id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:
Art. 10
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
275 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ADVOCAAT Vrije woorden: Behandeling van een strafzaak - Bedreigingen en smaad door bedreigingen tegen een lid van het openbaar ministerie - Strafbaarstelling ingevolge de artikelen 275 en 330 Strafwetboek - Vrijheid van meningsuiting - Beperking van de vrijheid van meningsuiting - Voorwaarden - Evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel - Beoordeling door de rechter - Concretisering in het licht van de omstandigheden van de zaak - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
275 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - OP CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Behandeling van een strafzaak - Bedreigingen en smaad door bedreigingen tegen een lid van het openbaar ministerie - Strafbaarstelling ingevolge de artikelen 275 en 330 Strafwetboek - Vrijheid van meningsuiting - Beperking van de vrijheid van meningsuiting - Voorwaarden - Evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel - Beoordeling door de rechter - Concretisering in het licht van de omstandigheden van de zaak - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10
.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,
Art. 10.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art.
275 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiches 5 - 6 De rechter oordeelt op onaantastbare wijze of de woorden uitgesproken en de geschriften neergelegd voor de rechtbank betrekking hebben op het hangend geschil of de daarin betrokken partijen maar het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord
(1).
(1)Cass. 18 oktober 1988, AR nr. 2371, AC 1988-89, nr. 97, RW 1988-89, 1029-1030 met noot A. VANDEPLAS, "Recht van verdediging en artikel 452 Strafwetboek". Thesaurus CAS: LASTER EN EERROOF Vrije woorden: Voor de rechtbank uitgesproken woorden of neergelegde geschriften - Artikel 452, Strafwetboek - Verband met het hangend geschil of de daarin betrokken partijen - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 452 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Artikel 452, Strafwetboek - Voor de rechtbank uitgesproken woorden of neergelegde geschriften - Verband met het hangend geschil of de daarin betrokken partijen - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 452 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Annotaties Publicaties: RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2021, nr. 18, p. 1764-
- - VEREECKE, Vincent; Noot'De immuniteit van het pleidooi en de vrije meningsuiting van de advocaat' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0397.N H. R., beklaagde, eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 24 februari 2021, gewezen op verwijzing na arrest van het Hof van 27 november
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Ilse Couwenberg heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 479, 481 en 482 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de procedure van voorrecht van rechtsmacht op een correcte wijze werd gevolgd en de strafvordering aldus ontvankelijk is; bij de klacht van M.C. van 8 oktober 2014 werd een afschrift van de conclusies van de eiser en van het proces-verbaal van de rechtszitting van de kamer van inbeschuldigingstelling van 7 oktober 2014 gevoegd; het opvragen van stukken uit het dossier van de rechtspleging door de federaal procureur vormt een onderzoeksdaad, die werd gesteld door een persoon die, gelet op het voorrecht van rechtsmacht van de eiser, hiertoe niet bevoegd was; op het ogenblik van de feiten was reeds duidelijk dat de eiser, als drager van het voorrecht van rechtsmacht, bij deze feiten betrokken was; ten onrechte oordelen de appelrechters dat deze handelingen geen onderzoeksdaden uitmaken.
- Artikel 479 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Wanneer een vrederechter, een rechter in de politierechtbank, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank of in de ondernemingsrechtbank, een raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof, een raadsheer in het Hof van Cassatie, een magistraat van het parket bij een rechtbank of een hof, een referendaris bij het Hof van Cassatie, een lid van het Rekenhof, een lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau bij de Raad van State, een lid van het Grondwettelijk Hof, een referendaris bij dat Hof, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een provinciegouverneur, ervan beschuldigd wordt buiten zijn ambt een misdrijf gepleegd te hebben dat een correctionele straf meebrengt, laat de procureur-generaal bij het hof van beroep hem dagvaarden voor dat hof, dat uitspraak doet, zonder dat beroep kan worden ingesteld.” Artikel 481 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Indien echter een lid van een hof van beroep of een ambtenaar die bij het hof het openbaar ministerie uitoefent, ervan verdacht wordt buiten zijn ambt een wanbedrijf of een misdaad te hebben gepleegd, is de ambtenaar die de aangiften of de klachten ontvangen heeft, gehouden daarvan dadelijk afschriften te doen toekomen aan de minister van Justitie, zonder enige vertraging van het onderzoek, dat voortgezet zal worden zoals in voorgaande bepalingen is geregeld, en hij zal eveneens aan de minister een afschrift zenden van de stukken.” Artikel 482 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “De minister van Justitie zendt de stukken door aan het Hof van Cassatie, dat, indien daartoe grond bestaat, de zaak verwijst hetzij naar een correctionele rechtbank, hetzij naar een onderzoeksrechter, de ene zowel als de andere aan te wijzen buiten het rechtsgebied van het hof waartoe het verdachte lid behoort. Indien een inbeschuldigingstelling moet worden uitgesproken, geschiedt de verwijzing naar een ander hof van beroep.”
