← België

F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:

Art. 65

/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Programmawet 25 december 2016 - 25-12-2016 - Art. 45 - 01 ELI link Pub nr 2016021100 Fiche 2 Hoewel de regeling van het bevel tot betalen beoogt bij te dragen tot de handhaving van de verkeerswetgeving, strekt ze niet tot het opleggen van een straf in de zin van artikel 1 Strafwetboek, maar uitsluitend tot het creëren van een uitvoerbare titel zodat door het uitvaardigen van een bevel tot betalen en de daarop volgende procedure de strafvordering niet in werking wordt gesteld en de in artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet uitgewerkte bezwaarprocedure er dan ook niet toe kan leiden dat de politierechtbank of in hoger beroep de correctionele rechtbank kennis neemt van de strafvordering voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het uitvaardigen van het bevel tot betalen; het gegeven dat een uitvoerbaar bevel tot betalen een straf kan zijn in de zin van artikel 6 EVRM of dat indien de fod Financiën niet binnen de drie jaar tot invorderen van het uitvoerbaar verklaard bevel tot betaling kan overgaan, het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 65/1, § 10, Wegverkeerswet het recht tot sturen van de overtreder kan schorsen, doet daaraan geen afbreuk

(1).
(1)Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0325.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.5, AC 2021, nr. 396 met concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Vrije woorden: Artikel 65/1, § 2 - Bevel tot betaling - Beroep tegen het bevel tot betaling - Doelstelling - Inwerkingstelling van de strafvordering - Bevoegdheid van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank in beroep - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 1 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit

Art. 65

/1, §§ 2 en 10 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 3 Uit de doelstellingen van de door artikel 65/1 Wegverkeerswet uitgewerkte regeling en de wetsgeschiedenis ervan waarin wordt aangegeven dat de politierechtbank het beroep ten gronde behandelt, volgt dat, ongeacht wat in het zesde en zevende lid van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet is geschreven, de politierechtbank en in hoger beroep de correctionele rechtbank ingeval van een door artikel 65, § 2, Wegverkeerswet ingesteld beroep moeten onderzoeken of: - het bij verzoekschrift ingesteld beroep voldoet aan de in artikel 65, § 1, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde tijds- en vormvoorwaarden; - de in artikel 65/1, § 1, Wegverkeerswet bedoelde voorwaarden voor het uitvaardigen van het bevel tot betalen en de kennisgeving ervan zijn verenigd; - wel vaststaat dat de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd de feiten op grond waarvan dit bevel is uitgevaardigd heeft gepleegd, wat veronderstelt dat wordt nagegaan of de voor de overtreding vereiste bestanddelen zijn verenigd, of die feiten aan de als overtreder aangemerkte persoon kunnen worden toegerekend en of de som waarvoor het openbaar ministerie het bevel tot betalen heeft uitgevaardigd wettig is; het staat aan de rechter om in het licht van dit onderzoek te beslissen of het beroep van de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd: - onontvankelijk is, wat ertoe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk maar ongegrond is, wat er eveneens toe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk en gegrond is, wat als gevolg heeft dat het bevel tot betaling als niet bestaande moet worden beschouwd en het openbaar ministerie dient te oordelen of voor de feiten waarvoor het bevel tot betalen werd uitgevaardigd in het licht van de door de rechter gemaakte beoordeling de strafvordering alsnog kan worden ingesteld en vervolgens aan de strafrechter bij wie die strafvordering desgevallend aanhangig wordt gemaakt om daarover te beslissen

(1).
(1)Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0325.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.5, AC 2021, nr. 396 met concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Vrije woorden: Artikel 65/1, § 2 - Bevel tot betaling - Beroep tegen het bevel tot betaling - Bevoegdheid van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank in beroep - Behandeling ten gronde - Beoordeling door de rechter - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit

Art. 65

- 31 ELI link Pub nr 1968031601 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit

Art. 65

/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Fiche 4 Aannemen, op basis van een letterlijke lezing van artikel 65/1, § 2, zesde en zevende lid, Wegverkeerswet, dat de rechter zijn onderzoek van het door artikel 65/1, § 2, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bedoelde beroep moet beperken tot een onderzoek naar de ontvankelijkheid van dit beroep en dat elke ontvankelijkverklaring van een dergelijk beroep automatisch tot gevolg heeft dat het bevel tot betalen niet bestaande wordt, is niet alleen strijdig met de wetsgeschiedenis van de regeling, maar zou aan deze regeling elke zin ontnemen aangezien een ontvankelijk beroep dat volgens de wil van de wetgever met redenen omkleed moet zijn, zou volstaan en dit ongeacht op welke gronden het is gesteund, om aan het bevel tot betalen elke uitwerking te ontzeggen hetgeen onmogelijk de bedoeling van de wetgever kan zijn geweest

(1).
(1)Cass. 1 juni 2021, AR P.21.0325.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.5, AC 2021, nr. 396 met concl. OM. Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 65 Vrije woorden: Artikel 65/1, § 2 - Bevel tot betaling - Beroep tegen het bevel tot betaling - Bevoegdheid van de politierechtbank of van de correctionele rechtbank in beroep - Ontvankelijkheid van het beroep - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit

Art. 65/1 - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr.

