← België

B.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.6 Rolnummer: P.21.0362.N Zaak: B. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-06-28 Raadplegingen: 966 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 Geen enkele wets- of verdragsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat niet nader geïdentificeerde politionele informatie waarvan niet aannemelijk wordt gemaakt dat zij op onregelmatige wijze is verkregen, wordt gebruikt als inlichting op basis waarvan een gerechtelijk onderzoek wordt opgestart en autonoom bewijs wordt verzameld en het louter in vraag stellen van de regelmatigheid van die informatie door de beklaagde volstaat niet om de onregelmatigheid ervan aannemelijk te maken. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Niet nader geïdentificeerde politionele informatie - Gebruik als inlichting bij het opstarten van een gerechtelijk onderzoek - Regelmatigheid Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een eerlijk proces - Gerechtelijk onderzoek - Niet nader geïdentificeerde politionele informatie - Gebruik als inlichting bij het opstarten van een gerechtelijk onderzoek - Regelmatigheid Thesaurus CAS: RECHT VAN VERDEDIGING - STRAFZAKEN Vrije woorden: Gerechtelijk onderzoek - Niet nader geïdentificeerde politionele informatie - Gebruik als inlichting bij het opstarten van een gerechtelijk onderzoek - Regelmatigheid Fiche 4 Inlichtingen gesteund op politionele informatie en het openbaar gerucht kunnen voldoende precieze aanwijzingen en concrete feiten, eigen aan de zaak, opleveren om op basis daarvan een afluistermaatregel te motiveren

(1).
(1)Cass. 17 december 2013, AR P.13.1438.N ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131217.8, AC 2013, nr.
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Onderzoeksverrichtingen Vrije woorden: Afluistermaatregel - Motivering van de afluistermaatregel - Artikelen 90ter, § 1, vierde lid, en 90quater, § 1, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering - Precieze aanwijzingen en concrete feiten - Inlichtingen gesteund op politionele informatie en het openbaar gerucht - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 90ter, § 1 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 90quater, § 1, tweede lid, 1° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0362.N S. B., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Douwen, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 17 februari
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, alsmede miskenning van het recht van verdediging: het arrest oordeelt ten onrechte dat het feit dat de politionele informatie op grond waarvan het strafdossier is opgestart niet nader is gepreciseerd, niet de onregelmatigheid van het gerechtelijk onderzoek tot gevolg heeft; deze informatie, die de politie enkel kan hebben verkregen door actieve politionele informatiegaring, heeft de grondslag gevormd voor het gerechtelijk onderzoek en het telefoononderzoek; het recht op een eerlijk proces vereist in de gegeven omstandigheden dat minstens is geweten welk wettelijk kader van toepassing is op die informatie, zodat kan worden nagegaan of de wet werd nageleefd; het arrest kan niet a priori aannemen dat die informatie regelmatig is vergaard.
  4. Geen enkele wets- of verdragsbepaling noch enig algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat niet nader geïdentificeerde politionele informatie waarvan niet aannemelijk wordt gemaakt dat zij op onregelmatige wijze is verkregen, wordt gebruikt als inlichting op basis waarvan een gerechtelijk onderzoek wordt opgestart en autonoom bewijs wordt verzameld. Het louter in vraag stellen van de regelmatigheid van die informatie door de beklaagde volstaat niet om de onregelmatigheid ervan aannemelijk te maken. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. Het arrest oordeelt in de voormelde zin en voegt eraan toe dat de eiser vrij tegenspraak heeft kunnen voeren over de inlichtingen vermeld in het aanvankelijk proces-verbaal en dat hij geenszins aannemelijk maakt dat de politiediensten deze inlichtingen op onrechtmatige wijze zouden hebben verkregen. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  6. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de tapbeslissing regelmatig is gemotiveerd en antwoordt niet op eisers desbetreffende verweer; die beslissing is door de onderzoeksrechter gemotiveerd met verwijzing naar de zogenaamde politionele informatie en het openbaar gerucht vermeld in de aanvankelijke processen-verbaal en naar een retroactief telefonieonderzoek dat op basis van die informatie en dat gerucht is uitgevoerd; aldus bevatten de in de machtiging vermelde gegevens geen voldoende ernstige aanwijzingen en concrete feiten, eigen aan de zaak; een tapbeslissing kan geenszins worden gemotiveerd op basis van enkel onbetrouwbare politionele informatie en het openbaar gerucht.
