← België

L.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 augustus 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - INTERNATIONAAL VERDRAG BURGERRECHTEN EN POLITIEKE RECHTEN Vrije woorden: Artikel 15 - Artikel 15.1 - Legaliteitsbeginsel - Niet-retroactiviteit van de strafwet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Artikel 2, Strafwetboek - Legaliteitsbeginsel - Niet-retroactiviteit van de strafwet - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950,

Art. 7

.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten - 19-12-1966 - Art. 15.1 - 31 Link Justel databank 19661219-31 Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 2 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 4 Het enkele gegeven dat de beschuldigde veroordeeld is voor feiten van moord tot een straf waarvan de uitvoeringsmodaliteiten na het plegen ervan zijn verstrengd, houdt niet in dat de eiser thans een straf ondergaat die zwaarder is dan deze die hij op het moment van het plegen van de feiten kon voorzien; de beslissing van de strafuitvoeringsrechtbank om het verzoek tot het verkrijgen van de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie niet ontvankelijk te verklaren om reden dat eiser niet voldoet aan de daartoe in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarde op grond van de wet die van toepassing is op het ogenblik van de veroordelende beslissing die in kracht van gewijsde is getreden, is naar recht verantwoord

(1).
(1)Cass. 26 maart 2019, AR P.19.0219.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.4, AC 2019, nr. 184; Cass. 27 februari 2018, AR P.17.0509.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.10, AC 2018, nr. 133 met concl. van advocaat-generaal A. Winants. Thesaurus CAS: STRAFUITVOERING Vrije woorden: Strafuitvoeringsrechtbank - Beperkte detentie - Voorwaardelijke invrijheidstelling - Toelaatbaarheidsdatum - Grondslag - Wet van toepassing op het ogenblik van de uitgevoerde beslissing - Invloed Tekst van de beslissing Nr. P.21.1105.N J. W. R. L., veroordeelde tot een vrijheidsstraf, gedetineerd, eiser, met als raadsman mr. Bart Verbelen, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 122 bus 14, waar de eiser woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis van de strafuitvoeringsrechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, van 2 augustus
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 7.1 EVRM, artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek, alsook miskenning van het algemeen rechtsbeginsel dat de retroactieve toepassing van de strengere strafwet verbiedt: het vonnis, dat het verzoek van de eiser tot beperkte detentie onontvankelijk verklaart omdat de eiser niet voldoet aan de daartoe in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarde zoals die is verstrengd na het plegen van de feiten waarvoor de eiser is veroordeeld en gedetineerd, maakt op retroactieve wijze toepassing van een strengere strafwet; de eiser zou immers wel reeds voldoen aan de in de Wet Strafuitvoering bepaalde tijdsvoorwaarde voor beperkte detentie zoals die van toepassing was ten tijde van het plegen van de feiten waarvoor de eiser is veroordeeld en gedetineerd; aangezien deze feiten dateren van 16 juli 2011 en de eiser is veroordeeld tot dertig jaar opsluiting, zou de eiser met toepassing van de alsdan geldende versie van de artikelen 23, § 1, 1°, juncto 25, § 2, Wet Strafuitvoering vijf jaar vroeger voor de strafuitvoeringsmodaliteit van beperkte detentie in aanmerking komen; de tijdsvoorwaarde voor beperkte detentie in artikel 23, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering is gekoppeld aan de tijdsvoorwaarde voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in artikel 25, § 2, Wet Strafuitvoering; bij wet van 17 maart 2013 is de tijdsvoorwaarde voor voorwaardelijke invrijheidsstelling in artikel 25, § 2, Wet Strafuitvoering opgetrokken van tien tot vijftien jaar, zodat de daaraan gekoppelde tijdsvoorwaarde voor beperkte detentie in artikel 23, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering tegelijk is opgetrokken; hoewel overgangsartikel 21 van voormelde wet van 17 maart 2013 de gewijzigde versie van artikel 25, § 2, Wet Strafuitvoering van toepassing verklaart op veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn getreden na de inwerkingtreding van deze wet op 19 maart 2013 en de eiser is veroordeeld bij arrest van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 9 februari 2015 terwijl zijn cassatieberoep werd verworpen bij arrest van 9 juni 2015, zou de eiser, op straffe van miskenning van voormeld algemeen rechtsbeginsel, vallen onder de ten tijde van het plegen van de feiten op 16 juli 2011 geldende tijdsvoorwaarde voor beperkte detentie.
