id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.1 Rolnummer: F.19.0132.N Zaak: NV BECH contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht - Unierecht - Overige Invoerdatum: 2021-11-10 Raadplegingen: 1379 - laatst gezien 2026-06-18 15:42 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210625.1N.1 Fiche 1 De terugname door een vennootschap in België van voorheen in het buitenland geboekte waardeverminderingen, nadat de vennootschap haar maatschappelijke zetel van het buitenland naar België heeft verplaatst, moet worden beschouwd als een gerealiseerde meerwaarde in de zin van artikel 184ter, §2, tweede lid, WIB92
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VENNOOTSCHAPSBELASTING - Vaststelling van het belastbaar netto-inkomen - Allerlei Vrije woorden: Verplaatsing zetel van de vennootschap van het buitenland naar België - Terugname van in het buitenland geboekte waardevermindering - Kwalificatie Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 184ter - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 2 - 3 Het Hof stelt de hierna volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: “Wordt de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd door artikel 49 VWEU geschonden door een nationale regeling zoals hier aan de orde in die mate dat zij tot gevolg heeft dat een Luxemburgse vennootschap die in Luxemburg waardeverminderingen op aandelen boekt en deze waardeverminderingen weliswaar principieel in mindering van haar fiscaal resultaat brengt, maar niet daadwerkelijk van haar fiscaal resultaat kan aftrekken wegens het bestaan van een fiscale verliespositie, na verplaatsing van haar statutaire zetel naar België, op de terugname van die waardeverminderingen in België wordt belast, tenzij de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief worden geboekt, terwijl een Belgische vennootschap die in België waardeverminderingen op aandelen heeft geboekt, op de terugname van die waardeverminderingen niet wordt belast, op voorwaarde dat de waardeverminderingen voorheen niet in mindering van het Belgisch fiscaal resultaat werden gebracht, zonder dat de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief moeten worden geboekt?”
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - VERDRAGSBEPALINGEN - Grondslagen Vrije woorden: Vrijheid van vestiging - Overbrenging maatschappelijke zetel naar België - Terugname van in het buitenland geboekte waardevermindering - Regeling artikel 184ter, § 2, tweede lid samen met artikel 190 WIB92 - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 49 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 190 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Hof van Justitie van de Europese Unie - Aanleiding tot het stellen van een prejudiciële vraag - Vrijheid van vestiging - Overbrenging maatschappelijke zetel naar België - Terugname van in het buitenland geboekte waardevermindering - Regeling artikel 184ter, § 2, tweede lid samen met artikel 190 WIB92 - Verenigbaarheid Wettelijke bepalingen: Verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie - 25-03-1957 - Art. 49 - 01 Link Justel databank 19570325-01 Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 190 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.19.0132.N VP CAPITAL nv, voorheen BECH nv, met zetel te 2300 Turnhout, Parklaan 46 bus 201, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0812.302.447, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor 1000 Brussel, Regentschapsstraat 4, waar de eiseres woonplaats kiest, en mr. Svjatoslav Gnedasj, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1050 Elsene, Louizalaan 99, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest, in aanwezigheid van
- PRICEWATERHOUSECOOPERS BELASTINGADVISEURS nv, vennootschap naar Nederlands recht, met zetel 3065 WB Rotterdam (Nederland), Fascinatio Boulevard 350, vertegenwoordigd door mr. Philippe Hinnekens, advocaat bij de balie Brussel, met kantoor te 1000 Brussel, Wolstraat 70,
- ERNST & YOUNG TAX CONSULTANTS bv, met zetel te 1831 Diegem, De Kleetlaan 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0437.476.235,
- ERNST & YOUNG BEDRIJFSREVISOREN bv, met zetel te 1831 Diegem, De Kleetlaan 2, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0446.334.711, in bindend en gemeenverklaring opgeroepen partijen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 4 september
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 09 februari 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. FEITEN EN PROCEDUREVOORGAANDEN
