← België

FEDERALE PENSIOENDIENST contra D.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 06 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210906.3N.2 Rolnummer: S.20.0060.N Zaak: FEDERALE PENSIOENDIENST contra D. Kamer: 3N - derde kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-09-22 Raadplegingen: 633 - laatst gezien 2026-06-17 09:58 Versie(s): Vertaling FR Fiche De enkele omstandigheid dat de partij die het hoger beroep instelde uitvoering heeft gegeven aan de bij voorraad uitvoerbare beslissing van de eerste rechter, heeft niet tot gevolg dat die partij geen belang heeft bij het hoger beroep dat zij instelde, noch dat haar hoger beroep zonder voorwerp wordt. Thesaurus CAS: HOGER BEROEP - BURGERLIJKE ZAKEN (HANDELSZAKEN EN SOCIALE ZAKEN INBEGREPEN) - Beslissingen en partijen Vrije woorden: Vrijwillige uitvoering beroepen vonnis - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - 10-10-1967 - Artt. 17, eerste lid, 18, 23 en 1060, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Tekst van de beslissing Nr. S.20.0060.N FEDERALE PENSIOENDIENST, met zetel te 1060 Brussel, Europaesplanade 1, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0206.738.078, eiser, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen M.D.V., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 3000 Leuven, Koning Leopold I-straat 3, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Hasselt, van 19 juni

  1. Sectievoorzitter Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Henri Vanderlinden heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
  2. In burgerlijke zaken kan een partij hoger beroep instellen indien de beroepen beslissing haar belang schaadt. De enkele omstandigheid dat de partij die het hoger beroep instelde uitvoering heeft gegeven aan de bij voorraad uitvoerbare beslissing van de eerste rechter, heeft niet tot gevolg dat die partij geen belang heeft bij het hoger beroep dat zij instelde, noch dat haar hoger beroep zonder voorwerp wordt.
  3. Uit de stukken waarop het Hof acht kan slaan, blijkt dat: - de eiser op 26 januari 2018 een beslissing nam over het recht op rustpensioen van de verweerster; - de verweerster bij verzoekschrift van 24 april 2018 tegen deze beslissing verhaal heeft ingesteld bij de arbeidsrechtbank op grond dat de eiser in zijn berekening ten onrechte geen rekening had gehouden met de tijdvakken van tewerkstelling van de verweerster als grensarbeider in Nederland; - de arbeidsrechtbank bij eindvonnis van 27 juni 2019 het verhaal van de verweerster ontvankelijk en gegrond verklaarde, de beslissing van de eiser van 26 januari 2018 vernietigde en zegde voor recht dat de eiser “dient rekening te houden met de periode van tewerkstelling van [de verweerster] als grensarbeider in Nederland, met het oog op de berekening van haar pensioen vanaf 1 juli 2018”; - het eindvonnis van 27 juni 2019 uitvoerbaar bij voorraad is; - de eiser op 15 juli 2019 hoger beroep instelde tegen het eindvonnis van 27 juni 2019; - de eiser vervolgens bij beslissing van 7 augustus 2019 de verweerster in kennis stelde van een nieuwe berekening van haar rustpensioen, met de mededeling “omdat we het vonnis van 27.06.2019 uitvoeren”; - de eiser bij brief van 9 augustus 2019 aan de verweerster een afrekening stuurde van het recht op achterstallen voor de periode juli 2018 - juli 2019; - de eiser de procedure in hoger beroep heeft verdergezet en bij appelconclusie van 12 maart 2020 concludeerde tot de hervorming van het vonnis van de eerste rechter en de bevestiging van zijn bestreden beslissing van 26 januari
  4. De appelrechters die oordelen dat “in die gegeven omstandigheden”, het hoger beroep van de eiser “zonder voorwerp geworden [is]”, aangezien “door de nieuwe niet bestreden beslissing van 7 augustus 2019” de “eerdere aangevochten beslissing van 26 januari 2018 niet langer overeind [blijft]”, zodat “de argumenten van partijen die daarop nog betrekking hebben geen verdere beoordeling meer behoeven”, verantwoorden hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Verwijst de zaak naar het arbeidshof te Brussel. Bepaalt de kosten voor de eiser op 149,07 euro en op de som van 20 euro ten gunste van het Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Koen Mestdagh, en de raadsheren Antoine Lievens, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 6 september 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Henri Vanderlinden, met bijstand van griffier Mike Van Beneden. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210906.3N.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.