← België

A.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210714.VAK.5 Rolnummer: P.21.0905.N Zaak: A. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-07-15 Raadplegingen: 871 - laatst gezien 2026-06-18 21:50 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Met het oog op een goede rechtsbedeling kan het wenselijk zijn meerdere gerechtelijke onderzoeken te centraliseren bij eenzelfde onderzoeksrechter; in zoverre deze onderzoeken worden gevoerd door meerdere onderzoeksrechters binnen eenzelfde rechtbank van eerste aanleg wordt niet vereist dat dergelijke centralisatie enkel kan plaatsvinden door een beschikking van de raadkamer

(1).
(1)R. Declercq, Onderzoeksgerechten, APR, 1993, nr. 346; R. Verstraeten, Handboek strafvordering, Antwerpen, Maklu, 2012, nr. 800 en M-A Beernaert, H. D. Bosly, D. Vandermeersch, Droit de la procédure pénale, Brussel, La Charte, 2021, p.
  1. Thesaurus CAS: ONDERZOEK IN STRAFZAKEN - GERECHTELIJK ONDERZOEK - Algemeen Vrije woorden: Centraliseren van meerdere gerechtelijke onderzoeken bij eenzelfde onderzoeksrechter - Onderzoeksrechters binnen eenzelfde rechtbank - Centraliseren door een beschikking van de voorzitter - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61 en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSRECHTER Vrije woorden: Centraliseren van meerdere gerechtelijke onderzoeken bij eenzelfde onderzoeksrechter - Onderzoeksrechters binnen eenzelfde rechtbank - Centraliseren door een beschikking van de voorzitter - Wettigheid Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 61 en 127 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0905.N L. C. A., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Hugo Vandenberghe, advocaat bij de balie Brussel, en mr. Robby Loos, advocaat bij de balie Limburg. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 juni
  2. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
  3. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5 en 7 EVRM, de artikelen 12, tweede lid, 14, 149 en 159 Grondwet, de artikelen 47 en volgende en 61 en volgende in verband met het saisinerecht van de onderzoeksrechter, 127 tot en met 134 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 23 en 30 Voorlopige Hechteniswet, alsook miskenning van het algemeen legaliteitsbeginsel en de algemene rechtsbeginselen van normenhiërarchie en van de primauteit van het internationaal recht: het arrest beoordeelt de handhaving van eisers voorlopige hechtenis mede op grond van EncroChat en Sky-gegevens die afkomstig zijn uit het gerechtelijk onderzoek van onderzoeksrechter R. lastens onbekenden; nochtans was onderzoeksrechter M. reeds eerder gelast met het onderzoek naar dezelfde feiten waarvan de eiser wordt verdacht; op vordering van het openbaar ministerie en louter op basis van het rechtbankreglement gelastte de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg later onderzoeksrechter M. ook met de feiten die reeds door onderzoeksrechter R. werden onderzocht; de beëindiging van de saisine van onderzoeksrechter R. kon evenwel enkel door de raadkamer gebeuren; de appelrechters hebben nagelaten de wettelijkheid van die procedure te beoordelen en konden bijgevolg geen acht slaan op de bewijsstukken die afkomstig zijn uit het gerechtelijk onderzoek van onderzoeksrechter R.; bovendien laten zij eisers daarover in appelconclusie aangevoerde verweer onbeantwoord.
  4. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van wetsbepalingen die het enkel aanduidt met "en volgende", is het onduidelijk en bijgevolg niet ontvankelijk.
  5. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg en de beslissing van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van 23 februari 2021 en bijgevolg niet tegen het arrest, is het evenmin ontvankelijk.
  6. In zoverre het onderdeel verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het andermaal niet ontvankelijk.
  7. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis.
  8. Met het oog op een goede rechtsbedeling kan het wenselijk zijn meerdere gerechtelijke onderzoeken te centraliseren bij eenzelfde onderzoeksrechter. In zoverre deze onderzoeken worden gevoerd door meerdere onderzoeksrechters binnen eenzelfde rechtbank van eerste aanleg vereisen de in het onderdeel als geschonden aangevoerde bepalingen en beginselen noch enige andere bepaling of enig algemeen rechtsbeginsel dat dergelijke centralisatie enkel kan plaatsvinden door een beschikking van de raadkamer.
  9. In zoverre het onderdeel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  10. Het arrest dat de handhaving van eisers voorlopige hechtenis mede beoordeelt op grond van gegevens die afkomstig zijn uit het gerechtelijk onderzoek van onderzoeksrechter R., verantwoordt zijn beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
  11. Met de redenen die het arrest vermeldt en die het onderdeel aanhaalt, beantwoorden de appelrechters het bedoelde verweer. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  12. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 5.1, 5.4, 6.1, 7, 8 en 10 EVRM, de artikelen 12, tweede lid, 14, 149 en 159 Grondwet en de artikelen 23, 4°, en 30, § 1 en § 4, Voorlopige Hechteniswet, alsmede miskenning van het legaliteitsbeginsel in strafzaken en de algemene rechtsbeginselen van de primauteit van het internationaal recht, het recht van verdediging en de wapengelijkheid: het arrest beantwoordt niet eisers in appelconclusie aangevoerde verweer dat de ingeroepen EncroChat-gegevens niet werden verzameld binnen een wettelijke procedure en binnen een afdoend wettelijk kader, waardoor deze niet als een beslissende motivering voor de handhaving van zijn voorlopige hechtenis kunnen worden aangewend; dergelijke onregelmatigheid kan niet louter worden aangenomen op grond van de verklaring van het openbaar ministerie en het ingeroepen geheim van het onderzoek.
  13. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis. Hetzelfde geldt in de regel voor artikel 6.1 EVRM. De regel van de wapengelijkheid is als dusdanig geen algemeen rechtsbeginsel, maar vloeit voort uit het beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging en van het recht op een eerlijk proces. In zoverre het onderdeel schending van die bepalingen en miskenning van die regel aanvoert, faalt het naar recht.
  14. Het onderzoeksgerecht dat bij de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis moet beslissen binnen een korte termijn, moet niet tot in de bijzonderheden een verweer van de inverdenkinggestelde beantwoorden. Dat geldt ook voor het verweer dat een onregelmatigheid aanvoert. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
  15. Wanneer een inverdenkinggestelde de nietigheid van een onderzoekverrichting of van een ingezameld element en de daaruit voortvloeiende rechtspleging aanvoert om het bestaan te betwisten van ernstige aanwijzingen van schuld die de voorlopige hechtenis rechtvaardigen, dient het onderzoeksgerecht dat niet optreedt met toepassing van artikel 235bis Wetboek van Strafvordering, enkel een prima facie onderzoek van de opgeworpen onregelmatigheid uit te voeren.
  16. In antwoord op het verweer van de eiser dat het openbaar ministerie geen wettelijke grondslag kan inroepen voor het gebruik van de EncroChat-gegevens, oordeelt het arrest dat er geen redenen zijn om te twijfelen aan de regelmatigheid van die gegevens en dat het geheim karakter van het betreffend onderzoek nog kan worden ingeroepen om nog niet alle voorhanden informatie aan de eiser kenbaar te maken. Met die redenen beantwoordt het arrest eisers verweer op dit punt en verantwoordt het de beslissing naar recht. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, en de raadsheren Sidney Berneman, François Stévenart Meeûs, Marielle Moris en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 14 juli 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210714.VAK.5 Gerelateerde publicatie(s) zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220614.2N.14 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.