- Uit het bestreden arrest blijken de volgende feitelijke gegevens: - de eiseres is een vennootschap die op 17 mei 1995 in Luxemburg werd opgericht en aanvankelijk ook haar maatschappelijke zetel in Luxemburg had; - de eiseres bezat een participatie van 100 pct. in de Nederlandse vennootschap VP Exploitatie met een aanschaffingswaarde van 249.011.513,99 euro; - in de loop van 2008 werden 60 aandelen van VP Exploitatie verkocht voor 7.001.260,93 euro en werd op de resterende participatie van de eiseres in VP Exploitatie een waardevermindering van 59.083.453,05 euro geboekt; - voordat de eiseres in 2009 haar statutaire zetel naar België verplaatste, boekte zij op haar aandelen in VP Exploitatie - in haar balans voor zetelverplaatsing per 30 april 2009 - een bijkomende waardevermindering van 26.339.800,00 euro; - de boekwaarde van de aandelen van de eiseres in VP Exploitatie bedroeg op 30 april 2009 aldus 156.587.000,00 euro; - de eiseres bezat daarnaast aandelen in ING, Fortis en Ackermans & van Haaren, waarop eveneens waardeverminderingen werden geboekt, voor een totaalbedrag van 1.685.993,00 euro per 30 april 2009; - de eiseres bracht de geboekte waardeverminderingen (voor een totaalbedrag van 87.109.246,05 euro) in Luxemburg in mindering van haar fiscaal resultaat. Mede ten gevolge van de waardeverminderingen beschikte de eiseres per 30 april 2009 in totaal over 89.587.962,96 euro aan fiscaal overdraagbare verliezen die in Luxemburg werden opgebouwd; - per 1 mei 2009 verplaatste de eiseres haar statutaire zetel naar België, zonder in Luxemburg een vaste inrichting te behouden waarbij de eiseres werd omgevormd naar een vennootschap naar Belgisch recht; - de zetelverplaatsing had uitwerking vanaf 1 mei 2009; - gelet op artikel 206, § 3, WIB92 was na zetelverplaatsing naar België de aftrek van de in Luxemburg opgebouwde fiscaal overdraagbare verliezen in België niet toegestaan; - na de zetelverplaatsing naar België nam de vennootschap in de loop van 2009 voor 43.478.500,00 euro aan waardeverminderingen op de aandelen in VP Exploitatie en voor 497.833,94 euro aan waardeverminderingen op de aandelen in ING, Fortis en Ackermans & van Haren terug; - op 30 september 2011 heeft de verweerder voor het aanslagjaar 2010 (boekjaar 1 mei 2009 tot en met 31 december 2009) aan de eiseres een bericht van wijziging van de aangifte in de vennootschapsbelasting gestuurd, waarin werd aangekondigd dat de verhoging van de begintoestand van de reserves in verband met de terugnames van de waardeverminderingen ongedaan zou worden gemaakt en de terugnames van de waardeverminderingen aldus zouden worden belast. De verweerder argumenteerde daartoe dat, vermits de waardeverminderingen in Luxemburg als beroepskost werden geboekt, de eiseres zich niet kan beroepen op het Belgisch vrijstellingsregime voor terugname van waardeverminderingen op aandelen voorzien in artikel 74 KB/WIB92, krachtens hetwelk de terugname van in het verleden geboekte waardeverminderingen op aandelen fiscaal slechts is vrijgesteld op voorwaarde dat de voorheen geboekte waardeverminderingen met toepassing van artikel 198, 7°, WIB92 niet als beroepskost werden afgetrokken; - de eiseres verklaarde zich niet akkoord; - de verweerder bleef bij zijn voornemen om te belasten en stuurde op 21 mei 2012 een vervangend bericht van wijziging; - de eiseres verklaarde zich opnieuw niet akkoord; - op 19 oktober 2012 verstuurde de verweerder een kennisgeving van beslissing tot taxatie, waarin de verweerder een andere motivering voorzag en hij met name stelde dat de terugname door de eiseres in België van de waardeverminderingen die voorheen in Luxemburg werden geboekt, niet als de terugname van een waardevermindering in de zin van artikel 74 KB/WIB92 dient te worden beschouwd, maar wel als een uitgedrukte maar niet-verwezenlijkte meerwaarde in de zin van artikel 24, eerste lid, 2°, WIB
- De verweerder verwees daartoe naar artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, krachtens hetwelk ingeval van de overbrenging naar België van de maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer door een buitenlandse vennootschap voor wat betreft de bestanddelen verbonden aan de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, worden vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting. Op grond van artikel 44, § 1, 1°, WIB92 is een uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarde vrijgesteld van belasting op voorwaarde dat aan de onaantastbaarheidsvoorwaarde van artikel 190, tweede lid, WIB92 is voldaan, hetgeen inhoudt dat de meerwaarde op een onbeschikbare rekening van het passief moet worden geboekt. Vermits de eiseres de door haar vanuit fiscaal oogpunt gerealiseerde meerwaarde of vanuit boekhoudkundig oogpunt: terugname van waardeverminderingen niet op een afzonderlijke passiefrekening had geboekte, was de verweerder van oordeel dat de terugname van de waardevermindering belastbaar is; - op 29 oktober 2012 vestigde de verweerder een supplementaire aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2010 voor een bedrag van 15.965.680,75 euro; - de eiseres diende daarop op 4 januari 2013 een bezwaarschrift in bij de gewestelijke directie van de verweerder. Er volgde een aanvullend bezwaarschrift op 22 april