  3. Artikel 7.1, tweede zin, EVRM bepaalt dat geen zwaardere straf mag worden opgelegd dan die welke ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Artikel 15.1 IVBPR en artikel 2 Strafwetboek hebben eenzelfde draagwijdte.
  4. Het uit die bepalingen voortvloeiende verbod voor de rechter om een wet die een zwaardere straf bepaalt toe te passen op feiten gepleegd vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet, geldt niet alleen voor wetten die in strafsancties voorzien, maar ook voor wetten die reeds door de rechter opgelegde strafsancties herdefiniëren of wijzigen.
  5. Artikel 394 Strafwetboek, dat ongewijzigd is gebleven sinds de feiten, bepaalt: "Doodslag met voorbedachten rade wordt moord genoemd. Hij wordt gestraft met levenslange opsluiting." Het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen heeft de eiser bij arrest van 9 februari 2015 veroordeeld tot een straf van dertig jaar opsluiting wegens feiten van moord, gepleegd op 16 juli
  6. Die straf was aldus voorzienbaar op het moment van het plegen van de feiten.
  7. Het enkele gegeven dat de eiser voor die feiten is veroordeeld tot een straf waarvan de uitvoeringsmodaliteiten na het plegen ervan zijn verstrengd, houdt niet in dat de eiser thans een straf ondergaat die zwaarder is dan deze die hij op het moment van het plegen van de feiten kon voorzien. Bovendien is de toekenning van de hier gevraagde strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie geen automatisme, maar hangt zij af van het niet-vaststellen door de strafuitvoeringsrechtbank van in de Wet Strafuitvoering bepaalde tegenaanwijzingen.
  8. Op grond van artikel 25, § 2, Wet Strafuitvoering, zoals van toepassing ten tijde van het plegen van de feiten, kon een veroordeelde tot dertig jaar opsluiting aanspraak maken op voorwaardelijke invrijheidsstelling wanneer hij een derde, dit is tien jaar, van zijn straf had ondergaan en de strafuitvoeringsrechtbank geen tegenaanwijzing vaststelde. Met de wetswijziging van 17 maart 2013 is de tijdsvoorwaarde verlengd tot vijftien jaar. Vereist blijft dat de strafuitvoeringsrechtbank geen tegenaanwijzing vaststelt. Die voorwaarden gelden op grond van artikel 23, § 1, 1°, Wet Strafuitvoering ook voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie.
  9. Op grond van artikel 21 van voormelde wet van 17 maart 2013 is de gewijzigde versie van artikel 25, § 2, Wet Strafuitvoering slechts van toepassing op veroordelingen die in kracht van gewijsde zijn getreden na de inwerkingtreding van deze wet, dit is op 19 maart
  10. Dit is voorafgaand aan het veroordelend arrest van 9 februari 2015, dat in kracht van gewijsde is getreden op 9 juni 2015, datum van de verwerping van eisers cassatieberoep. Bijgevolg kon het hof van assisen bij het bepalen van de aan de eiser op te leggen straf rekening houden met het gegeven dat hij pas in aanmerking kwam voor de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie na het ondergaan van een straf van vijftien jaar.
  11. Hieruit volgt dat de beslissing om eisers verzoek tot het verkrijgen van de strafuitvoeringsmodaliteit van de beperkte detentie niet ontvankelijk te verklaren, naar recht is verantwoord. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 6,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Eric de Formanoir, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 augustus 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.2 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180227.10 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190326.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.