- Uit deze bepalingen volgt dat ingeval van een wanbedrijf gepleegd door een door artikel 479 Wetboek van Strafvordering bedoelde persoon, de procureur-generaal bij het hof van beroep de leiding heeft van het opsporingsonderzoek en de strafvordering uitoefent. Een ander magistraat van het openbaar ministerie is niet bevoegd om op eigen gezag een daad van vervolging in te stellen wanneer hij kennisneemt van een misdrijf, gepleegd door een persoon die over voorrecht van rechtsmacht beschikt. Deze magistraat kan niettemin inlichtingen inwinnen of documenten opvragen ter staving van een klacht, gericht tegen een persoon die over voorrecht van rechtsmacht beschikt, alvorens deze klacht over te maken aan de procureur-generaal. Het enkele gegeven dat dergelijke opzoekingen werden uitgevoerd alvorens een raadsheer-onderzoeksrechter werd aangesteld, heeft niet tot gevolg dat de procedure van voorrecht van rechtsmacht werd miskend. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 408, 413, zoals van toepassing op het ogenblik van de feiten, 479, 481 en 482 Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat uit de voormelde artikelen 408 en 413 niet kan worden afgeleid dat de door de eiser voorgehouden onregelmatigheid op straffe van nietigheid is voorgeschreven; artikel 408 Wetboek van Strafvordering is, anders dan de appelrechters voorhouden, ook van toepassing in correctionele zaken en heeft betrekking op een onbevoegdheid zoals in casu het stellen van onderzoeksdaden door daartoe niet-bevoegde personen.
- Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde wetsschendingen en is niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 10 EVRM: het arrest oordeelt ten onrechte dat eisers strafvervolging zijn recht op vrijheid van meningsuiting niet miskent; de appelrechters oordelen dat er een evenredigheid bestaat tussen het aangewende middel, met name de strafbaarstelling van bedreigingen in de zin van artikel 330 Strafwetboek en smaad door bedreigingen in de zin van artikel 275 Strafwetboek, en het beoogde doel, met name het vrijwaren van de integriteit van de leden van het openbaar ministerie die zonder vrees de strafvordering in het belang van de maatschappij moeten kunnen uitoefenen; de appelrechters laten na om bij deze beoordeling rekening te houden met 1) het gegeven dat eisers uitlatingen betrekking hadden op de wijze waarop de vertegenwoordiger van het openbaar ministerie zijn taken waarnam en de strafvordering lastens de eiser uitoefende en geenszins de professionele of andere kwaliteiten van M.C. tot voorwerp hadden, 2) het uitzonderlijke karakter dat aan een beperking van de vrijheid van meningsuiting van een advocaat kleeft; zo voeren de appelrechters geen concrete omstandigheden aan, eigen aan de zaak, die een dergelijke beperking rechtvaardigen, 3) de bijzondere omstandigheid dat de aan de eiser ten laste gelegde feiten zich hebben voorgedaan in een rechtszitting achter gesloten deuren en 4) eventuele andere dan strafsancties aan de eiser opgelegd hadden kunnen worden; ten onrechte laten de appelrechters deze concrete elementen, eigen aan de zaak, buiten beschouwing en beoordelen zij de evenredigheid tussen het aangewende middel en het beoogde doel enkel op basis van algemene beschouwingen.
- Artikel 10.1 EVRM bepaalt: “Eenieder heeft recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of door te geven, zonder inmenging van overheidswege en ongeacht grenzen. Dit artikel belet niet dat Staten radio-omroep-, bioscoop- of televisie-ondernemingen kunnen onderwerpen aan een systeem van vergunningen.”