  7. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is het niet ontvankelijk.
  8. Artikel 90quater, § 1, tweede lid, 1°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de machtiging tot een afluistermaatregel de aanwijzingen en de concrete feiten, eigen aan de zaak, die de maatregel wettigen overeenkomstig artikel 90ter, vermeldt. Artikel 90ter, § 1, vierde lid, bepaalt dat de maatregel alleen kan worden bevolen ten aanzien van personen die op grond van precieze aanwijzingen ervan worden verdacht het strafbare feit te hebben gepleegd.
  9. Inlichtingen gesteund op politionele informatie en het openbaar gerucht kunnen wel degelijk voldoende precieze aanwijzingen en concrete feiten, eigen aan de zaak, opleveren om op basis daarvan een afluistermaatregel te motiveren. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  10. Het arrest oordeelt onder meer als volgt: - op basis van de lezing van de totaliteit van de tekst van de tapbeschikking van 2 mei 2018 staat het voor het hof van beroep vast dat de redengeving van de onderzoeksrechter waarom hij verder onderzoek in de vorm van de telefoniemaatregel beval, in overeenstemming is met de strikte verplichtingen voortvloeiend uit de artikelen 90ter en 90quater Wetboek van Strafvordering; - zo wordt gewezen op de inhoud van de aanvankelijke processen-verbaal TU.60.L3.002062/2018 van 24 april 2018, TU.60.L3.001318/2018 van 9 maart 2018 en TU.60.L3.001317/2018 van 9 maart 2018 en de inhoud van het navolgend onderzoek, onder meer het retroactief telefonieonderzoek met betrekking tot de oproepnummers van de eiser en oorspronkelijk medebeklaagde C.J.; - de aanwijzingen die dienen te worden vermeld, hoeven geenszins bewezen te zijn. Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM: doordat de tapbeslissing werd verleend op basis van niet-verifieerbare bronnen, namelijk anonieme informatie en het openbaar gerucht, miskent het arrest het recht van verdediging.
  12. Het onderdeel is afgeleid uit de in het eerste middel en het tweede middel, eerste onderdeel, vergeefs aangevoerde onwettigheden en is bijgevolg niet ontvankelijk. Derde middel
  13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: het arrest motiveert niet op regelmatige wijze waarom het eisers verzoek om een werkstraf verwerpt; de redenen voor het weigeren van een werkstraf moeten namelijk losstaan van eventuele redenen voor de keuze van de straf en de strafmaat.
  14. De rechter kan de weigering een door een beklaagde gevraagde werkstraf uit te spreken wel degelijk motiveren door opgave van de redenen om overeenkomstig artikel 195, tweede lid, Wetboek van Strafvordering een andere straf of andere straffen op te leggen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  15. Het arrest oordeelt onder meer: "Enkel een substantiële, effectieve hoofdgevangenisstraf en geldboete, zoals nader bepaald in het beschikkend gedeelte van het arrest, is van aard om [de eiser] tot de nodige bewustwording te brengen omtrent het ontoelaatbare van zijn handelen en recidive in zijn hoofde te voorkomen. Er is geen enkele reden voorhanden om [de eiser] een werkstraf, hetzij een mildere straf op te leggen (...); zulks gelet op de aard en de ernst van de feiten, de rol en het aandeel van [de eiser] in de feiten, en zijn persoonlijkheid en strafverleden zoals hiervoor uiteengezet." Aldus is de beslissing regelmatig met redenen omkleed. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 137,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20220906.2N.12 precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20131217.8 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.