← België

ING BELGIË nv contra KANTOOR VERTRIEST DHAENE vof

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.10 Rolnummer: C.20.0553.N Zaak: ING BELGIË nv contra KANTOOR VERTRIEST DHAENE vof Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Handelsrecht Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 1334 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Een uitwinningsvergoeding zoals bepaald in artikel X.18 WER kan worden gecumuleerd met een bijkomende schadevergoeding zoals bedoeld in artikel X.19 WER, voor zover die andere dan de door de uitwinningsvergoeding gedekte schade vergoedt

(1).
(1)HvJ (EU) 3 december 2015, C-338/14, Quenon. Thesaurus CAS: COMMISSIE Vrije woorden: Handelsagent - Uitwinningsvergoeding - Bijkomende schadevergoeding - Cumul - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de Lid-Staten inzake zelfstandige handelsagenten - 18-12-1986 - Artt. 17.1 en 17.2,
  1. c)Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Artt. X.18 en X.19 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Fiche 2 De werkelijk geleden schade waarvoor de handelsagent van de principaal een bijkomende schadevergoeding kan verkrijgen, die verschilt van de schade die gedekt wordt door de uitwinningsvergoeding, kan slechts betrekking hebben op kosten die de handelsagent op grond van een contractuele verplichting of op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen en niet op de kosten die hij vrijwillig en op eigen initiatief heeft gemaakt. Thesaurus CAS: COMMISSIE Vrije woorden: Handelsagent - Werkelijk geleden schade - Bijkomende schadevergoeding - Gemaakte kosten - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Art. X.19 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Annotaties Publicaties: RW-Rechtskundig weekblad - 2022-23, nr. 13, p. 502-507. - MERTENS, David; Noot'De bijkomende schadevergoeding van artikel X.19 WER: dan toch niet alle schade' Tekst van de beslissing Nr. C.20.0553.N ING BELGIË nv, met zetel te 1000 Brussel, Marnixlaan 24, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.200.393, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Martin Lebbe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1060 Brussel, Jourdanstraat 31, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen KANTOOR VERTRIEST DHAENE vof, met zetel te 8510 Kortrijk, Kwabrugstraat 30, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0872.111.063, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 11 maart 2020. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel 1. Krachtens artikel 17.1 Richtlijn 86/653/EEG van de Raad van 18 december 1986 inzake de coördinatie van de wetgevingen van de lidstaten inzake zelfstandige handelsagenten (hierna Agentuurrichtlijn) nemen de lidstaten de nodige maatregelen om te bewerkstelligen dat de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, vergoeding volgens lid 2 of herstel van het nadeel volgens lid 3 krijgt. Krachtens artikel X.18 WER, dat de omzetting vormt van artikel 17.2,
  2. a)en b), Agentuurrichtlijn, heeft de handelsagent, na de beëindiging van de overeenkomst, onder de daarin bepaalde voorwaarden, recht op een uitwinningsvergoeding wanneer hij de principaal nieuwe klanten heeft aangebracht of wanneer hij de zaken met de bestaande klanten aanzienlijk heeft uitgebreid, voor zover dit de principaal nog aanzienlijke voordelen kan opleveren, en mag die vergoeding niet meer bedragen dan het bedrag van een jaar vergoeding. Artikel 17.2, c), Agentuurrichtlijn bepaalt dat de toekenning van die vergoeding het recht van de handelsagent om schadevergoeding te vorderen onverlet laat. 2. Bij arrest C-338/14, Quenon, van 3 december 2015 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie voor recht gezegd dat voornoemd artikel 17.2, c), Agentuurrichtlijn aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een nationale regeling waarin is bepaald dat de handelsagent bij de beëindiging van de agentuurovereenkomst zowel recht heeft op een klantenvergoeding van maximaal een jaar beloning als op bijkomende schadevergoeding wanneer die vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig dekt, voor zover een dergelijke regeling er niet toe leidt dat de agent tweemaal een vergoeding ontvangt voor het verlies van provisies door de verbreking van die overeenkomst. Het Hof van Justitie heeft in voormeld arrest geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding op grond van artikel 17.2, c), Agentuurrichtlijn betrekking moet hebben op andere schade dan de door de klantenvergoeding gedekte schade. 3. Krachtens artikel X.19 WER, dat de omzetting vormt van voornoemd artikel 17.2, c), Agentuurrichtlijn, kan de handelsagent, voor zover hij recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel X.18 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding. De in deze bepaling bedoelde bijkomende schadevergoeding kan bijgevolg slechts een schade dekken die verschilt van de schade die wordt gedekt door de in artikel X.18 bedoelde uitwinningsvergoeding. 