← België

P. contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 22 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.7 Rolnummer: P.21.0448.N Zaak: P. contra D. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-06-28 Raadplegingen: 779 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het verzuim door de voorzitter en de griffier een proces-verbaal van de rechtszitting te ondertekenen leidt niet tot de nietigheid van de erop volgende rechtspleging en de beslissing die er een gevolg van is, indien het arrest zelf de vermeldingen bevat waaruit de regelmatigheid van de procedure blijkt

(1).
(1)Zie ook Cass. 16 september 2015, AR P.15.0562.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.6, AC 2015, nr.
  1. Thesaurus CAS: VONNISSEN EN ARRESTEN - STRAFZAKEN - Algemeen Vrije woorden: Proces-verbaal van de rechtszitting - Ondertekening - Verzuim - Gevolg Tekst van de beslissing Nr. P.21.0448.N L. P., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Tim Smet, advocaat bij de balie Antwerpen, tegen
  2. M. D. B., burgerlijke partij,
  3. MARIJKE DE BUSSER bv, met zetel te 2260 Westerlo, Olenseweg 330, burgerlijke partij,
  4. A. B., burgerlijke partij,
  5. D. B., burgerlijke partij,
  6. Ch. C., burgerlijke partij,
  7. E. C., burgerlijke partij,
  8. E. C., burgerlijke partij,
  9. JAMASAKI bv, met zetel te 3500 Hasselt, Gouverneur Roppesingel 83, burgerlijke partij,
  10. D. V. D. B., burgerlijk partij, verweerders, met als raadsman voor de verweerders 1, 2, 3 en 9 mr. Andy Boermans, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 4 maart
  11. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest laat na alle elementen te vermelden die de overtuiging van de appelrechters hebben bepaald; het kan zich niet beperken tot redenen die in een andere beslissing of een ander stuk voorkomen, zonder duidelijk op te geven wat daarin als motieven wordt beschouwd; het arrest, dat nochtans alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf moet vaststellen, verwijst voor de feiten en de vaststellingen volledig naar het beroepen vonnis, zonder zelf ook maar op enige wijze de belangrijkste feitelijke elementen vast te stellen; aldus belet het arrest het Hof zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen.
  13. Een appelrechter kan aan de op hem rustende motiveringsplicht voldoen door op ondubbelzinnige wijze de redenen van een beroepen vonnis over te nemen.
  14. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de strafrechter niet de verplichting om bij afwezigheid van een daartoe strekkende conclusie in zijn beslissing alle feitelijke en juridische elementen te vermelden die zijn overtuiging betreffende de schuld van een beklaagde hebben bepaald. De strafrechter voldoet aan de uit die grondwetsbepaling voortvloeiende motiveringsplicht indien hij vaststelt dat de beklaagde zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit en hij dit feit bewezen verklaart in de bewoordingen van de strafwet en dus opgave doet van de in de strafwet vermelde constitutieve bestanddelen. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor wat betreft de schuldigverklaring van een beklaagde bij afwezigheid van conclusie geen verdergaande motiveringsverplichting.
  15. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  16. Het arrest verklaart de eiser schuldig aan de feiten van de telastleggingen A, B1, B2, D1, zoals heromschreven, D2, E, G, H, J1, J2, J3, J5, J6, J7, L2, M1, M2 en N2, die telkens zijn omschreven in de bewoordingen van de strafwet en veroordeelt hem voor die feiten. Aldus is die beslissing, die het Hof niet belet zijn wettigheidstoezicht uit te oefenen, gemotiveerd in overeenstemming met artikel 149 Grondwet. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  17. Het middel voert schending aan van artikel 783, § 4, Gerechtelijk Wetboek: aangezien het proces-verbaal van de rechtszitting van 7 januari 2021, waarop de zaak in zijn geheel is behandeld, niet is ondertekend door de voorzitter en de griffier kan de regelmatigheid van de procedure niet worden gecontroleerd en moet het arrest bijgevolg worden vernietigd.
  18. Artikel 783, § 4, Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op het proces-verbaal van de rechtszitting dat in strafzaken wordt opgesteld.
  19. Het verzuim door de voorzitter en de griffier een proces-verbaal van de rechtszitting te ondertekenen leidt niet tot de nietigheid van de erop volgende rechtspleging en de beslissing die er een gevolg van is, indien het arrest zelf de vermeldingen bevat waaruit de regelmatigheid van de procedure blijkt.
  20. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  21. Het arrest (p. 22) stelt vast dat de zaak werd behandeld op de openbare rechtszitting van 7 januari 2021 en dat het hof van beroep daarbij het openbaar ministerie heeft gehoord in zijn uiteenzetting van de zaak en in zijn vordering, alsook de verweerders 1, 2, 3 en 9 en de eiser in hun middelen. Het arrest stelt ook vast dat op die openbare rechtszitting de verweerders 5 tot en met 8 niet zijn verschenen en dus verstek lieten en dat bepaalde burgerlijke partijen afstand hebben gedaan van geding. Die vermeldingen in het arrest laten toe te oordelen dat de procedure op de rechtszitting van 7 januari 2021 regelmatig is verlopen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  22. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Onmiddellijke aanhouding
  23. Door de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep, verkrijgt de beslissing op de strafvordering kracht van gewijsde. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen de beslissing waarbij de onmiddellijke aanhouding van de eiser is bevolen, heeft het geen bestaansreden meer. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 183,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 22 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210622.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150916.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.