← België

G. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.5 Rolnummer: C.20.0321.N Zaak: G. contra D. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 1544 - laatst gezien 2026-06-18 15:12 Versie(s): Vertaling FR Fiche Dat de rechter ambtshalve de plicht heeft de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd ter staving van hun vorderingen, betekent niet dat de rechter is gehouden alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke doch niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijkheid te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - BURGERLIJKE ZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Ambtshalve opwerpen van rechtsgronden - Taak van de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 774 en 1138, 2° en 3° - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Algemeen rechtsbeginsel houdende de autonomie van de partijen in het burgerlijk geding Tekst van de beslissing Nr. C.20.0321.N G. G., eiseres, toegelaten tot de rechtsbijstand bij beschikking van 23 juni 2020 (G.20.0082.N), vertegenwoordigd door mr. Beatrix Vanlerberghe, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen C. D., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven van 4 december

  1. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel (...) Tweede middel Tweede onderdeel
  2. De rechter is gehouden het geschil te beslechten overeenkomstig de rechtsregels die daarop van toepassing zijn. Hij moet de juridische aard en gevolgen van de door de partijen aangevoerde feiten en handelingen onderzoeken, en mag, ongeacht de juridische omschrijving die de partijen daaraan hebben gegeven of de rechtsgevolgen die zij daaraan hebben verbonden, de door hen aangevoerde redenen ambtshalve aanvullen, wijzigen of vervangen op voorwaarde dat hij geen betwisting opwerpt waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, enkel steunt op elementen die hem regelmatig zijn voorgelegd, het voorwerp van de vordering niet wijzigt en daarbij het recht van verdediging van de partijen niet miskent. De rechter heeft de plicht ambtshalve de rechtsgronden op te werpen waarvan de toepassing geboden is door de feiten die de partijen in het bijzonder hebben aangevoerd tot staving van hun vorderingen. Dit betekent niet dat de rechter is gehouden alle in het licht van de vaststaande feiten van het geschil mogelijke doch niet-aangevoerde rechtsregels op hun mogelijke toepassing te onderzoeken, maar enkel dat hij, met eerbiediging van het recht van verdediging, de toepasselijkheid moet onderzoeken van de niet-aangevoerde rechtsregels die zich door de feiten zoals zij in het bijzonder worden aangevoerd, onmiskenbaar aan hem opdringen.
  3. De eiseres vorderde bij appelconclusie een vergoeding wegens genotsderving van de schuur van 300 euro per maand, en dit voor de periode vanaf 1 september 2003 tot aan het instellen van de procedure op 9 april
  4. De eiseres voerde daarnaast ook aan dat de door de verweerster gevorderde huurachterstal, verschuldigd voor de periode na het instellen van de procedure, te hoog was en dat er slechts een maandelijkse huurprijs van 1.100 euro kon zijn verschuldigd, gelet op het mindergenot van de schuur. De eiseres ging daarbij kennelijk ervan uit dat de maandelijkse huurwaarde van de woning 1.100 euro bedraagt en de maandelijkse huurwaarde van de schuur 300 euro. Hieruit blijkt dat de vordering van de eiseres strekte tot het verkrijgen van een geldelijke vergoeding als compensatie voor het mindergenot van de schuur, ook na het instellen van de procedure op 9 april
  5. De eiseres vorderde immers een compensatie eensdeels onder de vorm van een vergoeding wegens genotsderving van de schuur voor wat betreft de huur betaald tot aan het instellen van de procedure en anderdeels onder de vorm van een huurprijsvermindering voor wat betreft de nadien verschuldigde huur.
  6. De appelrechter oordeelt vooreerst, zonder op dit punt te worden bekritiseerd, dat de schuur onmogelijk dienstig kon worden gebruikt, de maandelijkse huurwaarde van de schuur kan worden vastgesteld op 300 euro en de eiseres terecht aanspraak maakt op een vergoeding wegens genotsderving van de schuur vanaf de datum van haar ingebrekestelling aan de verweerster. De appelrechter oordeelt vervolgens dat deze vergoeding slechts kan worden toegekend tot aan het instellen van de procedure op 9 april 2014, aangezien de eiseres haar vordering tot vergoeding wegens genotsderving van de schuur uitdrukkelijk tot dan heeft beperkt zodat voor de periode nadien geen vergoeding kan worden toegekend.
  7. De appelrechter die in de gegeven omstandigheden nalaat de vordering van de eiseres die ertoe strekte de maandelijkse huurprijs, verschuldigd voor de periode na het instellen van de procedure op 9 april 2014, te horen vaststellen op 1.100 euro, gelet op het mindergenot van de schuur ter waarde van 300 euro per maand, te herkwalificeren als een vordering tot vergoeding wegens genotsderving van de schuur na het instellen van de procedure, verantwoordt zijn beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. Overige grieven
  8. De overige grieven kunnen niet leiden tot ruimere cassatie. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het de eiseres veroordeelt tot betaling van 34.325,80 euro aan huurachterstal, vermeerderd met de interest, en het uitspraak doet over de kosten. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, rechtszitting houdend in hoger beroep. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221223.1N.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2026:ARR.20260108.1N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.