← België

C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.28 Rolnummer: P.21.0809.N Zaak: C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-28 Raadplegingen: 814 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Het cassatieberoep tegen een beslissing gewezen op een overeenkomstig artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling door een vreemdeling wiens uitlevering wordt gevraagd, wordt geregeld door de gemeenrechtelijke bepalingen betreffende het cassatieberoep in strafzaken; uit artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering volgt dat een cassatieberoep in strafzaken in principe slechts kan worden ingesteld door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III van het Wetboek van Strafvordering, zodat het cassatieberoep ingesteld door de persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd door het afleggen van een verklaring aan de gemachtigde van de directeur van de gevangenis waar hij is opgesloten, niet ontvankelijk is

(1).
(1)Het is vaste rechtspraak van het Hof dat het cassatieberoep inzake uitlevering wordt beheerst door de gemeenrechtelijke bepalingen en niet door de wet op de voorlopige hechtenis – zie Cass. 12 juni 2018, AR P.18.0589.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180612.7, AC 2018, nr. 382; Cass. 5 september 2017, AR P.17.1167.N ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171205.4, AC 2017, nr. 689; Cass. 29 februari 2012, AR P.12.0217.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120229.2, AC 2012, nr. 140, T. Strafr. 2012/3, p. 172 en noot T. DECAIGNY, RW 2012-13/9, pp. 341-344 en noot S. DEWULF, " De bijzondere regeling voor het toezicht op de uitleveringsdetentie". Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Vormen - Vorm van het cassatieberoep en vermeldingen Vrije woorden: Uitleveringswet 1874 - Artikel 5, vierde lid - Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Afwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling - Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Cassatieberoep door de persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd door een verklaring aan de gemachtigde van de gevangenisdirecteur - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 425, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: UITLEVERING Vrije woorden: Uitleveringswet 1874 - Artikel 5, vierde lid - Verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling - Afwijzing door de kamer van inbeschuldigingstelling - Cassatieberoep door de persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd door een verklaring aan de gemachtigde van de gevangenisdirecteur - Gevolg Wettelijke bepalingen: Wet van 15 maart 1874 op de uitleveringen - 15-03-1874 - Art. 5, vierde lid - 30 ELI link Pub nr 1874031550 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 425, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0809.N V. C., persoon van wie de uitlevering wordt gevraagd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Arhan Egamberdiev, advocaat bij de balie Brussel. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 10 juni
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. Het cassatieberoep tegen een beslissing gewezen op een overeenkomstig artikel 5, vierde lid, Uitleveringswet 1874 ingediend verzoekschrift tot voorlopige invrijheidstelling door een vreemdeling wiens uitlevering wordt gevraagd, wordt geregeld door de gemeenrechtelijke bepalingen betreffende het cassatieberoep in strafzaken.
  3. Uit artikel 425, § 1, Wetboek van Strafvordering volgt dat een cassatieberoep in strafzaken behoudens in hier niet toepasselijke gevallen slechts kan worden ingesteld door een advocaat die houder is van een getuigschrift van een opleiding in cassatieprocedures als bedoeld in boek II, titel III van het Wetboek van Strafvordering.
  4. Het door de eiser zelf op 10 juni 2021 ingestelde cassatieberoep door het afleggen van een verklaring aan de gemachtigde van de directeur van de gevangenis waar hij is opgesloten, is bijgevolg niet ontvankelijk. Middel
  5. Het middel dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep, behoeft geen antwoord. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 64,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.28 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120229.2 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171205.4 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180612.7 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.