- Krachtens artikel 10.2 EVRM kan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, die de vrijheid omvat om inlichtingen of denkbeelden door te geven en plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn, onder meer tot bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.
- Een beperking van de vrijheid van meningsuiting is nodig in een demo-cratische samenleving wanneer zij beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid, op voorwaarde dat de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel en de beperking verantwoord is op grond van relevante en toereikende motieven.
- De rechter die oordeelt dat er evenredigheid is tussen het strafbaar stellen van bedreigingen in zin van artikel 330 Strafwetboek en smaad door bedreigingen in de zin van artikel 275 Strafwetboek, die een advocaat tijdens de behandeling van een strafzaak uit tegen een lid van het openbaar ministerie, en het beoogde doel, met name het vrijwaren van de integriteit van de leden van het openbaar ministerie die in volle vrijheid en onafhankelijkheid de strafvordering moeten kunnen uitoefenen in het belang van de maatschappij, hoeft die beoordeling niet verder te concretiseren in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 452 Strafwetboek: de appelrechters, die vaststellen dat de door de eiser uitgesproken woorden kaderden in de wijze waarop de zaak werd behandeld, met name de vraag of er uitstel zou worden verleend, kunnen niet naar recht oordelen dat deze woorden geen betrekking hebben op de zaak of de partijen; het loutere feit dat datgene waarmee door de eiser werd gedreigd buiten de zittingszaal zou plaatsvinden, volstaat niet om de toepassing van artikel 452 Strafwetboek uit te sluiten.
- Artikel 452 Strafwetboek bepaalt: “Vóór de rechtbank gesproken woorden of aan de rechtbank overlegde geschriften, geven geen aanleiding tot strafvervolging wanneer die woorden of die geschriften op de zaak of op de partijen betrekking hebben. Lasterlijke, beledigende of eerrovende tenlasteleggingen die aan de zaak of aan de partijen vreemd zijn kunnen aanleiding geven hetzij tot een strafvordering hetzij tot burgerlijke rechtsvordering van de partijen of van derden.”
- De rechter oordeelt op onaantastbare wijze of de woorden uitgesproken en de geschriften neergelegd voor de rechtbank betrekking hebben op het hangend geschil of de daarin betrokken partijen. Het Hof gaat wel na of de rechter uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden verantwoord.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het middel vermeldt, maar ook dat: - hoewel de discussie tussen de eiser en M.C. kaderde in de wijze waarop de zaak voor de kamer van inbeschuldigingstelling werd behandeld, met name de vraag of er uitstel zou worden verleend, blijkt dat de eiser kwaad was op M.C. omdat zij ten onrechte zou voorhouden dat zij niet was verwittigd van diens vraag tot uitstel en daaromtrent stelde dat de eiser “niet correct” was; - de eiser dit opvatte als een onterecht persoonlijk verwijt waarop hij reageerde met de bewoordingen dat “het moet gedaan zijn dat het openbaar ministerie de woorden ‘niet correct’ ten aanzien van mij in de mond neemt. Als (M.C.) dit blijft doen dan zal ik mijn toga uittrekken en dan zal ik haar de huid volschelden zodat ze psychisch niet meer boven water komt”; - het gegeven dat de aanleiding voor het boos worden van de eiser gelegen was in de wijze waarop de zaak zou worden afgehandeld, niet inhoudt dat de door hem gebruikte bewoordingen ook in de zaak kaderden en immuniteit zouden genieten; - de eiser, die zich persoonlijk geschoffeerd voelde, dreigde met het uitschelden van M.C. na afloop van de zitting zodat ze psychisch niet meer boven water zou komen; - deze bewoordingen geen betrekking hebben op de zaak of de partijen zoals bedoeld in artikel 452 Strafwetboek en ook niet kaderden in de uitoefening van de verdediging van eisers toenmalige cliënt, maar een louter persoonlijke aanval op M.C. betroffen en een bedreiging van de persoon van M.C. vormden. Op grond van die redenen kunnen de appelrechters naar recht oordelen dat de door de eiser gebruikte bewoordingen geen betrekking hebben op de zaak of de partijen en aldus niet gedekt zijn door de immuniteit van het pleidooi. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorschriften zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 186,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Geert Jocqué, als voorzitter, de raadsheren Ilse Couwenberg, François Stévenart Meeûs, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 22 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Geert Jocqué, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div