- Zonder de beslissing over het bezwaarschrift af te wachten, stelde de eiseres bij verzoekschrift van 13 juni 2014 een fiscale voorziening in voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, waarbij zij de vernietiging van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2010 vorderde, minstens de ontheffing, met bevel tot terugbetaling van alle reeds betaalde bedragen, meer moratoriuminteresten. De eiseres voerde daarbij onder meer aan dat in de specifieke context van het geding zowel de regeling van artikel 74 KB/WIB92 juncto artikel 198, 7°, WIB92 als de regeling van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92 juncto de artikelen 24, eerste lid, 44, § 1, 1°, en 190, tweede lid, WIB92 de vrijheid van vestiging schendt.
- Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen van 6 januari 2016 werd de fiscale voorziening van de eiseres ontvankelijk maar ongegrond verklaard en werd de betwiste aanslag bevestigd.
- De eiseres heeft tegen dit vonnis hoger beroep aangetekend.
- Het hof van beroep te Antwerpen heeft in zijn arrest van 4 september 2018 dit hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond verklaard en het beroepen vonnis bevestigd. III. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan. IV. BESLISSING VAN HET HOF (...) Derde middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in zijn hier van toepassing zijnde versie, worden, ingeval van de overbrenging naar België van haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer door een buitenlandse vennootschap voor wat betreft de bestanddelen verbonden aan de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting. Krachtens artikel 184ter, § 2, zesde lid, WIB92, in zijn hier van toepassing zijnde versie, worden in de gevallen bedoeld in het eerste en het tweede lid, de minderwaarden, waardeverminderingen of afschrijvingen met betrekking tot de op het moment van de verrichting of de zetelverplaatsing in het buitenland gelegen bestanddelen evenwel slechts in aanmerking genomen voor zover deze leiden tot een fiscale nettowaarde die lager is dan de boekwaarde van deze bestanddelen op het ogenblik van de verrichting of de verplaatsing verminderd met het bedrag van de herwaarderingen van deze bestanddelen verricht vóór de zetelverplaatsing dat in het land van vestiging van de vennootschap vóór de zetelverplaatsing niet daadwerkelijk aan belasting werden onderworpen. Uit de samenhang van deze wetsbepalingen en uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 11 december 2008 houdende wijziging van het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 teneinde het in overeenstemming te brengen met de richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, gewijzigd bij de richtlijn 2005/19/EEG van de Raad van 17 februari 2005, waarbij artikel 184ter in het WIB92 werd ingevoegd, volgt dat de terugname door een vennootschap in België van voorheen in het buitenland geboekte waardeverminderingen, nadat de vennootschap haar maatschappelijke zetel van het buitenland naar België heeft verplaatst, moet worden beschouwd als een gerealiseerde meerwaarde in de zin van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB
- Het onderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Uit de feiten waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat: - de eiseres in 2008 in Luxemburg een waardevermindering van 59.083.453,05 euro boekte op haar aandelen in de Nederlandse vennootschap VP Exploitatie en vervolgens in 2009, vóór de verplaatsing van haar maatschappelijke zetel naar België nog een waardevermindering op diezelfde aandelen van 26.339.800,00 euro waardoor de boekwaarde van deze aandelen op 30 april 2009, daags voor de zetelverplaatsing naar België, 156.587.000,00 euro bedroeg; - in 2009, na de zetelverplaatsing naar België, voor 43.478.500,00 aan waardeverminderingen op voormelde aandelen werden teruggenomen; - in diezelfde periode voorheen geboekte waardeverminderingen op aandelen ING, Fortis en Ackermans & van Haaren werden teruggenomen voor een totaal bedrag van 497.833,94 euro.
