id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 18 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.8 Rolnummer: C.20.0579.N Zaak: D. vereffenaar faill contra BELGISCHE STAAT FIN Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-11-09 Raadplegingen: 1348 - laatst gezien 2026-06-18 23:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche De rechter kan een partij niet veroordelen om aan de tegenpartij een rechtsplegingsvergoeding te betalen die hoger is dan het door de Koning vastgestelde basisbedrag zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden, zelfs als de veroordeelde partij het door de tegenpartij gevorderde bedrag van de vergoeding niet heeft betwist en voor zichzelf een rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd die hoger is dan het basisbedrag. Thesaurus CAS: RECHTSPLEGINGSVERGOEDING Vrije woorden: Verhoogde rechtsplegingsvergoeding - Geen betwisting door partijen - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Art. 1022, derde lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0579.N J. D., in zijn hoedanigheid van vereffenaar van het faillissement van Compagnie Dens Ocean nv, met zetel te 8800 Roeselare, Kwadestraat 149/31, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0429.222.921, eiser, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67/14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 30 juni 2020, op verwijzing gewezen na arrest van het Hof van 20 januari
- Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel (…) Tweede onderdeel (…) Tweede middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 1022, derde lid, Gerechtelijk Wetboek kan de rechter, op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door hem, bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de rechtsplegingsvergoeding verminderen, ofwel die verhogen ten opzichte van het basisbedrag, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen, de complexiteit van de zaak, de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij en het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.
- Krachtens die bepaling kan de rechter een partij niet veroordelen om aan de tegenpartij een rechtsplegingsvergoeding te betalen die hoger is dan het door de Koning vastgestelde basisbedrag zonder die beslissing met bijzondere redenen te omkleden, zelfs als de veroordeelde partij het door de tegenpartij gevorderde bedrag van de vergoeding niet heeft betwist en voor zichzelf een rechtsplegingsvergoeding heeft gevorderd die hoger is dan het basisbedrag.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - het geschil betrekking heeft op een vordering tot kwijtschelding van invoerrechten ten bedrage van 16.247.804,63 euro, dit is een vordering met een waarde boven 1.000.000 euro, waarvoor de maximale rechtsplegingsvergoeding, krachtens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding, 36.000 euro bedraagt; - de eiser de toekenning van de maximale rechtsplegingsvergoeding van 36.000 euro voor de procedure in hoger beroep heeft gevorderd, gelet op de technische aard van de ganse zaak en de ingewikkeldheid zowel qua materie als qua duur van de procedure; - de verweerder heeft vermeld dat de eiser na eerdere cassatie de toekenning van de maximale rechtsplegingsvergoeding van 36.000 euro voor de procedure in hoger beroep vorderde en hij eveneens een dergelijke rechtsplegingsvergoeding vordert.
- Krachtens artikel 2 Tarief Rechtsplegingsvergoeding wordt het basisbedrag voor in geld waardeerbare vorderingen boven 1.000.000 euro vastgesteld op 18.000 euro. De appelrechters die de eiser veroordelen om aan de verweerder een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 36.000 euro te betalen zonder hun beslissing om een hogere rechtsplegingsvergoeding toe te kennen dan het basisbedrag met bijzondere redenen te omkleden, schenden voormelde wetsbepaling. Het onderdeel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het de eiser veroordeelt om aan de verweerder een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten bedrage van 36.000 euro te betalen. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210618.1N.8 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CTBRL:2022:ARR.20220523.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div