← België

E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: VERZET Vrije woorden: Strafzaken - Buitengewone termijn van verzet - Kennisname van de betekening van het verstekvonnis - Aanvangsdatum - Kennisgeving door het openbaar ministerie aan de veroordeelde van een verval uitgesproken als straf - Invloed op de aanvangsdatum van de buitengewone verzetstermijn - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: WEGVERKEER - WEGVERKEERSWET - WETSBEPALINGEN - Artikel 40 Vrije woorden: Verval uitgesproken als straf - Kennisgeving door het openbaar ministerie aan de veroordeelde - Verzet - Buitengewone termijn van verzet - Invloed op de aanvangsdatum van de buitengewone verzetstermijn - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Verstekbeslissing - Betekening van de verstekbeslissing - Buitengewone termijn van verzet - Aanvangs-datum - Kennisgeving door het openbaar ministerie aan de veroordeelde van een verval uitgesproken als straf - Invloed op de aanvangsdatum van de buitengewone verzetstermijn - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 6

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet betreffende de politie over het wegverkeer, gecoördineerd bij Koninklijk besluit van 16 maart 1968 - 16-03-1968 - Art. 40, eerste lid - 31 ELI link Pub nr 1968031601 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0480.N O. E., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Julie Crowet, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de Nederlandstalige correctionele rechtbank Brussel van 3 maart

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser ontvankelijk. In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, de artikelen 185 en 187, eerste en tweede lid, Wetboek van Strafvordering en artikel 40 Wegverkeerswet: het bestreden vonnis neemt de motivering van het beroepen vonnis, dat oordeelt dat het verzet niet ontvankelijk is, over; nochtans werd de eiser niet geïnformeerd over de mogelijkheid verzet aan te tekenen tegen het verstekvonnis; er moet dan ook worden vastgesteld dat aan de informatieplicht niet was voldaan, zodat er geen sprake kon zijn van een niet ontvankelijk verzet.
  4. Artikel 187, § 1, Wetboek van Strafvordering bepaalt: "De bij verstek veroordeelde kan tegen het vonnis in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop het is betekend. Is de betekening van het vonnis niet aan hem in persoon gedaan, dan kan hij die bij verstek veroordeeld is, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. (...) Indien niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan hij die bij verstek veroordeeld is in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. (...)" Artikel 6.1 EVRM vereist dat een bij verstek veroordeelde wordt geïnformeerd over het recht om tegen die beslissing verzet aan te tekenen en over de termijn om dat te doen. Die kennisgeving kan gebeuren op het ogenblik van de betekening van de verstekbeslissing of op elk ander tijdstip dat de veroordeelde toelaat het rechtsmiddel aan te wenden. Artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet bepaalt dat elk verval dat als straf is uitgesproken ingaat de vijfde dag na die waarop het openbaar ministerie de kennisgeving aan de veroordeelde heeft gedaan.
  5. De rechter oordeelt onaantastbaar of en wanneer de bij verstek veroordeelde persoon kennis heeft gekregen van de betekening van de verstekbeslissing. Die kennisneming hangt niet af van enig vormvereiste en kan zodoende voortvloeien uit de kennisgeving bepaald in artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet. Bijgevolg kan de rechter de datum van zulke kennisgeving in aanmerking nemen voor het bepalen van de aanvangsdatum van de buitengewone termijn van verzet. In dat geval is vereist dat die kennisgeving de betrokkene informeert over het recht om tegen die beslissing verzet aan te tekenen en de termijn en de vorm om dat te doen.
  6. Het bestreden vonnis stelt vast dat de eiser ter rechtszitting heeft verklaard zich naar de wijsheid van de rechtbank te gedragen wat betreft de beoordeling van de ontvankelijkheid van zijn verzet. Vervolgens verwijst het naar de pertinente motieven van het beroepen vonnis over de niet-ontvankelijkheid van het verzet, die het als hernomen beschouwt en die de appelrechters zich eigen maken. Het beroepen vonnis oordeelt: - op 18 mei 2018 werd aan de eiser de kennisgeving met het oog op de tenuitvoerlegging van het rijverbod betekend; - die kennisgeving vermeldt uitdrukkelijk dat het verstekvonnis werd betekend op 12 december 2017; - de eiser stelt dat voornoemde kennisgeving niet in aanmerking kan worden genomen als bewijs van kennisname van de datum van betekening van het verstekvonnis, aangezien geen informatie werd gegeven met betrekking tot de rechtsmiddelen die tegen het verstekvonnis konden worden aangewend; - in deze specifieke zaak heeft de eiser zich echter op 28 mei 2018 aangeboden op de griffie om zijn rijbewijs neer te leggen en heeft hij het rijverbod uitge¬sproken in het verstekvonnis ook effectief uitgevoerd; - de eiser kan toch niet ernstig voorhouden dat hij geen kennis zou hebben gehad van het verstekvonnis en van de betekening ervan, vermits hij de uitspraak vrijwillig heeft uitgevoerd; - er kan toch moeilijk worden aangenomen dat iemand zijn rijbewijs gaat neerleggen op de griffie met het oog op de uitvoering van een rijverbod, zonder te weten waarom dit moet gebeuren; - de rechter oordeelt onaantastbaar wanneer de beklaagde kennis heeft gekregen van de betekening; - het is daarbij niet vereist dat de dag waarop de beklaagde kennis heeft gekregen van de akte van betekening van het verstekvonnis, wordt gepreciseerd; - de kennisneming van de betekening is aan geen enkel bijzondere vormvereiste onderworpen. Het bestreden vonnis dat aldus de aanvangsdatum van de termijn voor het buitengewoon verzet van de eiser doet ingaan op de datum van de kennisgeving of bepaald in artikel 40, eerste lid, Wegverkeerswet, zonder ook vast te stellen dat deze kennisgeving of enige andere kennisgeving de informatie over het recht om tegen die beslissing verzet aan te tekenen en de termijn en de vorm om dat te doen bevat, verantwoordt de beslissing om het verzet niet ontvankelijk te verklaren niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden vonnis, behoudens in zoverre het eisers hoger beroep ontvankelijk verklaart en de saisine van het appelgerecht bepaalt. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde vonnis. Verwerpt het cassatieberoep voor het overige. Veroordeelt de eiser tot één tiende van de kosten van zijn cassatieberoep. Houdt de beslissing over de overige kosten aan en laat die over aan de rechter op verwijzing. Verwijst de aldus beperkte zaak naar de correctionele rechtbank Leuven, rechtszitting houdend in hoger beroep. Bepaalt de kosten op 125,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.20 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240903.2N.16 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240514.2N.10 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250429.2N.8 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20251202.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.