id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:
§ 3
, Btw-wetboek vormt de omzetting naar Belgisch recht van respectievelijk artikel 43 en artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde.
- Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat: - artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG een hele reeks specifieke aanknopingspunten vermeldt, terwijl artikel 43 dienaangaande een algemene regel stelt, en bijgevolg voor elke situatie de vraag dient te worden gesteld of deze valt onder een van de in artikel 9, tweede lid, genoemde gevallen; zo niet, dan is het eerste lid van dit artikel van toepassing; - artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG geen betrekking heeft op beroepen, zoals het beroep van advocaat, raadgever, accountant of ingenieur, maar op diensten; de Uniewetgever vermeldt de in deze bepaling genoemde beroepen om de daarin bedoelde categorieën van diensten te omschrijven; - de woorden ‘andere soortgelijke diensten’ in artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG niet verwijzen naar enig element dat de in artikel 56, eerste lid, c), Richtlijn 2006/112/EG genoemde ongelijksoortige activiteiten gemeen zouden hebben, maar naar diensten die soortgelijk zijn aan elk van deze activiteiten, afzonderlijk beschouwd; een dienst is dan soortgelijk aan een van de in dit artikel genoemde activiteiten, wanneer beide hetzelfde doel hebben.
- Aldus is, opdat diensten van management van een vennootschap in aanmerking zouden komen als diensten die vallen onder de algemene plaatsbepalingsregel van artikel 21, § 2, Btw-wetboek, enkel vereist dat het gaat om algemene managementdiensten die niet louter als specifieke diensten van informatieverwerking en -verschaffing in de zin van artikel 21, § 3, 7°, d), Btw-wetboek in aanmerking komen. Het is niet vereist dat wordt aangetoond dat het gaat om management als zaakvoerder of statutair beheerder of management krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de vennootschap op te leggen.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de eiser onterecht aanhaalt dat de verweerster niet zou hebben aangetoond dat de haar geleverde diensten algemene diensten in de zin van artikel 21, § 2, Btw-wetboek zijn waarvoor als plaatsbepaling België geldt; - de eiser onterecht en zonder dit te bewijzen aanvoert dat de verstrekte diensten beperkt zouden moeten worden tot die bedoeld in artikel 21, § 3, 7°, d), Btw-wetboek, die specifiek verstrekte diensten van adviesverlening en dergelijke, verleend door specifieke beroepsgroepen, betreffen; - het daarentegen is aangetoond dat het gaat om algemene managementdiensten, waarvoor de plaatsbepaling van de dienst overeenkomstig artikel 21, § 2, Btw-wetboek kan worden gedaan; - de eiseres onterecht aanhaalt dat opdat deze plaatsbepalingsregel kan worden toegepast, moet zijn aangetoond dat het gaat om management als zaakvoerder of statutair beheerder of management krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de vennootschap op te leggen en de eiseres, door in deze zaak aldus de inhoud van artikel 21, § 2, Btw-wetboek te beperken tot een management in dergelijke omstandigheden, onterecht een voorwaarde aan die plaatsbepalingsregel toevoegt; - tussen de verweerster en haar dienstverstrekker trouwens een zogenaamde ‘deed of assignment of management agreement’ bestond, waaruit blijkt dat de dienstverrichter een algemene vorm van management, bedoeld in artikel 21, § 2, Btw-wetboek in hoofde van de verweerster waarnam. Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht.
- In zoverre het middel schending van de artikelen 21, §
§ 3
, 7°, d), Btw-wetboek aanvoert, doordat de appelrechters niet vaststellen dat er managementdiensten werden verricht als zaakvoerder of statutair beheerder of dat er diensten van management werden verricht krachtens een overeenkomst waardoor de manager over de mogelijkheid beschikt zijn beleidslijnen aan de vennootschap op te leggen, kan het niet worden aangenomen. 10. Wanneer een dienstverrichting uit een reeks van elementen bestaat, dient, teneinde de plaats van die dienst overeenkomstig artikel 21, §
§ 3
, Btw-wetboek te bepalen, op basis van alle omstandigheden waarin de betrokken dienst zich heeft voltrokken, te worden nagegaan of het om twee of meer afzonderlijke diensten dan wel om één enkele dienst gaat. Wanneer er sprake is van één enkele dienst, moet de plaats van de dienstverrichting worden bepaald in functie van het hoofdelement.
- De appelrechters die vaststellen en oordelen dat de dienstverrichter ten bate van de verweerster een algemene vorm van management verrichtte, verantwoorden hun beslissing naar recht.
- In zoverre het middel schending van de artikelen 21, §
§ 3
, 7°, d), Btw-wetboek aanvoert, doordat de appelrechters niet uitsluiten dat er in het kader van die algemene managementdiensten ook werk van intellectuele aard zou zijn verricht, kan het niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor eiser op 188,84 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué, en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 juni 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210625.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210625.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div