P.21.0478.N T. F., persoon tegen wie een bevel tot betaling werd uitgevaardigd en beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Marijn Van Nooten, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 25 februari

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ambtshalve middel Geschonden wettelijke bepaling - artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet
  2. Met artikel 65/1 Wegverkeerswet, zoals vervangen door artikel 45 van de programmawet van 25 december 2016, heeft de wetgever een sui generis-procedure ingevoerd ertoe strekkend om indien een overtreder niet binnen een bepaalde termijn de hem voorgestelde minnelijke schikking heeft betaald, het openbaar ministerie de mogelijkheid te geven een bevel tot betaling uit te vaardigen dat ingeval van niet-betaling en de afwezigheid of de verwerping van betwisting moet leiden tot een uitvoerbare titel voor het bedrag van de voorgestelde minnelijke schikking, verhoogd met 35 procent en met desgevallend de bijdrage aan het Bijzonder fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders.
  3. Met deze procedure beoogt de wetgever het openbaar ministerie in staat te stellen een uitvoerbare titel op te maken, zodat niet langer een beroep moet worden gedaan op een strafrechter om een overtreder aan wie een minnelijke schikking is voorgesteld tot betaling te dwingen. De wetgever wil immers de afhandeling van bepaalde verkeersstrafzaken stroomlijnen door het opleggen van een snelle, zekere en aan de concrete situatie aangepaste sanctie en dit volgens een procedure die aan de betrokkene een voldoende niveau van rechtsbescherming biedt. Doel is de werklast van de met vervolging en berechting van verkeersstrafzaken belaste overheden te verminderen, zodat meer tijd vrijkomt voor de behandeling van complexe dossiers.
  4. Hoewel de regeling van het bevel tot betalen beoogt bij te dragen tot de handhaving van de verkeerswetgeving, strekt ze niet tot op het opleggen een straf in de zin van artikel 1 Strafwetboek, maar uitsluitend tot het creëren van een uitvoerbare titel. Door het uitvaardigen van een bevel tot betalen en de daarop volgende procedure wordt de strafvordering niet in werking gesteld en de in artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet uitgewerkte bezwaarprocedure kan er dan ook niet toe leiden dat de politierechtbank of in hoger beroep de correctionele rechtbank kennis neemt van de strafvordering voor de feiten die aanleiding hebben gegeven tot het uitvaardigen van het bevel tot betalen. Het gegeven dat een uitvoerbaar bevel tot betalen een straf kan zijn in de zin van artikel 6 EVRM, dat indien de fod Financiën niet binnen de drie jaar tot invorderen van het uitvoerbaar verklaard bevel tot betaling kan overgaan, het openbaar ministerie overeenkomstig artikel 65/1, § 10, Wegverkeerswet het recht tot sturen van de overtreder kan schorsen of dat de wetgever in artikel 65/1, § 2, vierde lid, Wegverkeerswet in een schorsing van de verjaring van de strafvordering heeft voorzien, doet daaraan geen afbreuk.
  5. Uit de doelstellingen van de door artikel 65/1, Wegverkeerswet uitgewerkte regeling en de wetsgeschiedenis ervan waarin wordt aangegeven dat de politierechtbank het beroep ten gronde behandelt, volgt dat, ongeacht wat in het zesde en zevende lid van artikel 65/1, § 2, Wegverkeerswet is geschreven, de politierechtbank en in hoger beroep de correctionele rechtbank ingeval van een door artikel 65, § 2, Wegverkeerswet ingesteld beroep moeten onderzoeken of: - het bij verzoekschrift ingesteld beroep voldoet aan de in artikel 65, § 1, eerste en tweede lid, Wegverkeerswet bepaalde tijds- en vormvoorwaarden; - de in artikel 65/1, § 1, Wegverkeerswet bedoelde voorwaarden voor het uitvaardigen van het bevel tot betalen en de kennisgeving ervan zijn verenigd; - wel vaststaat dat de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd de feiten op grond waarvan dit bevel is uitgevaardigd heeft gepleegd, wat veronderstelt dat wordt nagegaan of de voor de overtreding vereiste bestanddelen zijn verenigd, of die feiten aan de als overtreder aangemerkte persoon kunnen worden toegerekend en of de som waarvoor het openbaar ministerie het bevel tot betalen heeft uitgevaardigd wettig is.
  6. Het staat aan de rechter om in het licht van dit onderzoek te beslissen of het beroep van de persoon tegen wie het bevel tot betalen is uitgevaardigd: - onontvankelijk is, wat ertoe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk maar ongegrond is, wat er eveneens toe leidt dat eens de beslissing van de rechter definitief is het bevel tot betalen uitvoerbaar wordt; - ontvankelijk en gegrond is, wat als gevolg heeft dat het bevel tot betaling als niet bestaande moet worden beschouwd. Het is dan aan het openbaar ministerie om te oordelen of voor de feiten waarvoor het bevel tot betalen werd uitgevaardigd in het licht van de door de rechter gemaakte beoordeling de strafvordering alsnog kan worden ingesteld en vervolgens aan de strafrechter bij wie die strafvordering desgevallend aanhangig wordt gemaakt om daarover te beslissen.
  7. Het bestreden vonnis dat oordeelt dat op het beroep van de persoon tegen wie een bevel tot betaling is uitgevaardigd de rechter die van dit beroep kennis moet nemen ingeval van ontvankelijkheid ervan ook de ontvankelijkheid en de gegrondheid van de strafvordering moet beoordelen, verantwoordt die beslissing niet naar recht. Middelen van de eiser
  8. De middelen van de eiser die niet kunnen leiden tot ruimere cassatie of cassatie zonder verwijzing, behoeven geen antwoord. Er is evenmin grond om de voorgestelde prejudiciële vraag te stellen. Ambtshalve onderzoek voor het overige
  9. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis behoudens in zoverre het uitspraak doet over de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot één tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 141,46 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260304.2F.3 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.107 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.060 ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.161 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.018 precedenten: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210601.2N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.