id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.24 Rolnummer: P.20.1345.N Zaak: SUMAL INVEST c. DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-06-28 Raadplegingen: 609 - laatst gezien 2026-06-19 23:39 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Artikel 70 Strafwetboek bepaalt dat er geen misdrijf is wanneer het feit door de wet voorgeschreven en door de overheid bevolen is; de termijn die een bestuurlijke overheid op basis van de regelgeving inzake de woonkwaliteit toekent voor de uitvoering van werkzaamheden indien een woning ongeschikt of onbewoonbaar wordt verklaard, doet geen afbreuk aan het strafbaar karakter van het verhuren of ter beschikking stellen van een ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning in de zin van de artikelen 5 en 20, § 1, eerste lid, Vlaamse Wooncode, thans de artikelen 3.1, § 1, en 3.33 Vlaamse Codex Wonen van 2021 en het verlenen van een dergelijke termijn, die kadert in administratieve procedure, levert als dusdanig geen rechtvaardigingsgrond op in de zin van artikel 70 Strafwetboek. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Huisvesting - Vlaamse Wooncode - Artikelen 5 en 20, § 1, eerste lid - Termijn voor het uitvoeren van werkzaamheden indien een woning ongeschikt of onbewoonbaar wordt verklaard - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 70 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 5 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 20, § 1, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.1, § 1 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.33 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Thesaurus CAS: HUISVESTING Vrije woorden: Vlaamse Wooncode - Artikelen 5 en 20, § 1, eerste lid - Termijn voor het uitvoeren van werkzaamheden indien een woning ongeschikt of onbewoonbaar wordt verklaard - Rechtvaardigingsgrond - Draagwijdte - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 70 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 5 - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreet Vlaams Gemeenschap 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Wooncode - 15-07-1997 - Art. 20, § 1, eerste lid - 39 ELI link Pub nr 1997036023 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.1, § 1 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Decreten over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020 - 17-07-2020 - Art. 3.33 - 72 ELI link Pub nr 2020A43545 Tekst van de beslissing Nr. P.20.1345.N SUMAL INVEST nv, met zetel te 1730 Asse, Potaarde 57, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Tom Bauwens, advocaat bij de balie Brussel, tegen WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST, met kantoor te 3000 Leuven, Diestsepoort 6, bus 93, eiser tot herstel, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 november
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest spreekt de eiseres vrij voor de verbeterde telastlegging in zoverre die betrekking heeft op het appartement op het gelijkvloers. Het arrest stelt ook vast dat de herstelvordering geen voorwerp meer heeft. In zoverre ook tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Eerste middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 1583 oud Burgerlijk Wetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat de eiseres de appartementen verhuurde of ter beschikking stelde omdat de eiseres eigenaar was van het gebouw tot het ogenblik van het verlijden van de notariële akte en dat de eigendomsoverdracht pas plaatsvond bij het verlijden van die notariële akte en dus niet op de datum van de onderhandse overeenkomst; bij gebrek aan andersluidend beding verkrijgt de koper overeenkomstig artikel 1583 oud Burgerlijk Wetboek van rechtswege de eigendom ten aanzien van de verkoper, zodra er overeenkomst is over de zaak en de prijs, hoewel de zaak nog niet is geleverd en de prijs nog niet is betaald.
- Het arrest oordeelt niet enkel zoals het onderdeel aanvoert, maar ook dat: - het eigenaarschap geen constitutief bestanddeel is van het misdrijf in de enige telastlegging en dat het dus mogelijk is dat een niet-eigenaar strafbaar is omdat het verhuren of ter beschikking stellen - gelet op de concrete feitelijke omstandigheden en verhoudingen - aan hem kan worden toegerekend. Aldus kan aan het beweerd verdwijnen van eigendomsrechten van de eiseres op het pand niet automatisch het gevolg worden gekoppeld dat de eiseres zich niet langer schuldig maakte aan het misdrijf; - geen enkel element in de voorgelegde gegevens erop wijst dat de eiseres op enig ogenblik in de incriminatieperiode niet meer de volle feitelijke macht had om te beslissen welk gebruik van het pand werd gemaakt, inzonderheid om de verhuur of terbeschikkingstelling verder te zetten, dan wel te beëindigen; - de ter rechtszitting aangevoerde overdracht van de huurovereenkomsten op het moment van de eigendomsoverdracht op 27 oktober 2011 niet blijkt uit de beschikbare stukken. Er is geen overeenkomst in die zin, noch een desbetreffende clausule in de overeenkomst van 27 oktober 2011 of enige latere akte; - evenmin kan worden vastgesteld dat de huurinkomsten vanaf 27 oktober 2011 niet langer werden geïnd door de eiseres. Het tegendeel kan worden afgeleid uit de verhoren van de twee huurders op 17 januari 2012 waarin zij stelden de huur en kosten te betalen aan de eigenaar, waarmee zij niemand anders konden bedoelen dan de eiseres. De huur voor beide op 17 januari 2012 verhoorde huurders startte in respectievelijk april 2007 en juli
- Zij spreken niet van een verandering van verhuurder of eigenaar; - A.Q. en N. evenmin hebben gesproken over een overdracht van huurovereenkomst of inkomsten. Deze zelfstandige redenen dragen de beslissing dat in de incriminatieperiode geen andere persoon dan de eiseres de appartementen verhuurde of ter beschikking stelde. Het onderdeel, dat is gericht tegen een overtollige reden, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 1319 en 1320 oud Burgerlijk Wetboek, thans de artikelen 8.17 en 8.18 Burgerlijk Wetboek: het arrest miskent de bewijskracht van de onderhandse verkoopovereenkomst van 27 oktober 2011, de dading van 1 april 2014 en het vonnis van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 22 juni 2015; het arrest oordeelt immers ten onrechte dat uit de onderhandse verkoopovereenkomst en uit de dading telkens blijkt dat partijen overeenkwamen dat het eigendomsrecht niet op datum van de onderhandse verkoopovereenkomst overging, maar pas bij het verlijden van de notariële akte; het arrest oordeelt ook ten onrechte dat het vonnis van 22 juni 2015 geen steun kan bieden voor de bewering dat het eigendomsrecht op het pand zou zijn overgegaan op 27 oktober 2011; dit vonnis heeft immers de rechtsgeldigheid van de dading van 1 april 2014 bestendigd, waarmee ook de eigendomsoverdracht bij onderhandse verkoopovereenkomst van 27 oktober 2011 werd bestendigd.
