id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:
Art. 99bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: EUROPESE UNIE - ALLERLEI Vrije woorden: Kaderbesluit 2008/675/JBZ - Wet 25 april 2014 tot omzetting van het kaderbesluit - Artikel 99bis, eerste lid, Strafwetboek - Wijze waarop rekening wordt gehouden met de in andere staten door strafgerechten uitgesproken veroordelingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 99bis
, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Vrije woorden: Kaderbesluiten 2009/315/JBZ en 2009/316/JBZ - Organisatie en inhoud van de uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen lidstaten en oprichting van het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS) - Artikel 99bis, eerste lid, Strafwetboek - Wijze waarop rekening wordt gehouden met de in andere staten door strafgerechten uitgesproken veroordelingen - Draagwijdte Wettelijke bepalingen:
Art. 99bis, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr.
P.21.0328.N E. R., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Walter Damen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2600 Antwerpen (Berchem), Elisabethlaan 122, waar de eiser woonplaats kiest, tegen ORDINA BELGIUM nv, met zetel te 2800 Mechelen, Blarenberglaan 3B, burgerlijke partij, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 11 februari
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 3 van het Kaderbesluit 2008/675/JBZ van de Raad van 24 juli 2008 betreffende de wijze waarop bij een nieuwe strafrechtelijke procedure rekening wordt gehouden met veroordelingen in andere lidstaten van de Europese Unie (hierna Kaderbesluit 2008/675/JBZ): het arrest houdt rekening met het gegeven dat de eiser bij de Nederlandse gerechtelijke autoriteiten gekend is wegens diverse misdrijven, zoals blijkt uit een Ecris-bevraging die door het openbaar ministerie werd neergelegd op de rechtszitting van 14 januari 2021; de eiser heeft aangevoerd op de openbare rechtszitting dat er in Nederland bewaartermijnen worden gehanteerd en dat in tegenstelling tot België een strafblad niet levenslang wordt bewaard; het arrest toetst evenwel op geen enkele wijze of deze veroordelingen niet reeds van het strafblad van de eiser in Nederland verwijderd zijn en of in Nederland met eisers strafrechtelijk verleden kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de strafmaat; er kunnen immers volgens het Kaderbesluit 2008/675/JBZ geen rechtsgevolgen worden verbonden aan eerdere veroordelingen als dit in het land van oorsprong ook niet langer kan.
- Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser met verwijzing naar artikel 3 Kaderbesluit 2008/675/JBZ enkel heeft aangevoerd dat er geen rekening mag worden gehouden met de voorgaande Nederlandse veroordelingen van de eiser. In zoverre het middel aanvoert dat de eiser ook een ander verweer heeft gevoerd betreffende de rechtsgevolgen van de Nederlandse veroordelingen van de eiser, mist het feitelijke grondslag.
- Artikel 3.1 Kaderbesluit 2008/675/JBZ bepaalt: "Elke lidstaat zorgt ervoor dat in een strafrechtelijke procedure tegen een persoon rekening wordt gehouden met in andere lidstaten tegen de betrokkene uitgesproken, eerdere veroordelingen wegens andere feiten, waarover krachtens de geldende rechtsinstrumenten inzake wederzijdse rechtsbijstand of inzake de uitwisseling van gegevens uit het strafregister informatie is verkregen, zulks voor zover in de lidstaat zelf met eerdere veroordelingen rekening wordt gehouden, en dat aan die andere lidstaten uitgesproken eerdere veroordelingen rechtsgevolgen worden verbonden, gelijkwaardig aan die welke de nationale wetgeving verbindt aan eerdere veroordelingen in de lidstaat zelf."
- Titel 8 van de wet van 25 april 2014 houdende diverse bepalingen betreffende Justitie heeft het Kaderbesluit 2008/675/JBZ omgezet in het Belgische recht.
- In boek I van het Strafwetboek werd door artikel 61 van deze wet van 25 april 2014 een hoofdstuk XI ingevoegd met als opschrift "Wijze waarop rekening wordt gehouden met de in andere staten door strafgerechten uitgesproken veroordelingen". Artikel 99bis, eerste lid, Strafwetboek, zoals ingevoegd door artikel 62 van deze wet van 25 april 2014 bepaalt: "De veroordelingen uitgesproken door de strafgerechten van een andere lidstaat van de Europese Unie worden in aanmerking genomen onder dezelfde voorwaarden als de veroordelingen uitgesproken door de Belgische strafgerechten en hebben dezelfde rechtsgevolgen als deze veroordelingen."
- Met het Kaderbesluit 2009/315/JBZ van 26 februari 2009 van de Raad betreffende de organisatie en de inhoud van uitwisseling van gegevens uit het strafregister tussen de lidstaten en het Kaderbesluit 2009/316/JBZ van 6 april 2009 betreffende de oprichting van het Europees Strafregister Informatiesysteem (ECRIS) overeenkomstig artikel 11 van Kaderbesluit 2009/315/JBZ werd het Europees Strafregisterinformatiesysteem (Ecris) gecreëerd voor de uitwisseling van gegevens over veroordelingen tussen de lidstaten.
- Uit artikel 99bis, eerste lid, Strafwetboek, samen gelezen met de voormelde Kaderbesluiten, volgt niet dat een Belgische strafrechter die bij de straftoemeting rekening houdt met Nederlandse veroordelingen die blijken uit een Ecris-bevraging, uitdrukkelijk moet vaststellen dat die veroordelingen overeenkomstig het Nederlandse recht in aanmerking mogen worden genomen bij de straftoemeting. Hij is daartoe enkel verplicht indien de beklaagde daarover een verweer heeft gevoerd. Bij afwezigheid van een dergelijk verweer volgt uit het louter in aanmerking nemen door de Belgische strafrechter van de Nederlandse veroordelingen bij de straftoemeting dat hij van oordeel is dat die veroordelingen ook in Nederland bij de straftoemeting in aanmerking hadden mogen worden genomen. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Tweede middel
- Het middel voert miskenning aan van het recht van verdediging: het arrest oordeelt dat het onderzoek correct werd gevoerd, terwijl de appelrechters niet over alle elementen beschikten om een correcte beoordeling van de zaak te kunnen maken.
- Het middel dat geheel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door de rechter of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Ilse Couwenberg en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 29 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div