← België

PROCUREUR DES KONINGS ANTWERPEN contra C.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 29 juni 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.7 Rolnummer: P.21.0476.N Zaak: PROCUREUR DES KONINGS ANTWERPEN contra C. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-07-07 Raadplegingen: 567 - laatst gezien 2026-06-16 02:29 Versie(s): Vertaling FR Fiche Uit de bepaling van artikel 1, § 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, blijkt dat de sluiting van handelszaken en winkels niet geldt voor dierenvoedingswinkels; die uitzondering is van toepassing op handelszaken en winkels voor dierenvoeding, zonder dat de uitzondering wordt beperkt tot de bedrijvigheid die betrekking heeft op dierenvoeding

(1).
(1)De feiten werden gepleegd op 21 maart 2020 zodat het ministerieel besluit van 18 maart 2020 van toepassing was. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - UITLEGGING Vrije woorden: Ministerieel Besluit van 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken - Algemene sluiting handelszaken en winkels - Uitzondering - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.21.0476.N PROCUREUR DES KONINGS BIJ DE RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG ANTWERPEN, afdeling Antwerpen, eiser, tegen M. C., beklaagde, verweerder, met als raadslieden mr. Patrick Waeterinckx en mr. Joost Huysmans, advocaten bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 8 maart
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Steven Van Overbeke heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 1, § 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, alsook miskenning van het legaliteitsbeginsel: met het oordeel dat verweerders handelszaak, ook al was deze op het ogenblik van de vaststellingen geopend voor de afhaling van honden, moet worden beschouwd als een dierenvoedingswinkel, verantwoordt het bestreden vonnis de vrijspraak van de verweerder niet naar recht; de verweerder mocht uitsluitend zijn bijkomende bedrijvigheid als dierenvoedingswinkel uitoefenen maar niet zijn hoofdbedrijvigheid, bestaande in de verkoop van puppy’s; de appelrechters breiden aldus de uitzondering op de in het ministerieel besluit van 18 maart 2020 bepaalde algemene sluiting van de handelszaken en de winkels uit.
  3. Artikel 1, § 1, eerste lid, van het ministerieel besluit van 18 maart 2020 houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken, zoals hier van toepassing, bepaalt: “De handelszaken en de winkels zijn gesloten, met uitzondering van: - de voedingswinkels, met inbegrip van nachtwinkels; - de dierenvoedingswinkels; - de apotheken; - de krantenwinkels; - de tankstations en de leveranciers van brandstoffen; - de kappers, die slechts één klant per keer mogen ontvangen in de zaak en dit op afspraak.”
  4. Uit de voormelde bepaling blijkt dat de sluiting van handelszaken en winkels niet geldt voor dierenvoedingswinkels. Die uitzondering is van toepassing op handelszaken en winkels voor dierenvoeding, zonder dat de uitzondering wordt beperkt tot de bedrijvigheid die betrekking heeft op dierenvoeding. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  5. In zoverre het middel aanvoert dat de hoofdbedrijvigheid van de verweerder bestaat in de verkoop van puppy’s, die niet onder de uitzondering valt, en de bijkomende bedrijvigheid in dierenvoeding, verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is en is het niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
  6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Laat de kosten ten laste van de Staat. Bepaalt de kosten op 29,21 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Ilse Couwenberg en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 29 juni 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210629.2N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.