- Het onderdeel is om de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen niet ontvankelijk. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 16, eerste lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat het niet is gebonden door het voormelde vonnis van 22 juni 2015 dat de rechtsgeldigheid van de eigendomsoverdracht op grond van de rechtsgeldigheid van de dading bevestigde; uit deze bepaling vloeit immers voort dat de strafrechter niet enkel is verplicht om de regels van het burgerlijk recht in acht te nemen bij de beoordeling over het bestaan van een overeenkomst of de uitvoering ervan wanneer een misdrijf verband houdt met de tenuitvoerlegging van een overeenkomst waarvan het bestaan wordt ontkend of waarvan de uitlegging wordt betwist, maar ook dat hij is gebonden door de beslissing die de burgerlijke rechter op dit punt heeft genomen.
- Het onderdeel is om de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen niet ontvankelijk. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van artikel 70 Strafwetboek: het arrest oordeelt ten onrechte dat er voor geen enkel onderdeel van de incriminatieperiode een rechtvaardigingsgrond voorhanden is; de termijn die door artikel 18 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 juli 2013 betreffende de kwaliteits- en veiligheidsnormen voor woningen is toegestaan om de nodige werken uit te werken als een woning ongeschikt of onbewoonbaar wordt verklaard, verhindert immers dat na het besluit van de burgemeester een nieuw misdrijf ontstaat, omdat de bij wet verleende machtiging een rechtvaardigingsgrond uitmaakt in de zin van artikel 70 Strafwetboek.
- Artikel 70 Strafwetboek bepaalt dat er geen misdrijf is wanneer het feit door de wet voorgeschreven en door de overheid bevolen is.
- De termijn die een bestuurlijke overheid op basis van de regelgeving inzake de woonkwaliteit toekent voor de uitvoering van werkzaamheden indien een woning ongeschikt of onbewoonbaar wordt verklaard, doet geen afbreuk aan het strafbaar karakter van het verhuren of ter beschikking stellen van een ongeschikt of onbewoonbaar verklaarde woning in de zin van de artikelen 5 en 20, § 1, eerste lid, Vlaamse Wooncode, thans de artikelen 3.1, § 1, en 3.33 Vlaamse Codex Wonen van
- Het verlenen van een dergelijke termijn, die kadert in administratieve procedure, levert als dusdanig geen rechtvaardigingsgrond op in de zin van artikel 70 Strafwetboek. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Derde middel
- Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet de aanvoering van de eiseres dat indien zou worden geoordeeld dat de eigendomsoverdracht pas op de datum van de notariële akte heeft plaatsgevonden, er minstens vaststond dat het feitelijk genot van het pand niet in handen van de eiseres was, zodat zij onmogelijk kon overgaan tot enige verhuur of terbeschikkingstelling.
- De verplichting van artikel 149 Grondwet elk vonnis met redenen te omkleden, houdt niet in dat de rechter moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar geen afzonderlijk middel vormt.
- Met de in het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel vermelde redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het bedoelde verweer zonder dat het diende te antwoorden op elk argument dat tot staving daarvan werd aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormde. Het middel kan niet worden aangenomen. Vierde middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek: het arrest brengt bij de berekening van het verbeurdverklaarde bedrag voor het appartement op de eerste verdieping huurgelden in rekening die de eiseres niet heeft genoten.
- Het onderdeel dat verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eiseres in haar appelconclusie dat zij na 27 oktober 2011 geen huurgelden meer heeft ontvangen.
- Het arrest (p. 10, 13 en 14) oordeelt dat: - niet kan worden vastgesteld dat de huurinkomsten vanaf 27 oktober 2011 niet langer werden geïnd door de eiseres. Het tegendeel kan worden afgeleid uit de verhoren van de twee huurders op 17 januari 2012 waarin zij stelden de huur en kosten te betalen aan de eigenaar, waarmee zij niemand anders konden bedoelen dan de eiseres. De huur voor beide op 17 januari 2012 verhoorde huurders startte in respectievelijk april 2007 en juli
- Zij spreken niet van een verandering van verhuurder of eigenaar; - enkel de in de incriminatieperiode ontvangen huurgelden in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de illegale vermogensvoordelen, waarvan het openbaar ministerie de verbeurdverklaring vordert; - voor het appartement op de tweede verdieping slechts vier maanden in rekening worden gebracht, aangezien de huurster van dit appartement heeft verklaard dat zij vanaf oktober 2011 geen huur meer betaalde. Voor dit appartement wordt het door de eiseres toegegeven bedrag van 475,00 euro als huurprijs in aanmerking genomen; - voor het appartement op de eerste verdieping er geen discussie is dat de huurprijs 490,00 euro bedroeg; - de in de incriminatieperiode door het bewezen verklaarde misdrijf gegenereerde vermogensvoordelen voor de eiseres bedragen dan ook: (8 x 490,00) + (4 x 475,00) = 5.820,00 euro. Met deze redenen beantwoordt en verwerpt het arrest het in het onderdeel bedoelde verweer. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten op 104,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.24 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div