id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.2 Rolnummer: F.20.0015.N Zaak: BELGISCHE STAAT fod Financiën c. BESTINVER INTERNACION Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-11-10 Raadplegingen: 1056 - laatst gezien 2026-06-16 04:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche De vordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid tegen de Belgische Staat verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de identiteit van de aansprakelijke; wanneer de aansprakelijkheid van de overheid het gevolg is van het uitvaardigen van een norm die een hogere norm schendt, staat de fout van de overheid vast op het ogenblik van de publicatie van de door haar uitgevaardigde norm en krijgt de benadeelde op dat ogenblik kennis van de identiteit van de aansprakelijke. Thesaurus CAS: VERJARING - BELASTINGZAKEN - Termijnen (Aard. Duur. Aanvang. Einde) Vrije woorden: Buitencontractuele aansprakelijkheidsvorderingen tegen de Staat - Verjaringstermijn - Aanvangspunt Wettelijke bepalingen: Gecoördineerde wetten 17 juli 1991 op de Rijkscomptabiliteit - 17-07-1991 - Art. 100 - 46 ELI link Pub nr 1991071751 Tekst van de beslissing Nr. F.20.0015.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de algemene administratie van de fiscaliteit, directe belastingen, in de persoon van de adviseur-gewestelijk directeur van de gewestelijke directie Brussel II vennootschappen-buitenland, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/b2429, eiser, vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest, tegen BESTINVER INTERNACIONAL FI, vennootschap naar Spaans recht, met zetel te 28014 Madrid (Spanje), Juan de Mena 8, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 19 juni
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 1 maart 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 100, eerste lid, 1°, Wet Rijkscomptabiliteit zijn verjaard en voorgoed ten voordele van de Staat vervallen, onverminderd de vervallenverklaringen ten gevolge van andere wettelijke, reglementaire of ter zake overeengekomen bepalingen, de schuldvorderingen, waarvan de op wettelijke of reglementaire wijze bepaalde overlegging niet geschied is binnen een termijn van vijf jaar te rekenen vanaf de eerste januari van het begrotingsjaar in de loop waarvan zij zijn ontstaan. Met de arresten nr. 153/2006 van 18 oktober 2006 en nr. 90/2007 van 20 juni 2007 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat deze wetsbepaling de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre zij ook voorziet in een vijfjarige verjaringstermijn voor vorderingen tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid van de overheid, wanneer de schade of de identiteit van de aansprakelijke pas na die termijn kunnen worden vastgesteld. Hieruit volgt dat de vordering tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid tegen de Belgische Staat verjaart door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de identiteit van de aansprakelijke.
- Een vordering op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid ontstaat op het ogenblik dat alle constitutieve bestanddelen van deze aansprakelijkheid verenigd zijn. Wanneer de aansprakelijkheid van de overheid het gevolg is van het uitvaardigen van een norm die een hogere norm schendt, staat de fout van de overheid vast op het ogenblik van de publicatie van de door haar uitgevaardigde norm en krijgt de benadeelde op dat ogenblik kennis van de identiteit van de aansprakelijke. De vaststelling in rechte van de schending van de hogere norm op een later tijdstip doet hieraan niet af.
- De appelrechters stellen vast dat: - op de dividenden die de verweerster uit Belgische aandelen ontving in de periode van 2004 tot en met 2012, 25 pct. roerende voorheffing werd ingehouden; - de verweerster op grond van het Dubbelbelastingverdrag België-Spanje genoot van een teruggave van 10 pct. van de betaalde roerende voorheffing; - de aan de bron afgehouden roerende voorheffing die Belgische beleggingsvennootschappen verschuldigd zijn op hun dividenden verrekenbaar is met de vennootschapsbelasting; - ook buitenlandse vennootschappen met een vaste inrichting in België konden genieten van een verrekening van de belasting van niet-inwoners; - het Hof van Justitie met zijn arrest C-387/11, Europese Commissie t. Koninkrijk België, van 25 oktober 2012 oordeelde: "door regels inzake de belasting op inkomsten uit kapitaal en roerende goederen te handhaven die verschillen naargelang deze inkomsten worden verkregen door ingezeten beleggingsvennootschappen of door niet-ingezeten beleggingsvennootschappen die geen vaste inrichting in België hebben, is het Koninkrijk België de verplichtingen niet nagekomen die op hem rusten krachtens de artikelen 49 VWEU en 63 VWEU alsook de artikelen 31 en 40 van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte van 2 mei 1992"; - volgens Circulaire nr. Ci.RH.233/623.711 van 4 maart 2013 de teruggave van de roerende voorheffing wordt toegestaan voor inhoudingen op dividenden die betaald werden tussen 1 januari 2007 en 31 december 2012 en volgens het addendum van 12 juni 2013 bij deze Circulaire op alle dividenden betaald of toegekend vanaf 12 juni
- De appelrechters oordelen, niet-bekritiseerd, dat: - de eiseres een fout heef begaan door het uitvaardigen van een wet in strijd met een hogere norm; - het bestaan van schade ingevolge deze fout werd verduidelijkt door het voormeld arrest van 25 oktober 2012 van het Hof van Justitie; - dit arrest werd gepubliceerd op 22 december 2012; - de verweerster van de fout en de schade niet eerder kennis kon nemen dan op 22 december
- De appelrechters die vaststellen dat de verweerster van de fout en de schade redelijkerwijze niet eerder kennis had kunnen nemen dan op 22 december 2012, dit is de datum waarop het arrest gepubliceerd werd in het officiële publicatieblad van de Europese Unie, en op die gronden oordelen dat de vordering van de verweerster niet verjaard is, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behoudens in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div