- Het onderdeel dat is gebaseerd op de veronderstelling dat de verweerder activiteiten of verrichtingen van vóór de zetelverplaatsing naar België wil belasten, mist bijgevolg feitelijke grondslag. (...) Zesde middel Eerste tot elfde onderdeel samen
- Een Belgische vennootschap die waardeverminderingen op aandelen terugneemt, is onderworpen aan de regeling van de artikelen 198, 7°, WIB92 en 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB
- Op basis van artikel 198, 7°, WIB92, in de hier van toepassing zijnde versie, zijn waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen in de vennootschapsbelasting in principe niet als beroepskosten aftrekbaar. Aldus worden waardeverminderingen en minderwaarden op aandelen op het ogenblik dat zij worden geboekt, aan belastingen onderworpen. Daartegenover staat dat de latere terugname van die waardeverminderingen van belasting is vrijgesteld. Immers, op basis van artikel 74, eerste lid, KB/WIB92 wordt, om het aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen resultaat vast te stellen, het resultaat van het belastbare tijdperk volgens bestemming onderverdeeld in drie categorieën: 1° reserves; 2° verworpen uitgaven; 3° dividenden. Krachtens artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92 moet voor de toepassing van het eerste lid onder ‘reserves' het gereserveerde resultaat worden verstaan, verminderd met de krachtens de artikelen 182 en 521 WIB92 vrijgestelde meerwaarden op aandelen "en de tijdens het belastbare tijdperk teruggenomen waardeverminderingen op aandelen die voorheen krachtens artikel 198, 7°, WIB92 als verworpen uitgaven zijn belast, in zover die waardeverminderingen op het einde van het belastbaar tijdperk niet meer verantwoord zijn".
- Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel volgt dat een vennootschap die in het buitenland waardeverminderingen op aandelen boekt en die deze waardeverminderingen na zetelverplaatsing naar België terugneemt, wat de terugname van die waardeverminderingen in België betreft, niet onderworpen is aan artikel 74, tweede lid, 1°, derde streepje, KB/WIB92, maar wel aan artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB
- Krachtens artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in de hier van toepassing zijnde versie, worden, ingeval van de overbrenging naar België van haar maatschappelijke zetel, voornaamste inrichting of zetel van bestuur of beheer door een buitenlandse vennootschap voor wat betreft de bestanddelen verbonden aan de buitenlandse inrichtingen of de in het buitenland gelegen bestanddelen waarover deze vennootschap beschikt, de later gerealiseerde meerwaarden en minderwaarden wat deze activa betreft, vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij hebben op het ogenblik van de verrichting. Uit het antwoord op het eerste onderdeel van het derde middel volgt dat de terugname door een vennootschap in België van voorheen in het buitenland geboekte waardeverminderingen, nadat de vennootschap haar maatschappelijke zetel van het buitenland naar België heeft verplaatst, op fiscaal vlak als een "gerealiseerde meerwaarde" in de zin van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92 moet worden beschouwd, die moet worden vastgesteld uitgaande van de boekwaarde die zij op het ogenblik van de zetelverplaatsing had, ook al wordt de meerwaarde op dat ogenblik niet effectief verwezenlijkt of ontvangen. Aldus wordt de terugname van voorheen in het buitenland geboekte waardeverminderingen, nadat de vennootschap haar maatschappelijke zetel van het buitenland naar België heeft verplaatst, voor Belgische fiscale doeleinden als een uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarde in de zin van artikel 44, § 1, 1°, WIB92 beschouwd. Op basis van artikel 44, § 1, 1°, WIB92 zijn uitgedrukte maar niet verwezenlijkte meerwaarden, met uitsluiting van meerwaarden op voorraden en bestellingen in uitvoering, van belasting vrijgesteld. Evenwel zijn krachtens artikel 190, tweede lid, WIB92 de meerwaarden vermeld in artikel 44, § 1, 1°, WIB92 in de vennootschapsbelasting slechts van belasting vrijgesteld in zoverre zij op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt zijn en blijven en niet tot grondslag dienen voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning.
- De eiseres voert aan dat: - de onaantastbaarheidsvoorwaarde van artikel 190, tweede lid, WIB92 - waaraan een vennootschap die in het buitenland waardeverminderingen op aandelen heeft geboekt en die na zetelverplaatsing naar België die waardeverminderingen terugneemt, moet voldoen opdat die terugname belastingvrij zou zijn - tot gevolg heeft dat de betrokken fondsen noch het voorwerp mogen uitmaken van enigerlei uitkering of zelfs dotatie aan de wettelijke reserve, noch als basis of berekeningselement mogen dienen voor enige beloning of toekenning; - een dergelijke beperking voor een vennootschap die waardeverminderingen op aandelen buiten België heeft geboekt maar deze uiteindelijk noch in België noch in de vertrekstaat daadwerkelijk in mindering heeft kunnen brengen van haar fiscaal resultaat omwille van de verliespositie waarin zij verkeerde enerzijds en de onmogelijkheid om de verliezen naar België over te brengen anderzijds, een belemmering van de vrijheid van vestiging inhoudt in vergelijking met Belgische vennootschappen die waardeverminderingen onder het stelsel van de Belgische vennootschapsbelasting boeken en ze vervolgens zonder een dergelijke belemmering belastingvrij mogen terugnemen voor zover de waardeverminderingen voorheen niet in mindering van het fiscaal resultaat werden gebracht; - een dergelijke belemmering enkel kan worden verantwoord indien de situaties objectief niet vergelijkbaar zijn of op grond van dwingende redenen van algemeen belang, die bovendien doeltreffend en evenredig moeten worden nagestreefd, zijn gestaafd, hetgeen door het arrest op geen enkele wijze wordt vastgesteld zodat dit arrest de vrijheid van vestiging schendt.
- Uit de parlementaire voorbereiding van artikel 184ter, § 2, tweede lid, WIB92, in de versie zoals van toepassing op het geding, blijkt dat deze bepaling in geval van een zetelverplaatsing door een vennootschap tot doel heeft: - enerzijds een evenwichtige verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen staten te bewerkstelligen, door meerwaarden die verbonden zijn aan de periode vóór de zetelverplaatsing niet in België te belasten en meerwaarden die ontstaan zijn vanaf de zetelverplaatsing wel volledig aan de Belgische belastingregeling te onderwerpen; - anderzijds, wat aftrekbare afschrijvingen en minderwaarden betreft, te vermijden dat een zogenaamde ‘step up' wordt gecreëerd die leidt tot hogere aftrekken die ook in de bepaling van Belgische winst kunnen doorwerken.
