id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.17 Rolnummer: P.21.1161.N Zaak: J. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige - Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 827 - laatst gezien 2026-06-17 01:07 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Niet-ontvankelijk is het onmiddellijk cassatieberoep dat is gericht tegen de beslissing van de kamer van inbeschuldigingstelling over de eerste handhaving van de voorlopige hechtenis waarbij, na een oordeel prima facie over een onregelmatigheid in de bewijsvoering, de zaak wordt uitgesteld met het oog op een controle overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uit naar een latere rechtszitting
(1); aangezien dit uitstel geen beslissing is waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd in de zin van artikel 31, § 1 en § 2, Voorlopige Hechteniswet en geen eindbeslissing is of een beslissing waartegen ingevolge artikel 420, tweede lid, Wetboek van Strafvordering onmiddellijk cassatieberoep mogelijk is.
(1)Over de controle ‘prima facie' op nietigheden, gronden van verval van de strafvordering of gronden van niet-ontvankelijkheid van de strafvordering, aangevoerd voor de kamer van inbeschuldigingstelling in het kader van de beoordeling van de voorlopige hechtenis, zie Cass. 13 januari 2021, AR P.20.0956.F, ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.1 met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE; Cass. 24 juli 2019, AR P.19.0744.N ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1, AC 2019, nr. 422; Cass. 8 mei 2019, AR P.19.0441.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16, AC 2019, nr. 273; Cass. 4 december 2018, AR P.18.1184.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5, AC 2018, nr. 683, Cass. 13 december 2017, AR P.17.1203.F ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171213.1, AC 2017, nr. 712; Cass. 12 juni 2013, AR P.13.0994.F ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130612.5, AC 2013, nr. 364; Cass. 11 februari 2004, AR P.04.0203.F ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.10, AC 2004, nr. 74 ; Cass. 20 februari 2001, AR P.01.0235.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.8, AC 2001, nr. 106, en nota M. DE SWAEF. Zie J. de CODT, Des nullités de l'instruction et du jugement, Larcier, 2006, 139-140; M. DE SWAEF en M. TRAEST, “Het gezag van gewijsde van beslissingen van de onderzoeksgerechten: oude wijn in nieuwe zakken?” in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia, 2010, 99, L. ARNOU, “De nietigheid van de huiszoeking prima en secunda facie” in De wet voorbij. Liber amicorum Luc Huybrechts, Antwerpen, Intersentia, 2010, 2-20; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Mechelen, Kluwer, 2014, 436-437; Ph. DAENINCK, Praktische gids voorlopige hechtenis, Kluwer, 2015, 71-72; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 1214-1215; Y. LIEGEOIS en B. DE SMET, “Twintig jaar zuivering van nietigheden tijdens het gerechtelijk onderzoek. Tijd voor verandering of opfrissing van het systeem?, RW 2019-20, 5; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 936-937. Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Beslissingen uit hun aard niet vatbaar voor cassatieberoep Vrije woorden: Voorlopige hechtenis - Regelmatigheid van een onderzoeksdaad - Zuivering van nietigheden - Uitstel van de zaak Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 235bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 420 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 31, §§ 1 en 2 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiches 2 - 3 Bij de beoordeling of er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden of wanbedrijven zal plegen in de zin van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet betrekt het onderzoeksgerecht dat zich moet uitspreken over de handhaving van de voorlopige hechtenis noodzakelijkerwijze de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend; het mag daarbij wat betreft die feiten enkel aannemen dat er lastens de inverdenkinggestelde ernstige aanwijzingen van schuld zijn en dus niet vaststellen dat zijn schuld aan die feiten vaststaat, enkel in dat laatste geval ligt een schending voor van artikel 6.2 EVRM en een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld
(1).
(1)Cass. 11 december 2019, AR P.19.1221.F ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191211.2F.14, AC 2019, nr. 663; Cass. 29 januari 2003, AR P.03.0109.F, arrest niet gepubliceerd, aangehaald door J. de CODT, Des nullités de l'instruction et du jugement, Larcier, 2006, p.
- Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Voorwaarden - Gevaar voor recidive - Motivering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Vermoeden van onschuld - Voorlopige hechtenis - Bevel tot aanhouding - Gevaar voor recidive - Motivering Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, vierde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 4 Uit de enkele omstandigheid dat politieambtenaren een inverdenkinggestelde tegen wie de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding heeft verleend niet dadelijk overbrengen naar de gevangenis, zoals voorgeschreven door artikel 19 Voorlopige Hechteniswet, maar hem of haar ter uitvoering van een opdracht van de onderzoeksrechter eerst verhoren op het politiecommissariaat volgt niet dat dit verhoor onregelmatig is. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Uitvoering van een bevel tot aanhouding - Herverhoor van de inverdenkinggestelde alvorens overbrenging naar de gevangenis - Regelmatigheid van het herverhoor Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 19 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 2, p. 83-
- - DAENINCK, Philip; Noot'Het recidivegevaar en het vermoeden van onschuld: een natuurlijke spanning, maar geen contradictie' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1161.N E. F. D. J., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Jesse Van Den Broeck, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 augustus
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
- Het arrest stelt de zaak met het oog op een controle overeenkomstig artikel 235bis Wetboek van Strafvordering uit naar een latere rechtszitting. Dat is geen beslissing waardoor de voorlopige hechtenis wordt gehandhaafd in de zin van artikel 31, § 1 en § 2, Voorlopige Hechteniswet. Het is evenmin een eindbeslissing in de zin van artikel 420, eerste lid, Wetboek van Strafvordering of een beslissing als bedoeld door een van de uitzonderingsgevallen van het tweede lid van die bepaling. In zoverre ook gericht tegen die beslissing, is het cassatieberoep niet ontvankelijk. Eerste middel
- Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld: het oordeel bij de vaststelling van het recidivegevaar dat de eiser geen lessen heeft willen of kunnen trekken uit zijn eerdere contacten met justitie en politie en dat recidive in de sterren lijkt te zijn geschreven, dat wordt overgenomen uit de aan het arrest gehechte vordering van het openbaar ministerie, geeft de eiser het gevoel dat hij schuldig is zonder dat die schuld op wettige wijze is vastgesteld.
- Bij de beoordeling of er ernstige redenen bestaan om te vrezen dat een in vrijheid gelaten inverdenkinggestelde nieuwe misdaden of wanbedrijven zal plegen in de zin van artikel 16, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet betrekt het onderzoeksgerecht dat zich moet uitspreken over de handhaving van de voorlopige hechtenis noodzakelijkerwijze de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend. Het mag daarbij wat betreft die feiten enkel aannemen dat er lastens de inverdenkinggestelde ernstige aanwijzingen van schuld zijn en dus niet vaststellen dat zijn schuld aan die feiten vaststaat. Enkel in dat laatste geval ligt een schending voor van artikel 6.2 EVRM en een miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Door overname van de redenen van de vordering van de procureur-generaal oordeelt het arrest dat het gevaar voor recidive manifest aanwezig is en dat spijts een recente zware veroordeling de eiser niet erin slaagt de drugscene de rug toe te keren, dat er aanwijzingen voorliggen dat hij anderen mee lijkt te trekken en dat hij dan ook geen lessen wil of kan trekken uit de eerdere contacten met justitie en politie, zodat recidive dan ook in de sterren lijkt te zijn geschreven (p. 5, laatste paragraaf, p. 6, eerste paragraaf). Het arrest neemt ook uit dezelfde vordering de redenen over dat er tegenover de eiser voor de ten laste gelegde feiten ernstige aanwijzingen van schuld voorliggen die het nader specificeert (p. 5, vierde laatste paragraaf, p. 6, derde paragraaf). Met die redenen, in hun onderling verband gelezen, volgt niet dat het arrest eisers schuld vaststelt aan de feiten waarvoor een bevel tot aanhouding is verleend maar enkel dat er tegen hem voor die feiten ernstige aanwijzingen van schuld bestaan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
- Het middel voert schending aan van de artikelen 19, § 4 en § 5, 21, § 4, en 30, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest bevestigt ten onrechte de beroepen beschikking die nalaat de onregelmatigheid vast te stellen van het aanhoudingsbevel wegens de onwettigheid van een verhoor waarop het is gesteund; dit verhoor is onwettig verkregen omdat de betrokkene na haar aanhouding niet onmiddellijk is overgebracht naar de gevangenis te Brugge maar wel naar het commissariaat te Waregem; bovendien beantwoordt het arrest niet het verweer dat het lastens de eiser verleende bevel tot aanhouding uitsluitend op dit verhoor is gesteund.
- Uit de enkele omstandigheid dat politieambtenaren een inverdenkinggestelde tegen wie de onderzoeksrechter een bevel tot aanhouding heeft verleend niet dadelijk overbrengen naar de gevangenis zoals voorgeschreven door artikel 19 Voorlopige Hechteniswet, maar hem of haar ter uitvoering van een opdracht van de onderzoeksrechter eerst verhoren op het politiecommissariaat volgt niet dat dit verhoor onregelmatig is. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Aangezien het arrest in het kader van een prima facie-beoordeling vaststelt dat het verhoor niet onregelmatig is, dienden de appelrechters het doelloos verweer dat het lastens de eiser verleende bevel tot aanhouding enkel op dit verhoor is gesteund, niet te beantwoorden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 77,61 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.17 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010220.8 ECLI:BE:CASS:2004:ARR.20040211.10 ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130612.5 ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20171213.1 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20181204.5 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190508.16 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190724.1 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20191211.2F.14 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210113.2F.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div