id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 25 augustus 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7 Rolnummer: P.21.1119.N Zaak: L. Kamer: VAK - Vakantiekamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-08-30 Raadplegingen: 852 - laatst gezien 2026-06-19 05:30 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Krachtens artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 EVRM; gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten moet de weigering tot overlevering worden verantwoord met uitvoerige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokken persoon en die het vermoeden van eerbiediging van die rechten waarvan de uitvaardigende lidstaat geniet, kunnen weerleggen; de betrokken persoon moet derhalve een ernstig, persoonlijk en direct risico op schending van zijn fundamentele rechten aantonen
(1).
(1)Zie Cass. 23 januari 2013, AR P.13.0087.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1, AC 2013, nr.
- Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgrond - Aantasting van de fundamentele rechten zoals bevestigd door artikel 6 EVRM - Verantwoording - Aanvoering - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wet 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel - 19-12-2003 - Art. 4, 5° - 32 ELI link Pub nr 2003009950 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 2 Uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van respectievelijk 17 december 2020 in de zaken C-354/20 PPU en C-412/20 PPU en 15 juli 2021 in de zaak C-791/19, volgt dat aan de vereiste van een concreet onderzoek van de individuele toestand van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd geen afbreuk wordt gedaan door het bestaan van de gebreken in het Poolse rechtssysteem die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Poolse rechters kunnen aantasten. Thesaurus CAS: EUROPEES AANHOUDINGSBEVEL Vrije woorden: Tenuitvoerlegging - Verplichte weigeringsgrond - Aantasting van de fundamentele rechten zoals bevestigd door artikel 6 EVRM - Polen - Gebreken in het Poolse rechtssysteem - Vereiste van een concreet onderzoek van de individuele toestand - Gevolgen Tekst van de beslissing Nr. P.21.1119.N U. K. L., persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, eiseres, met als raadsman mr. Wim Peeters, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 augustus
- De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel, alsook miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest verwerpt ten onrechte de in artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel bedoelde weigeringsgrond tot tenuitvoerlegging van het op 19 november 2020 door een Poolse rechterlijke autoriteit lastens de eiseres uitgevaardigde Europees aanhoudingsbevel omdat de eiseres geen ernstig, persoonlijk en direct risico op miskenning van haar fundamentele rechten aantoont; gelet op de in Polen bestaande structurele en fundamentele gebreken die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Poolse rechters kunnen aantasten dan wel de verergering van deze gebreken, zoals blijkt uit de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie 17 december 2020 in de zaken C-354/20 PPU en C-412/20 PPU en 15 juli 2021 in de zaak C-791/19, is immers een concreet onderzoek van de individuele toestand van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd onmogelijk; het louter bestaan van de gebreken in het Poolse rechtssysteem die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Poolse rechters kunnen aantasten, doet afbreuk aan de fundamentele rechten van de eiseres, zoals gewaarborgd in artikel 6.1 EVRM. In ondergeschikte orde beoogt het middel om alvorens recht te doen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie: "Verzetten kaderbesluit 2002/584 en artikel 47, tweede alinea van het Handvest van de Europese Unie zich ertegen dat de uitvoerende rechterlijke autoriteit een Europees aanhoudingsbevel ten uitvoer legt, wanneer zij heeft vastgesteld dat de lidstaat waartoe de uitvaardigende rechterlijke autoriteit behoort door het Hof van Justitie van de Europese Unie werd veroordeeld wegens schending van zijn verplichtingen onder artikel 19
(1), tweede alinea van het Verdrag betreffende de Europese Unie en/of artikel 267, tweede en derde alinea van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en zij oordeelt dat er om die reden zwaarwegende, ernstige en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de opgeëiste persoon een reëel gevaar loopt dat zijn grondrecht op een onafhankelijk gerecht zal worden geschonden en dat aldus zijn grondrecht op een eerlijk proces fundamenteel zal worden aangetast?"
- Krachtens artikel 4, 5°, Wet Europees Aanhoudingsbevel wordt de tenuitvoerlegging van een Europees aanhoudingsbevel geweigerd ingeval ernstige redenen bestaan te denken dat de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals die worden bevestigd door artikel 6 EVRM. Gelet op het beginsel van wederzijds vertrouwen tussen de lidstaten moet de weigering tot overlevering worden verantwoord met uitvoerige gegevens die wijzen op een kennelijk gevaar voor de fundamentele rechten van de betrokken persoon en die het vermoeden van eerbiediging van die rechten waarvan de uitvaardigende lidstaat geniet, kunnen weerleggen. De betrokken persoon moet derhalve een ernstig, persoonlijk en direct risico op schending van zijn fundamentele rechten aantonen.
- In zijn arrest van 17 december 2020 in de zaken C-354/20 PPU en C-412/20 PPU oordeelt het Hof van Justitie van de Europese Unie met betrekking tot door de Poolse rechterlijke autoriteiten uitgevaardigde Europese aanhoudingsbevelen dat het bestaan van de gebreken in het Poolse rechtssysteem die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Poolse rechters kunnen aantasten als zodanig niet meebrengen dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van alle Poolse rechters is aangetast. Bijgevolg kunnen de rechterlijke autoriteiten van andere lidstaten niet zonder meer de tenuitvoerlegging van elk door een Poolse rechterlijke autoriteit uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel weigeren. Een concreet onderzoek van de individuele toestand van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, blijft vereist. Dat onderzoek leidt tot weigering van de tenuitvoerlegging van een door een Poolse rechterlijke autoriteit uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel wanneer, gelet op de persoonlijke situatie van de betrokken persoon, de aard van de strafbare feiten en de feitelijke context waarin het Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, zwaarwegende en op feiten berustende gronden bestaan om aan te nemen dat de betrokken persoon wegens de gebreken in het Poolse rechtssysteem na zijn overlevering aan Polen een reëel gevaar zal lopen dat zijn recht op een eerlijk proces zal worden miskend. De vaststellingen van het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest van 15 juli 2021 in de zaak C-791/19 aangaande het Poolse tuchtrecht ten aanzien van rechters laten, evenmin als de vaststellingen in het voormelde arrest van 17 december 2020, toe dat de rechterlijke autoriteiten van andere lidstaten zonder meer de tenuitvoerlegging van elk door een Poolse rechterlijke autoriteit uitgevaardigd Europees aanhoudingsbevel weigeren. Een concreet onderzoek van de individuele toestand van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd, blijft vereist. Uit die arresten volgt dat aan het vereiste van een concreet onderzoek van de individuele toestand van een persoon tegen wie een Europees aanhoudingsbevel is uitgevaardigd geen afbreuk wordt gedaan door het bestaan van de gebreken in het Poolse rechtssysteem die de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Poolse rechters kunnen aantasten. Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.
- Gelet op de draagwijdte van deze arresten, die duidelijk is, dient de prejudiciële vraag niet te worden gesteld. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten op 47,91 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, samengesteld uit raadsheer Erwin Francis, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Marie-Claire Ernotte, Eric de Formanoir, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 25 augustus 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Erwin Francis, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210825.VAK.7 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130123.1 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.1 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220419.2N.12 ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221108.2N.28 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240220.2N.31 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20241126.2N.30 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div