- Het Hof van Justitie van de Europese Unie oordeelde in het arrest Aures Holdings van 27 februari 2020 (C-405/18) dat: - het Verdrag een vennootschap die onder artikel 54 VWEU valt, niet de garantie biedt dat de verplaatsing van haar feitelijke bestuurszetel van de ene naar de andere lidstaat fiscaal neutraal is; - gelet op de verschillen tussen de regelingen van de lidstaten ter zake, een dergelijke verplaatsing naargelang van het geval voor een vennootschap op het vlak van de belasting meer of minder voor- of nadelig kan uitvallen; - de vrijheid van vestiging immers niet aldus kan worden begrepen dat een lidstaat verplicht is zijn belastingregeling af te stemmen op die van een andere lidstaat, teneinde te waarborgen dat in alle situaties de belasting aldus wordt geheven dat alle verschillen als gevolg van de nationale belastingregelingen verdwijnen; - met betrekking tot een maatregel die in wezen beoogt de verdeling van de heffingsbevoegdheid tussen de lidstaten te handhaven en het gevaar van dubbele verliesverrekening te voorkomen, moet worden geoordeeld dat een in een lidstaat gevestigde vennootschap die daar verlies heeft geleden, zich in beginsel niet in een vergelijkbare situatie bevindt als een vennootschap die haar feitelijke bestuurszetel en dus haar fiscale woonplaats naar deze lidstaat heeft verplaatst na verliezen te hebben geleden in een belastingtijdvak waarin zij fiscaal ingezetene van een andere lidstaat was, zonder in de eerste lidstaat gevestigd te zijn, vermits de situatie van de vennootschap die overgaat tot een dergelijke verplaatsing achtereenvolgens onder de fiscale bevoegdheid van twee lidstaten valt, namelijk, enerzijds de lidstaat van herkomst voor het belastingtijdvak waarin de verliezen zijn ontstaan, en, anderzijds, de lidstaat van ontvangst voor het belastingtijdvak waarin de vennootschap om aftrek van die verliezen verzoekt; - de omstandigheid dat een vennootschap die haar fiscale woonplaats van de ene naar de andere lidstaat overbrengt, achtereenvolgens onder de fiscale bevoegdheid van twee lidstaten valt, bovendien kan resulteren in een verhoogd risico op dubbele verliesverrekening, aangezien een dergelijke vennootschap ertoe zou kunnen worden gebracht dezelfde verliezen bij de autoriteit van deze twee lidstaten op te voeren; - artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich niet verzet tegen een regeling van een lidstaat die uitsluit dat een vennootschap die haar feitelijke bestuurszetel en daarmee haar fiscale woonplaats naar deze lidstaat heeft verplaatst, een fiscaal verlies kan opvoeren dat zij vóór deze verplaatsing heeft geleden in een andere lidstaat, waar zij haar statutaire zetel behoudt.
- De vraag rijst of de leer van het arrest Aures Holdings, die betrekking heeft op een regel van nationaal recht krachtens dewelke de fiscale verliezen die een vennootschap in een lidstaat heeft opgebouwd, na verplaatsing van haar fiscale woonplaats naar een andere lidstaat, in laatstgenoemde lidstaat niet kunnen worden opgevoerd, ook kan worden toegepast op een nationale regeling zoals hier aan de orde en volgens dewelke de waardeverminderingen op aandelen die een vennootschap in een lidstaat heeft geboekt en die zij aldaar weliswaar principieel in mindering van haar fiscaal resultaat heeft gebracht, maar niet daadwerkelijk van haar fiscaal resultaat heeft kunnen aftrekken wegens het bestaan van een fiscale verliespositie, na verplaatsing van haar statutaire zetel naar een andere lidstaat, in laatstgenoemde lidstaat niet kunnen worden opgevoerd, tenzij de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief worden geboekt.
