id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 20 juli 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210720.VAK.9 Rolnummer: P.21.0936.N Zaak: H. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-08-02 Raadplegingen: 500 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche De in artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde weigeringsgrond berust op het non-bis in idem ¬beginsel dat verband houdt met het beëindigen van het strafvervolging; een beslissing waarbij de gerechtelijke autoriteit van een aangezochte lidstaat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigert, is geen beslissing die de strafvervolging beëindigt en is bijgevolg geen definitieve beslissing zoals bedoeld in artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Weigeringsgrond - Non bis in idem Beginsel - Weigering - Beslissing - Aard van de beslissing - Gevolgen Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 2° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0936.N A. H., , alias A. H., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 6 juli 2021, gewezen na verwijzing ingevolge arrest van dit Hof van 22 juni
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sidney Berneman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Philippe de Koster heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 15.2 Kaderbesluit Europees Aanhoudingsbevel en de artikelen 4, 2°, en 15 Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het ne bis in idem-beginsel: de Deense autoriteiten hebben reeds voor dezelfde feiten als deze die het voorwerp uitmaken van het Europees aanhoudingsbevel van 16 maart 2021, een aanhoudingsbevel uitgevaardigd waarvan de tenuitvoerlegging door de Spaanse autoriteiten werd geweigerd; er bestaat bijgevolg een definitieve beslissing die de latere instelling van vervolging belet; de precaire situatie waarin de eiser zich bevindt, belet hem het definitief vonnis naar voren te brengen, reden waarom aan het openbaar ministerie werd gevraagd de relevante en dienstige gegevens te verzamelen; de appelrechters laten ook na de nodige bijkomende gegevens te verzoeken teneinde zich in staat te stellen een beslissing te nemen; door het weigeren van aanvullende gegevens te verzoeken aan de uitvaardigende staat is een eerlijk proces uitgesloten.
- Artikel 6 EVRM is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel. In zoverre faalt het onderdeel naar recht.
- Artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalt: "De tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel wordt in de volgende gevallen geweigerd: (...) 2° ingeval uit de gegevens waarover de rechter beschikt, blijkt dat in België of in een andere lid-Staat ten aanzien van de gezochte persoon wegens dezelfde feiten een definitief vonnis is uitgesproken, op voorwaarde dat in geval van veroordeling, de straf is ondergaan, thans ten uitvoer wordt gelegd of krachtens de wetgeving van die lid-Staat niet meer ten uitvoer kan worden gelegd, of ingeval ten aanzien van de betrokken persoon in België of in een andere lidstaat wegens dezelfde feiten een andere definitieve beslissing is genomen die de latere instelling van vervolging belet."
- De in artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde weigeringsgrond berust op het non bis in idem-beginsel dat verband houdt met het beëindigen van de strafvordering. Dit beginsel houdt in dat een persoon die bij onherroepelijk vonnis is berecht, niet wegens dezelfde feiten opnieuw kan worden vervolgd. Een beslissing waarbij de gerechtelijke autoriteit van een aangezochte lidstaat de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel weigert, is geen beslissing die de strafvervolging beëindigt en is bijgevolg geen definitieve beslissing zoals bedoeld in artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel. Het onderdeel dat geheel van het tegendeel uitgaat, berust in zoverre op een onjuiste rechtsopvatting en faalt zodoende naar recht.
- Uit artikel 15 Wet Europees Aanhoudingsbevel volgt dat de rechter aan de uitvaaardigende staat kan vragen om met spoed bijkomende gegevens te bezorgen indien hij van oordeel is dat de verstrekte gegevens ontoereikend zijn. Hij kan een uiterste datum vaststellen rekening houdende met de termijn bepaald in artikel 16, §
- Wanneer de betrokkene de in artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bepaalde weigeringsgrond inroept, beoordeelt de rechter de toereikendheid van de door de uitvaardigende staat verstrekte gegevens ook in het licht van de door de betrokkene aangevoerde omstandige gegevens. Deze moeten voldoende aannemelijk maken dat hij voor dezelfde feiten als deze die het voorwerp uitmaken van het Europees aanhoudingsbevel onherroepelijk werd berecht of, in geval van veroordeling, zijn straf heeft ondergaan dan wel de strafvervolging in de uitvaardigende of de uitvoerende staat ingevolge een andere beslissing niet meer kan worden ingesteld.
- Het arrest oordeelt met betrekking tot de aangevoerde weigeringsgrond van artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel en de toereikendheid van de door de Deense autoriteiten verstrekte gegevens als volgt: - de weigeringsgrond van artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel be¬lemmert niet dat een gerechtelijke autoriteit van een lidstaat opnieuw een Europees aanhoudingsbevel uitschrijft, nadat de tenuitvoerlegging van vorige Europese aanhoudingsbevelen werd afgewezen; - uit het dossier blijkt niet dat tegen de eiser in België of in een andere lidstaat een definitief vonnis is uitgesproken wegens dezelfde feiten; uit het verhoor van de eiser voor de onderzoeksrechter op grond van artikel 11 Wet Europees Aanhoudingsbevel blijkt dat de eiser reeds werd verhoord over de feiten en tevens aangehouden maar nog niet veroordeeld; bovendien werd het Europees aanhoudingsbevel uitgevaardigd met het oog op vervolging; - de door de eiser voorgebrachte stukken laten niet toe af te leiden dat in België of in een andere lidstaat ten aanzien van de eiser als gezochte persoon wegens dezelfde feiten een definitief vonnis is uitgesproken in de zin van artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel; - in beginsel moet de betrokken persoon aan het onderzoeksgerecht als de uitvoerende autoriteit de nodige gegevens verstrekken die voor deze laatste nodig zijn om na te gaan of het ne bis in idem-principe in deze zaak van toepassing is; - ter zake blijft de eiser in gebreke om enige definitieve beslissing van de Spaanse of Albanese gerechtelijke autoriteiten voor te brengen, niettegenstaande hij daartoe sedert de behandeling van de zaak voor de raadkamer op 19 april 2021 reeds ruim twee maanden de tijd heeft gehad; - een verder ambtshalve onderzoek is thans niet meer mogelijk gelet op de zeer korte termijn waarover het hof van beroep als uitvoerende autoriteit overeenkomstig artikel 18, § 5, Wet Europees Aanhoudingsbevel na cassatieverwijzing nog beschikt om de nodige wettelijke verificaties te doen, zoals omschreven in artikel 16, § 1, Wet Europees Aanhoudingsbevel; de inhoudelijke controle moet immers voornamelijk door de uitvaardigende Staat worden verricht. Met die redenen oordeelt het arrest wettig dat de door de uitvaardigende staat verstrekte gegevens toereikend zijn en er niet om aanvullende gegevens moet worden verzocht en verantwoordt het naar recht zijn beslissing dat de weigeringsgrond van artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel niet moet worden toegepast. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 4, 2°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsmede miskenning van het ne bis in idem-beginsel: de appelrechters weigeren ten onrechte aanvullende inlichtingen te verzoeken; dit maakt het onmogelijk om het al dan niet bestaan van de aangevoerde verplichte weigeringsgrond te verifiëren; dit ontneemt aan de eiser zijn recht op een eerlijk proces.
- Het onderdeel dat is afgeleid uit de vergeefs in het eerste onderdeel aangevoerde onwettigheid, is niet ontvankelijk. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 74,31 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit sectievoorzitter Koen Mestdagh, als voorzitter, de raadsheren Sidney Berneman, Frédéric Lugentz, François Stévenart Meeûs en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 20 juli 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Koen Mestdagh, in aanwezigheid van advocaat-generaal Philippe de Koster, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210720.VAK.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div