id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.12 Rolnummer: C.21.0048.N Zaak: V. contra B. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 825 - laatst gezien 2026-06-16 04:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De betekening van de beschikking die partneralimentatie oplegt stuit de vijfjarige verjaringstermijn van artikel 3:324, lid 1, Nederlands Burgerlijk Wetboek, voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald. Thesaurus CAS: BETEKENINGEN EN KENNISGEVINGEN - IN HET BUITENLAND Vrije woorden: Exequatur - Betekening - Tenuitvoerlegging - Verjaringstermijn - Stuiting - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Nederlands Burgerlijk Wetboek - Artt. 3:324, eerste lid, en 3:325, tweede lid Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Vreemde wet Wettelijke bepalingen: Nederlands Burgerlijk Wetboek - Artt. 3:324, eerste lid, en 3:325, tweede lid Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 16, p. 1541-
- - MELIS, Sara; Noot'De verplichting om in een cassatiemiddel bij een schending van vreemd recht de verwijzingsregel op te geven als geschonden bepaling' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0048.N D. V. L., eiseres, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen W. B., verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 29 september
- Sectievoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid
- De verweerder voert een eerste grond van niet-ontvankelijkheid aan: het middel voert de schending aan van het Nederlandse recht zonder vermelding van de verwijzingsregel op grond waarvan dit recht van toepassing zou zijn.
- Aangezien tussen de partijen geen betwisting bestaat over de toepassing van het Nederlandse recht ten gevolge van de tenuitvoergelegde Nederlandse beschikking volstaat de aanduiding van de als geschonden aangevoerde Nederlandse wetsbepaling om te voldoen aan het voorschrift van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek. De eerste grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.
- De verweerder voert verder aan dat het middel niet ontvankelijk is omdat de eiseres niet aanvoert dat de betekening van exequatur niet nodig was en derhalve nieuw is en deze beoordeling van de rechtsgeldigheid van de betekening een onderzoek van feiten betreft.
- De eiseres vecht het oordeel van de appelrechter aan dat de betekening van 10 juli 2014 geen stuitingsdaad zou zijn en de vaststellingen in het arrest laten het Hof toe zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen. Ook de overige grieven van niet-ontvankelijkheid moeten worden verworpen. Gegrondheid
- Krachtens artikel 3:324, lid 1, Nederlands Burgerlijk Wetboek verjaart de bevoegdheid tot tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag, volgende op die van de uitspraak. De verjaringstermijn voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald bedraagt vijf jaar (lid 3). Krachtens artikel 3:325, lid 2, Nederlands Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door de betekening van de uitspraak, evenals door iedere daad van tenuitvoerlegging, mits daarvan binnen de door de wet voorgeschreven tijd of, bij gebreke van zodanig voorschrift, met bekwame spoed mededeling aan de wederpartij wordt gedaan.
- De appelrechter stelt vast dat: - de verweerder bij beschikking van de arrondissementsrechtbank te ’s-Gravenhage van 10 april 2007 werd veroordeeld tot de betaling van alimentatie aan de eiseres; - deze beschikking werd voor wat betreft de partneralimentatie op 6 februari 2013 bevestigd door het gerechtshof te ’s-Gravenhage; - deze “eindbeschikking” aan de verweerder werd betekend op 10 juli 2014; - de alimentatieverplichting van rechtswege een einde heeft genomen op 9 oktober 2013; - de beschikking uitvoerbaar werd verklaard bij beschikking van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 13 oktober 2016; - op grond hiervan bij exploot van 17 december 2018 door de eiseres uitvoerend beslag onder derden werd gelegd ten laste van de verweerder.
- De appelrechter die oordeelt dat aangezien geen rechtsgeldige daad van stuiting of schorsing heeft plaatsgevonden, de vordering voor partneralimentatie voor de periode van 10 april 2007 tot 9 oktober 2013 is verjaard zodat hiervoor op 17 december 2018 geen uitvoerend beslag meer kon worden gelegd, terwijl de vijfjarige verjaringstermijn werd gestuit door de betekening van de beschikking op 10 juli 2014, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht voor wat betreft de vordering voor partneralimentatie voor de periode van 10 juli 2009 tot 9 oktober
- Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt dat de vordering voor partneralimentatie voor de periode van 10 juli 2009 tot 9 oktober 2013 is verjaard en oordeelt over kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans en in openbare rechtszitting van 18 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div