4. Uit het geheel van de vermelde wetsbepalingen, zoals uitgelegd in voornoemd arrest van het Hof van Justitie, volgt aldus kennelijk dat zij niet eraan in de weg staan dat een uitwinningsvergoeding zoals bepaald in artikel X.18 WER wordt gecumuleerd met een bijkomende schadevergoeding zoals bedoeld in artikel X.19 van dat wetboek, voor zover die andere dan de door de uitwinningsvergoeding gedekte schade vergoedt. 5. Het onderdeel dat van het tegendeel uitgaat en hieruit afleidt dat de uitwinningsvergoeding en de bijkomende schadevergoeding, die andere dan de door de uitwinningsvergoeding gedekte schade vergoedt, onderling moeten worden verrekend, faalt naar recht. 6. Er is geen aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. Tweede onderdeel Ontvankelijkheid 7. De verweerster voert een grond van niet-ontvankelijkheid aan: het onderdeel dat enkel schending aanvoert van artikel 17.1 Agentuurrichtlijn en niet van artikel 17.2, kan, in zoverre het gesteund is op een schending van die richtlijn, niet tot cassatie leiden. 8. De aangevoerde schending van artikel X.19 WER, dat de omzetting vormt van artikel 17.2, c), Agentuurrichtlijn, volstaat om tot cassatie te kunnen leiden. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. 9. De verweerster voert een tweede grond van niet-ontvankelijkheid aan: in de mate dat het onderdeel opkomt tegen de beslissing dat de investeringskosten die de verweerster heeft gemaakt om de agentuurovereenkomst uit te voeren, die bij de beëindiging van het contract nog niet zijn afgeschreven en die door de beëindiging elk nut verloren hebben voor de handelsagent, werkelijk geleden schade in de zin van artikel X.19 WER vormen, komt het op tegen een feitelijke beoordeling. 10. Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid valt niet te onderscheiden van het onderzoek van het onderdeel zelf. De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen. Gegrondheid 11. Krachtens artikel X.19 WER, dat de omzetting vormt van artikel 17.2, c), Agentuurrichtlijn, kan de handelsagent, voor zover hij recht heeft op de uitwinningsvergoeding bepaald in artikel X.18 en het bedrag van deze vergoeding de werkelijk geleden schade niet volledig vergoedt, mits hij de werkelijke omvang van de beweerde schade bewijst, boven deze vergoeding schadeloosstelling verkrijgen ten belope van het verschil tussen het bedrag van de werkelijk geleden schade en het bedrag van die vergoeding. 12. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgeving inzake de handelsagentuur beoogt de handelsagent in zijn betrekkingen met de principaal te beschermen en de rechtszekerheid in het handelsverkeer te bevorderen. 13. Uit voornoemd artikel X.19 WER en deze doelstelling volgt dat de werkelijk geleden schade waarvoor de handelsagent van de principaal een bijkomende schadevergoeding kan verkrijgen, die verschilt van de schade die gedekt wordt door de uitwinningsvergoeding, slechts betrekking kan hebben op kosten die de handelsagent op grond van een contractuele verplichting of op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen, en niet op de kosten die hij vrijwillig en op eigen initiatief heeft gemaakt. 14. De appelrechter oordeelt dat: - de eiseres onterecht meent dat het begrip schade eng dient te worden geïnterpreteerd, in die zin dat enkel de kosten en uitgaven die de agent contractueel verplicht was op zich te nemen in het kader van de bankagentuurovereenkomst en de kosten die het gevolg zijn van bevelen of druk van de principaal voor schadevergoeding in aanmerking komen; - artikel X.19 WER van dwingend recht is, zodat de toepasselijkheid ervan noch kan worden uitgesloten, noch aan bijkomende voorwaarden kan worden onderworpen; - alle investeringskosten die de handelsagent heeft gemaakt om de agen-tuurovereenkomst uit te voeren, die bij de beëindiging van het contract nog niet zijn afgeschreven en die door de beëindiging elk nut hebben verloren voor de voormalige handelsagent, in aanmerking komen voor bijkomende schadevergoeding. 15. Door aldus te oordelen dat de principaal krachtens artikel X.19 WER niet alleen de kosten moet vergoeden die de handelsagent op grond van een contractuele verplichting of op advies van de principaal ten behoeve van de uitvoering van de overeenkomst op zich heeft genomen, maar ook diegene die hij louter vrijwillig en op eigen initiatief heeft gemaakt, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven 16. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre dit uitspraak doet over de bijkomende schadevergoeding op grond van artikel X.19 Wetboek van Economisch Recht en het oordeelt over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.10 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240606.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.