id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.6 Rolnummer: P.21.0449.N Zaak: V. contra IVERLEK C.V.B.A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-07-07 Raadplegingen: 438 - laatst gezien 2026-06-16 04:22 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 3 De uit artikel 6.1 EVRM afgeleide verplichting voor de strafrechter om, ongeacht of er een conclusie is ingediend, de voornaamste redenen op te geven ter verantwoording van zijn beslissing over de schuld of de onschuld van een vervolgde persoon geldt enkel met betrekking tot de beslissing op de strafvordering en geldt niet voor de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Beslissing over de burgerlijke rechtsvordering - Opgave van de voornaamste redenen ter verantwoording van de beslissing over schuld of onschuld - Grens Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Opgave van de voornaamste redenen ter verantwoording van de beslissing over schuld of onschuld - Beslissing op de burgerlijke rechtsvordering - Draagwijdte Thesaurus CAS: BURGERLIJKE RECHTSVORDERING Vrije woorden: Beslissing - Motivering - Opgave van de voornaamste redenen ter verantwoording van de beslissing over schuld of onschuld - Grens Tekst van de beslissing Nr. P.21.0449.N I N. J. C. V. D., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Joachim Meese, advocaat bij de balie Gent, tegen IVERLEK cv, met zetel te 3012 Wilsele, Aarschotsesteenweg 58, burgerlijke partij, verweerster. II K. G., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Xavier Potvin, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep I is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Brussel, correctionele kamer, van 30 juli 2019, 23 december 2019 en 24 februari 2021 (hierna eindarrest). Het cassatieberoep II is gericht tegen het eindarrest. De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. De eiser II voert geen middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen
- Het cassatieberoep II is aangetekend ter griffie van het hof van beroep op dinsdag 16 maart 2021 tegen het op tegenspraak gewezen eindarrest van 24 februari 2021, dit is buiten de in artikel 423 Wetboek van Strafvordering bepaalde termijn van 15 dagen. Het cassatieberoep II is bijgevolg niet ontvankelijk.
- Het arrest verklaart de telastleggingen B.2, C.1, C.2, C.3, C.4, C.5 (wat di-ethylether betreft) en C.6 zonder voorwerp. Het spreekt de eiser I vrij van de telastleggingen B.1 en D.2 voor de helft van de vermelde cannabisplanten en opbrengst en voor de tweede kweekcyclus. In zoverre tegen die beslissingen gericht, is het cassatieberoep I, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk. Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering: het eindarrest maakt geen melding van de voornaamste elementen op grond waarvan het de eiser I schuldig verklaart aan de diefstal van elektriciteit; hiertoe volstaat niet de enkele vaststelling dat hij het pand waarin deze elektriciteit werd afgetakt ter beschikking stelde van de andere beklaagden in de wetenschap dat die laatsten een cannabisplantage erin zouden opzetten; het eindarrest preciseert wel dat de eiser I wist dat deze feiten zouden worden en werden gepleegd, maar verduidelijkt niet op grond van welke voornaamste reden het tot die vaststelling komt.
- Het arrest veroordeelt de eiser I wegens de feiten van de telastleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, A.7, A.8, A.9, A.10, C.5 (beperkt), D.1, D.2 (beperkt), E.1, E.2, F.1, F.2 en F.3 tot één straf. Het middel bekritiseert enkel de schuldigverklaring van de eiser I aan de feiten van de telastleggingen F.1 en F.
- De aan de eiser I opgelegde bestraffing is naar recht verantwoord door zijn schuldigverklaring aan de feiten van de overige telastleggingen. In zoverre het middel betrekking heeft op de beslissing op de strafvordering, is het niet ontvankelijk.
- De uit artikel 6.1 EVRM afgeleide verplichting voor de strafrechter om, ongeacht of er een conclusie is ingediend, de voornaamste redenen op te geven ter verantwoording van zijn beslissing over de schuld of de onschuld van een vervolgde persoon geldt enkel met betrekking tot de beslissing op de strafvordering. Ze geldt niet voor de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Artikel 195, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, dat overeenkomstig artikel 211 Wetboek van Strafvordering van toepassing is op de hoven van beroep, bepaalt dat elk veroordelend vonnis de feiten vermeldt waaraan een beklaagde schuldig of aansprakelijk wordt verklaard, alsook de burgerlijke veroordelingen. Die bepaling bevat voor de strafrechter met betrekking tot de schuldigverklaring van een beklaagde en de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering geen verdergaande motiveringsplicht. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- In zijn appelconclusie heeft de eiser I aangevoerd dat hij enkel de verhuurder was van de lokalen en niet heeft deelgenomen aan de uiteindelijke uitbouw van de cannabisplantages, zodat hij ook niet betrokken was bij de diefstal van water en elektriciteit die enkel ten laste kan worden gelegd van de huurders.
- Het eindarrest oordeelt dat de eiser I wist dat de ter beschikking gestelde panden zouden worden gebruikt om een cannabisplantage op te starten en dat hij wetens en willens heeft meegewerkt aan het inrichten en het exploiteren van de cannabisplantage en aldus noodzakelijke hulp heeft verleend aan en bij het opzetten en het exploiteren van de cannabisplantage. Aldus beantwoordt het eindarrest het in de appelconclusie aangevoerde verweer. In zoverre het middel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet betreffende de beslissing op de burgerlijke rechtsvordering, mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 340,51 euro, waarvan de eiser I 228,00 euro is verschuldigd, en de eiser II 112,51 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div