- Voorts oordeelde het Hof van Justitie van de Europese Unie in voormeld arrest dat de leer van de definitieve verliezen zoals ontwikkeld in het arrest Bevola en Jens W. Trock (C-650/16) - volgens dewelke ter zake van het verlies dat moet worden toegerekend aan een niet-ingezeten vaste inrichting die haar activiteiten heeft beëindigd en waarvan het verlies niet kon en niet meer kan worden afgetrokken van haar belastbare winst in de lidstaat waar zij haar activiteiten uitoefende, de situatie van een ingezeten vennootschap met een dergelijke vaste inrichting niet verschillend is van die van een ingezeten vennootschap met een ingezeten vaste inrichting, ten aanzien van de doelstelling van het voorkomen van dubbele aftrek van verlies, ook al zijn de situaties van deze twee vennootschappen in beginsel niet vergelijkbaar - niet kan worden toegepast in de situatie van een vennootschap die, na overbrenging van haar feitelijke bestuurszetel en daarmee van haar fiscale woonplaats van de lidstaat waar zij haar statutaire zetel heeft naar een andere lidstaat, in deze lidstaat verliezen wenst af te trekken die zij in de eerste lidstaat heeft geleden over een belastingtijdvak waarin deze eerste lidstaat als enige heffingsbevoegd was ten aanzien van de vennootschap. In haar antwoordnota op de conclusie van het Openbaar Ministerie voert de eiseres aan dat het arrest Aures Holdings van de vierde kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 februari 2020 (C-405/18) in strijd is met de rechtspraak van de grote kamer van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Bevola en Jens W. Trock van 12 juni 2018 (C-650/16).
- In het licht van het voorgaande dient aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de vraag te worden voorgelegd of de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd door artikel 49 VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich verzet tegen een nationale regeling zoals hier aan de orde krachtens dewelke een Luxemburgse vennootschap die in Luxemburg waardeverminderingen op aandelen boekt en deze waardeverminderingen weliswaar principieel in mindering van haar fiscaal resultaat brengt maar deze niet daadwerkelijk van haar fiscaal resultaat kan aftrekken wegens het bestaan van een fiscale verliespositie, na verplaatsing van haar statutaire zetel naar België, op de terugname van die waardeverminderingen in België wordt belast, tenzij de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief worden geboekt, terwijl een Belgische vennootschap die in België waardeverminderingen op aandelen heeft geboekt, op de terugname van die waardeverminderingen niet wordt belast, op voorwaarde dat de waardeverminderingen voorheen niet in mindering van het Belgisch fiscaal resultaat werden gebracht, zonder dat de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief moeten worden geboekt. Het Hof dient aldus, alvorens uitspraak te doen, overeenkomstig artikel 267 VWEU, aan het Hof van Justitie van de Europese Unie de in het dictum van dit arrest geformuleerde prejudiciële vraag te stellen. Overige grieven
- Het antwoord op de overige grieven wordt aangehouden tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan. Dictum Het Hof, Houdt iedere nadere uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie bij prejudiciële beslissing over de volgende vraag uitspraak zal hebben gedaan: "Wordt de vrijheid van vestiging zoals gewaarborgd door artikel 49 VWEU geschonden door een nationale regeling zoals hier aan de orde in die mate dat zij tot gevolg heeft dat een Luxemburgse vennootschap die in Luxemburg waardeverminderingen op aandelen boekt en deze waardeverminderingen weliswaar principieel in mindering van haar fiscaal resultaat brengt, maar niet daadwerkelijk van haar fiscaal resultaat kan aftrekken wegens het bestaan van een fiscale verliespositie, na verplaatsing van haar statutaire zetel naar België, op de terugname van die waardeverminderingen in België wordt belast, tenzij de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief worden geboekt, terwijl een Belgische vennootschap die in België waardeverminderingen op aandelen heeft geboekt, op de terugname van die waardeverminderingen niet wordt belast, op voorwaarde dat de waardeverminderingen voorheen niet in mindering van het Belgisch fiscaal resultaat werden gebracht, zonder dat de waardestijgingen die achter die terugname schuil gaan op een onbeschikbare rekening van het passief moeten worden geboekt?" Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, François Stévenart Meeûs en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.1 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210625.1N.1 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240620.1N.12 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div