id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.20 Rolnummer: P.21.1168.N Zaak: Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 496 - laatst gezien 2026-06-15 09:02 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Indien een verdachte in opdracht van de onderzoeksrechter door de politie wordt verhoord overeenkomstig artikel 47bis, § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en dus zonder enige vrijheidsberoving, hij zich bij dat verhoor op zijn zwijgrecht beroept, hij vervolgens in opdracht van de onderzoeksrechter na dit verhoor van zijn vrijheid wordt beroofd om voor de onderzoeksrechter te worden geleid en de onderzoeksrechter na een voorafgaande ondervraging lastens die verdachte een bevel tot aanhouding verleent, volgt uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet noch uit enige andere bepaling dat de onderzoeksrechter een volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid slechts mag aannemen als die is gesteund op gegevens die zijn verkregen na het verhoor van de verdachte; de omstandigheid dat een verdachte in opdracht van de onderzoeksrechter buiten vrijheidsberoving wordt verhoord, belet de onderzoekrechter niet om, nadat hij de verdachte heeft laten arresteren en voor zich heeft laat leiden en na een voorafgaande ondervraging, de voor het verlenen van een bevel tot aanhouding vereiste volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid vast te stellen aan de hand van alle feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte. Thesaurus CAS: VOORLOPIGE HECHTENIS - BEVEL TOT AANHOUDING Vrije woorden: Volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid - Voorleiding voor de onderzoeksrechter na een verhoor afgenomen zonder arrestatie Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1 - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Fiche 2 Uit de enkele omstandigheid dat een verdachte in opdracht van de onderzoeksrechter door de politie wordt verhoord overeenkomstig artikel 47bis, § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en dus zonder enige vrijheidsberoving, hij zich bij dat verhoor op zijn zwijgrecht beroept, hij vervolgens in opdracht van de onderzoeksrechter na dit verhoor van zijn vrijheid wordt beroofd om voor de onderzoeksrechter te worden geleid en de onderzoeksrechter na een voorafgaande ondervraging lastens die verdachte een bevel tot aanhouding verleent met de vaststelling dat er een volstrekte noodzakelijkheid is voor de openbare veiligheid in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, volgt niet dat de onderzoeksrechter het zwijgrecht van die verdachte miskent of op die verdachte een ongeoorloofde dwang uitoefent. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Zwijgrecht - Verhoor zonder arrestatie waarbij de verdachte zich beroept op het zwijgrecht - Voorleiding voor de onderzoeksrechter - Volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid - Beoordeling Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis - 20-07-1990 - Art. 16, § 1, derde lid - 35 ELI link Pub nr 1990099963 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de strafrechtspleging - 17-11-1808 - Art. 47bis, § 3 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 2, p. 87-
- - DAENINCK, Philip; Noot'Beslissing tot verhoor'categorie 3'is geen beslissing inzake vrijheidsberoving' Tekst van de beslissing Nr. P.21.1168.N I en II J. Z., inverdenkinggestelde, aangehouden, eiser, met als raadsman mr. Pieterjan Van Muysen, advocaat bij de balie Gent. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 26 augustus
- De eiser doet afstand van het cassatieberoep I. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel van het eerste middel en eerste onderdeel van het tweede middel
- Het eerste onderdeel van het eerste middel voert schending aan van artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de voor het verlenen van een bevel tot aanhouding vereiste volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid aanwezig was; de eiser werd in opdracht van de onderzoeksrechter en na een voorafgaande uitnodiging een week vooraf door de politie verhoord volgens de salduz-categorie 3; de eiser heeft zich bij dat verhoor beroepen op zijn zwijgrecht; zowel vóór, tijdens als na zijn verhoor had hij de vrijheid van komen en gaan; na dit verhoor besliste de onderzoeksrechter hem te laten arresteren en voor zich te laten leiden; zij verleende vervolgens een aanhoudingsbevel waarin geen melding werd gemaakt van elementen die pas na het verhoor aan het licht zijn gekomen; het arrest bevat op dit punt ook geen vaststellingen; de appelrechters konden gelet op die omstandigheden dan ook niet oordelen dat er een volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid was. Het eerste onderdeel van het tweede middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 14.1 en 14.3.g IVBPR, artikel 47bis Wetboek van Strafvordering en artikel 16, § 1, derde lid, Voorlopige Hechteniswet en miskenning van het in die bepalingen vervatte zwijgrecht: het arrest biedt geen verantwoording voor de vaststelling dat er behalve de uitoefening van het zwijgrecht door de eiser geen nieuwe inhoudelijke elementen zijn die een bevel tot aanhouding zouden kunnen rechtvaardigen; dit was het enige gewijzigde aspect in vergelijking met de opdracht om de eiser buiten enige vrijheidsberoving te verhoren; toelaten dat de eiser in die omstandigheden zou worden aangehouden, zou een uitholling betekenen van het zwijgrecht; op basis van de feitelijke constellatie en de chronologie kan niet worden geoordeeld dat de onderzoeksrechter zich niet heeft gesteund op de uitoefening door de eiser van zijn zwijgrecht; een aanhouding in die omstandigheden maakt een ongeoorloofde druk en een verboden dwang uit op de eiser.
- Artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet bepaalt dat de onderzoeksrechter slechts een bevel tot aanhouding kan verlenen ingeval van volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid. De onderzoeksrechter oordeelt onaantastbaar in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte of die volstrekte noodzakelijkheid aanwezig is.
- Indien een verdachte in opdracht van de onderzoeksrechter door de politie wordt verhoord overeenkomstig artikel 47bis, § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en dus zonder enige vrijheidsberoving, hij zich bij dat verhoor op zijn zwijgrecht beroept, hij vervolgens in opdracht van de onderzoeksrechter na dit verhoor van zijn vrijheid wordt beroofd om voor de onderzoeksrechter te worden geleid en de onderzoeksrechter na een voorafgaande ondervraging lastens die verdachte een bevel tot aanhouding verleent, volgt uit artikel 16, § 1, Voorlopige Hechteniswet noch uit enige andere bepaling dat de onderzoeksrechter een volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid slechts mag aannemen als die is gesteund op gegevens die zijn verkregen na het verhoor van de verdachte. De omstandigheid dat een verdachte in opdracht van de onderzoeksrechter buiten vrijheidsberoving wordt verhoord, belet de onderzoekrechter niet om, nadat hij de verdachte heeft laten arresteren en voor zich heeft laat leiden en na een voorafgaande ondervraging, de voor het verlenen van een bevel tot aanhouding vereiste volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid vast te stellen aan de hand van alle feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte.
- Uit de enkele omstandigheid dat een verdachte in opdracht van de onderzoeksrechter door de politie wordt verhoord overeenkomstig artikel 47bis, § 3, eerste lid, Wetboek van Strafvordering en dus zonder enige vrijheidsberoving, hij zich bij dat verhoor op zijn zwijgrecht beroept, hij vervolgens in opdracht van de onderzoeksrechter na dit verhoor van zijn vrijheid wordt beroofd om voor de onderzoeksrechter te worden geleid en de onderzoeksrechter na een voorafgaande ondervraging lastens die verdachte een bevel tot aanhouding verleent met de vaststelling dat er een volstrekte noodzakelijkheid is voor de openbare veiligheid in het licht van de feitelijke omstandigheden van de zaak en die welke eigen zijn aan de persoonlijkheid van de verdachte, volgt niet dat de onderzoeksrechter het zwijgrecht van die verdachte miskent of op die verdachte een ongeoorloofde dwang uitoefent.
- In zoverre de onderdelen uitgaan van andere rechtsopvattingen, falen ze naar recht.
- Het arrest oordeelt dat uit niets blijkt dat de onderzoeksrechter zich voor de motivering van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid heeft gebaseerd op het gegeven dat de eiser zich op zijn zwijgrecht heeft beroepen en evenmin dat de beslissing van de onderzoeksrechter tot arrestatie en voorleiding daarop is gebaseerd. Die beslissing is naar recht verantwoord. In zoverre kunnen de onderdelen niet worden aangenomen. Tweede onderdeel van het eerste middel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest beantwoordt niet eisers in zijn appelconclusie gevoerd verweer betreffende de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid; het beperkt zich tot de vaststelling dat die er is, zonder enige bijkomende motivering.
- Het arrest beperkt zich niet tot de loutere vaststelling dat er een volstrekte noodzakelijkheid is voor de openbare veiligheid. Het treedt de beoordeling van die volstrekte noodzakelijkheid door de onderzoeksrechter bij en het beantwoordt en verwerpt bovendien eisers verweer over de invulling van dit begrip en de aangevoerde miskenning van zijn zwijgrecht. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel van het tweede middel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht van de rechter: het arrest antwoordt niet op de door de eiser gestelde pertinente vragen betreffende de feitelijke omstandigheden en de chronologie voor het verlenen van een bevel tot aanhouding en de beoordeling van de volstrekte noodzakelijkheid voor de openbare veiligheid, terwijl die essentieel zijn voor de beoordeling van het al dan niet miskennen van het zwijgrecht; er werd evenmin geantwoord op eisers verweer betreffende de uitoefening van dwang.
- Uit de omstandigheid dat de rechter anders oordeelt dan door een partij gewenst, volgt niet dat de rechter het algemeen rechtsbeginsel van de motiveringsplicht miskent. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Met de redenen die het arrest bevat, beantwoordt en verwerpt het wel degelijk eisers stelling dat uit de feitelijke constellatie en de chronologie moet worden afgeleid dat de onderzoeksrechter eisers zwijgrecht heeft miskend of dat ongeoorloofde druk is uitgeoefend. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verleent akte van de afstand van het cassatieberoep I. Verwerpt het cassatieberoep II. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 116,11 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.20 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div