseres heeft in haar appelconclusie met verwijzing naar het verslag van de deskundige aangevoerd dat in de veronderstelling dat de verweerster aan een snelheid van 50 km/u reed en zich derhalve nog op 30 meter van het kruispunt bevond, zij met een eenvoudige afremming tot stilstand kon komen zonder in aanrijding te komen met het voertuig van de beklaagde en zij duidelijk onaandachtig en onoplettend was waardoor een aanrijding niet meer te vermijden viel.
- Het bestreden vonnis dat de hypothese aanneemt dat de verweerster aan een snelheid van ongeveer 50 km/u reed, oordeelt in verband met dit verweer als volgt: - uit het strafdossier blijkt dat de beklaagde uit de ondergeschikte Wilgenlaan kwam en aldus voorrang verschuldigd was aan de verweerster die op de Ieperstraat reed; - uit de getuigenverklaring en het deskundigenonderzoek blijkt tevens dat de beklaagde ter hoogte van het kruispunt volledig tot stilstand kwam; - de verweerster mocht er daarom op vertrouwen dat de beklaagde wel degelijk voorrang zou geven aan het verkeer op de Ieperstraat; - dat de beklaagde vervolgens toch het kruispunt dwarste om links de Ieperstraat op te rijden, was voor de verweerster daarom volledig onvoorzienbaar; - het gegeven dat de bestelwagen van de beklaagde zichtbaar was, belet niet dat die door het uitgevoerde manoeuvre als een onvoorzienbare hindernis moet worden beschouwd; - de vraag op welke andere manieren de verweerster op die onvoorzienbare hindernis kon reageren en hoe ze die desgevallend kon ontwijken, is daarom niet relevant. Op grond van die enkele redenen kan het bestreden vonnis niet naar recht oordelen dat de wagen van de beklaagde een hindernis vormde die zich zo snel, onverwacht en op korte afstand voordeed dat de verweerster die volgens het door haar gevoerde verweer aan een snelheid van 50 km/u reed en zich op een afstand van 30 meter van het kruispunt bevond, niet halt kon houden noch een uitwijkmanoeuvre kon uitvoeren zonder gevaar voor haarzelf of anderen, zodat haar geen inbreuk op artikel 10.1.3° Wegverkeersreglement en een fout kan worden verweten. Het middel is in zoverre gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, met uitzondering van de beslissing over de ontvankelijkheid van het hoger beroep en de saisine van het appelgerecht. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiseres tot een tiende van de kosten van het cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Oost-Vlaanderen, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 802,96 euro, waarvan 165,39 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Erwin Francis, Sidney Berneman en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 15 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.5 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210112.2N.4 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250326.2F.3 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div