id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 02 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210902.1N.5 Rolnummer: C.21.0013.N Zaak: BNP PARIBAS FORTIS nv c. AUTOMOBILIA TRUCKS&CARS Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Constitutioneel recht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 571 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De verbintenis van de bank die zich op verzoek van een transportonderneming borg heeft gesteld voor de in artikel 15, §1, eerste lid van het KB van 22 mei 2014 bedoelde schuldvorderingen, vloeit voort uit de borgstellingsovereenkomst en heeft aldus geen wettelijke maar een contractuele grondslag. Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - RECHTEN EN VERPLICHTINGEN VAN PARTIJEN - Tussen partijen Vrije woorden: Incorporatie van een wetsartikel in de overeenkomst - Aard (of gevolg) Wettelijke bepalingen: KB 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg - 22-05-2014 - Art. 15, § 1, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2014014302 Fiche 2 De banken die zich voor de nietigverklaring van artikel 15, § 1, eerste lid, 1° van het KB van 22 mei 2014 hebben borg gesteld voor een vervoeronderneming, blijven er contractueel toe gehouden de in deze bepaling bedoelde schuldvorderingen te waarborgen. Thesaurus CAS: WETTEN. DECRETEN. ORDONNANTIES. BESLUITEN - WERKING IN DE TIJD EN IN DE RUIMTE Vrije woorden: Incorporatie van een wetsartikel in de overeenkomst - Wetswijziging Wettelijke bepalingen: KB 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg - 22-05-2014 - Art. 15, § 1, eerste lid - 36 ELI link Pub nr 2014014302 Nota: Art. 15, § 1, eerste lid KB 22 mei 2014, voor de nietigverklaring ervan bij arrest van de Raad van State nr. 235.400 van 11 juli
- Tekst van de beslissing Nr. C.21.0013.N BNP PARIBAS FORTIS nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0403.199.702, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen AUTOMOBILIA TRUCKS & CARS nv, met zetel te 8610 Kortemark, Esenstraat 86, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0439.210.456, verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 23 november
- Raadsheer Bart Wylleman heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 7.2 Verordening (EG) nr. 1071/2009 van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van Richtlijn 96/26/EG van de Raad, dient een transportonderneming haar financiële draagkracht aan te tonen door middel van een attest, zoals een bankgarantie of een verzekering (…) van één of meerdere banken of andere financiële instellingen, waaronder verzekeringsmaatschappijen, die zich borg stellen en hoofdelijk verbinden voor de in de eerste alinea van lid 1 vastgestelde bedragen. Krachtens artikel 15, 3°, van de uitvoeringswet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg bepaalt de Koning de bestemming van de borgtocht. In uitvoering van voornoemde bepalingen bepaalt artikel 15, § 1, koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg de voorwaarden waaronder de schuldeisers van een transportonderneming een beroep kunnen doen op de borgtocht. Artikel 15, § 1, eerste lid, van voormeld koninklijk besluit bepaalde in zijn oorspronkelijke versie dat “de borgtocht in zijn geheel dient om de schulden van de onderneming te waarborgen voor zover zij opeisbaar werden tijdens de periodes bedoeld in paragraaf 2 en voor zover zij voortvloeien uit: 1° de levering aan de onderneming van de volgende materiële goederen en diensten, voor zover zij dienen voor de uitvoering van de in artikel 2, 1° en 2°, van de wet bedoelde werkzaamheden: a) de banden, alsook de andere onderdelen en de verplichte toebehoren van de voertuigen; b) de herstelling en het onderhoud van de voertuigen; c) de prestaties van het rijdend personeel; 2° de vervoersovereenkomsten, zowel de hoofdovereenkomsten als de overeenkomsten van onderaanneming, gesloten door de onderneming; 3° de niet-betaling van de retributies door de onderneming verschuldigd op grond van artikel 23 van de wet. (…) De borgtocht dient echter niet tot waarborg van de schulden die voortvloeien uit elke operatie inzake financiering, huur en financieringshuur.” Bij arrest nr. 235.400 van 11 juli 2016 heeft de Raad van State artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van voornoemd koninklijk besluit met terugwerkende kracht vernietigd, omdat de leveranciers van brandstoffen ten onrechte van deze waarborgregeling werden uitgesloten.
- De verbintenis van de bank die zich op verzoek van een transportonderneming borg heeft gesteld voor de in artikel 15, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 bedoelde schuldvorderingen, vloeit voort uit de borgstellingsovereenkomst en heeft aldus geen wettelijke maar een contractuele grondslag. Bijgevolg blijven banken die zich voor de nietigverklaring van artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van dat koninklijk besluit bij arrest van de Raad van State van 11 juli 2016, borg hebben gesteld voor een vervoeronderneming, contractueel ertoe gehouden de in deze bepaling bedoelde schuldvorderingen te waarborgen.
- Het middel dat berust op de veronderstelling dat de verbintenis van de bank geen contractuele maar een wettelijke grondslag heeft en dat de nietigverklaring van artikel 15, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 tot gevolg heeft dat de bank geen waarborg meer dient te verlenen voor de in deze bepaling bedoelde schulden, steunt op een onjuiste rechtsopvatting en faalt derhalve naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiseres tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiseres op 594,34 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Bart Wylleman, Ilse Couwenberg en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 2 september 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht Michèle Deconynck, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210902.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2026:CONC.20260326.1N.7 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div