← België

V.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.19 Rolnummer: P.21.1164.N Zaak: V. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 754 - laatst gezien 2026-06-18 19:59 Versie(s): Vertaling FR Fiche Volgens artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet kan de verdachte aan de raadkamer vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd; dit betreft een bijzonder rechtsmiddel waarbij de raadkamer in eerste aanleg en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling zich over het verzoek moeten uitspreken en hun beslissing moeten motiveren overeenkomstig artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet; dit rechtsmiddel kan niet worden aangewend als een hoger beroep tegen een verlengingsbeslissing van de onderzoeksrechter om zo de onderzoeksgerechten te verplichten zich uit te spreken over een voorgehouden formele onwettigheid van die verlengingsbeslissing

(1).
(1)Cass. 2 januari 2013, AR P.12.0252.N, AC 2013, nr. 4, T. Strafr. 2013, 193 noot T. DECAIGNY; Cass. 3 december 2003, AR P.03.1545.F ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.5, AC 2003, 618, RDP 2004,
  1. Zie ook F. SCHUERMANS, “De voorlopig in vrijheid gestelde en zijn voorwaarden”, RABG 2005, 1522-1524; O. MICHIELS, D. CHICOYAN en P. THEVISSEN, La détention préventive, Anthemis, 2010, 120-122; R. VERSTRAETEN, Handboek Strafvordering, Maklu, 2012, 648; P. DAENINCK, Praktische gids voorlopige hechtenis, Kluwer, 2015, 117; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, 1137-
  2. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - INVRIJHEIDSTELLING ONDER VOORWAARDEN Vrije woorden: Verlenging van de voorwaarden door de onderzoeksrechter - Rechtsmiddelen Wettelijke bepalingen: Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 5 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 36, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 2, p. 85-
  3. - DAENINCK, Philip; Noot'Geen verdoken rechtsmiddel tegen een beschikking van de onderzoeksrechter waarbij de vrijheid onder voorwaarden wordt verlengd' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 6, p. 433-
  4. - VEREECKE, Vincent; Noot'Rechtsmiddelen tegen de verlenging van een voorlopige vrijlating onder voorwaarden' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1164.N Jordi VAN HEMELRIJK, geboren te Antwerpen (Deurne) op 12 oktober 1995, wonende te 2900 Antwerpen (Schoten), Verbertstraat 73, inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Loïc Cerulus, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 24 augustus
  5. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt wat volgt: - tegen de eiser werd op 25 augustus 2020 een bevel tot aanhouding verleend wegens inbreuken op de artikelen 322, 323, eerste lid en 324, eerste en tweede lid, Strafwetboek (telastlegging A) en de artikelen 2bis, § 1 en 3b), 4 en 6, eerste lid, Drugwet (telastlegging B); - bij arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling van 17 november 2020 werd de eiser vrijgelaten onder voorwaarden; - bij beschikkingen van de onderzoeksrechter van 10 februari 2021, 4 mei 2021 en 26 juli 2021 werden die voorwaarden telkens verlengd; - de eiser heeft op 3 augustus 2021 bij toepassing van artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet een verzoek ingediend waarin hij vraagt vast te stellen dat de verlenging van 26 juli 2021 niet met redenen is omkleed zoals bepaald in de artikelen 16, § 5, en 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet en de voorwaarden op te heffen; - de raadkamer heeft bij beschikking van 6 augustus 2021 dit verzoek ontvankelijk maar ongegrond verklaard met als motivering dat de verlengingsbeschikking van 26 juli 2021 uitdrukkelijk verwijst naar het arrest van 17 november 2020 en zo ook de motivering ervan overneemt; - het thans bestreden arrest oordeelt dat de raadkamer geen uitspraak kan doen over een hoger beroep tegen de verlengingsbeschikking van de onderzoeksrechter, maar zelf moet onderzoeken of voldaan is aan de voorwaarden en criteria van artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet en aangezien de raadkamer dit heeft nagelaten de kamer van inbeschuldigingstelling die toets doet. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel
  6. Het middel voert schending aan van de artikelen 16, § 1 en § 5, en 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet: het arrest laat na de aan de eiser opgelegde voorwaarden, waartoe door de onderzoeksrechter bij verlengingsbeschikking van 26 juli 2021 werd beslist, op te heffen; deze beschikking was niet gemotiveerd overeenkomstig artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet zodat bij toepassing van artikel 35, § 2, Voorlopige Hechteniswet en de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof de voorwaarden dienden te worden opgeheven.
  7. Volgens artikel 36, § 1, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet kan de verdachte aan de raadkamer vragen dat de opgelegde voorwaarden geheel of gedeeltelijk worden opgeheven of gewijzigd. Dit betreft een bijzonder rechtsmiddel waarbij de raadkamer in eerste aanleg en in hoger beroep de kamer van inbeschuldigingstelling zich over het verzoek moeten uitspreken en hun beslissing moeten motiveren overeenkomstig artikel 16, § 5, Voorlopige Hechteniswet. Dit rechtsmiddel kan niet worden aangewend als een hoger beroep tegen een verlengingsbeslissing van de onderzoeksrechter om zo de onderzoeksgerechten te verplichten zich uit te spreken over een voorgehouden formele onwettigheid van die verlengingsbeslissing. Het middel dat geheel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Ambtshalve onderzoek
  8. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 67,71 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.19 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20240605.2F.8 precedenten: ECLI:BE:CASS:2003:ARR.20031203.5 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20220308.2N.16 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.