← België

H. contra Z.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.6 Rolnummer: P.21.0509.N Zaak: H. contra Z. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht - Strafrecht Invoerdatum: 2021-10-11 Raadplegingen: 1185 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210907.2N.6 Fiches 1 - 2 Wanneer door een fout een zaak is ontnomen aan een slachtoffer, bestaat de normale wijze van schadeloosstelling erin de schade in natura te herstellen door de teruggave van de ontnomen zaak te bevelen; bijgevolg dient de rechter op vraag van het slachtoffer eerst na te gaan of die wijze van schadeloosstelling mogelijk is, alvorens over te gaan tot het toekennen van schadevergoeding in de vorm van een geldbedrag dat het equivalent uitmaakt van de waarde van de zaak

(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: AANSPRAKELIJKHEID BUITEN OVEREENKOMST - HERSTELPLICHT - Dader (voor eigen daad) Vrije woorden: Strafzaken - Heling - Veroordeling in solidum met de medebeklaagde die schuldig is aan misbruik van vertrouwen - Verkoop van het geheelde goed door de heler - Herstel van de schade - Teruggave van de ontnomen zaak - Vervangende schadevergoeding - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Thesaurus CAS: HELING Vrije woorden: Veroordeling in solidum met de medebeklaagde die schuldig is aan misbruik van vertrouwen - Verkoop van het geheelde goed door de heler - Herstel van de schade - Teruggave van de ontnomen zaak - Vervangende schadevergoeding - Voorwaarde Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 1382 en 1383 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Fiche 3 De rechter kan wettig oordelen dat de schuldenaar van een persoonlijke geldlening een hem ter bede toevertrouwde zaak bedrieglijk verduistert wanneer hij die zaak overhandigt aan zijn schuldeiser om ze te bestemmen als zekerheidsstelling voor de terugbetaling van die lening; die zekerheidsstelling stelt de schuldeiser immers in staat zijn schuldvordering ten aanzien van de schuldenaar uit te winnen op de tot zekerheid overhandigde zaak, wat een aantasting van het eigendomsrecht over die zaak impliceert; die overhandiging is dan ook niet zonder meer gelijk te stellen met een loutere, al dan niet kortstondige, aanwending van de zaak voor eigen gebruik door de bezitter ter bede
(1).
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: MISBRUIK VAN VERTROUWEN Vrije woorden: Materieel bestanddeel - Precair bezit van andermans roerende zaak - Verspilling of verduistering van de toevertrouwde zaak - Inpandgeving van de zaak aan een derde - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 491 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0509.N J. P. M. A. H., beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Eline Tritsmans, advocaat bij de balie Gent, tegen P. Z., burgerlijke partij, verweerder, met als raadsman mr. Deborah Johnson, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 maart
  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft op 8 juli 2021 een schriftelijke conclusie ingediend ter griffie. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht en de vermelde advocaat-generaal heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de memorie van antwoord
  2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de verweerder zijn memorie van antwoord ter kennis heeft gebracht van de eiser, zoals nochtans vereist door artikel 429, vierde lid, Wetboek van Strafvordering. De memorie van antwoord is niet ontvankelijk. Eerste middel
  3. Het middel voert schending aan van de artikelen 1382 en 1383 oud Burgerlijk Wetboek, de artikelen 3 en 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering en artikel 505, eerste lid, 1°, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiser de teruggave van het geheelde voertuig onmogelijk heeft gemaakt door zijn eigen fout omdat hij het in januari 2014 heeft overgedragen aan een derde; het veroordeelt de eiser daarom tot het betalen aan de verweerder van een vervangende schadevergoeding; aldus steunt het arrest die schadevergoeding niet rechtstreeks op het aflopende misdrijf heling, maar op een latere fout van de eiser die geen voorwerp van de vervolging uitmaakt en waarvoor de appelrechters niet bevoegd waren.
  4. Het arrest verklaart het misdrijf heling bewezen lastens de eiser omdat hij het voertuig BMW Z8 in bezit heeft genomen terwijl hij kennis had van de wederrechtelijke herkomst ervan, meer bepaald van het misbruik van vertrouwen dat de aanvankelijke medebeklaagde met betrekking tot dit voertuig had gepleegd.
  5. Wanneer door een fout een zaak is ontnomen aan een slachtoffer, bestaat de normale wijze van schadeloosstelling erin de schade in natura te herstellen door de teruggave van de ontnomen zaak te bevelen. Bijgevolg dient de rechter op vraag van het slachtoffer eerst na te gaan of die wijze van schadeloosstelling mogelijk is, alvorens over te gaan tot het toekennen van schadevergoeding in de vorm van een geldbedrag dat het equivalent uitmaakt van de waarde van de zaak. In dat verband oordeelt het arrest dat herstel van de schade door de teruggave van het voertuig aan de verweerder niet meer mogelijk is omdat de eiser het voertuig heeft verkocht aan een derde.
  6. Het arrest oordeelt verder dat de samenlopende fouten van de eiser en de medebeklaagde ingevolge de respectieve misdrijven van misbruik van vertrouwen en heling hebben bijgedragen tot de concrete schade van de verweerder, bestaande in het verlies van de eigendom over zijn voertuig. Het bepaalt de waarde van dat voertuig op 125.000,00 euro en veroordeelt de eiser tot betaling van dat bedrag aan de verweerder, dit in solidum met de aanvankelijke medebeklaagde.
  7. Hieruit volgt dat het arrest met de bekritiseerde reden noch het principe van eisers aansprakelijkheid noch het concrete bedrag van de hem opgelegde schadevergoeding steunt op het feit dat hij het voertuig heeft verkocht aan een derde, maar enkel motiveert waarom het de eiser ingevolge de lastens hem bewezen verklaarde heling veroordeelt tot het betalen aan de verweerder van schadevergoeding onder de vorm van een geldsom. Dat het arrest de verkoop van het voertuig door de eiser foutief noemt, doet hieraan niets af. Het middel berust op een onjuiste lezing van het arrest en mist bijgevolg feitelijke grondslag. Tweede middel Eerste onderdeel
  8. Het onderdeel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek: het arrest oordeelt dat het zich wederrechtelijk materieel toe-eigenen door de medebeklaagde van het voertuig dat hem met het oog op herstelling was overhandigd, teneinde het daarna te kunnen overdragen als zekerheid voor de terugbetaling van een persoonlijke geldlening, een materiële daad van verduistering uitmaakt die werd gepleegd met bedrieglijk opzet; het al dan niet kortstondige wederrechtelijk gebruik of misbruik van een ter bede overhandigd goed levert echter geen misdrijf op en het overdragen als zekerheid impliceert niet dat de dader als eigenaar over het goed beschikt.
  9. De rechter kan wettig oordelen dat de schuldenaar van een persoonlijke geldlening een hem ter bede toevertrouwde zaak bedrieglijk verduistert wanneer hij die zaak overhandigt aan zijn schuldeiser om ze te bestemmen als zekerheidsstelling voor de terugbetaling van die lening. Die zekerheidsstelling stelt de schuldeiser immers in staat zijn schuldvordering ten aanzien van de schuldenaar uit te winnen op de tot zekerheid overhandigde zaak, wat een aantasting van het eigendomsrecht over die zaak impliceert. Die overhandiging is dan ook niet zonder meer gelijk te stellen met een loutere, al dan niet kortstondige, aanwending van de zaak voor eigen gebruik door de bezitter ter bede. Bijgevolg kan het arrest (p. 8-10) uit de feiten die het vaststelt, wettig het bekritiseerde oordeel afleiden. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
  10. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 491 en 505, eerste lid, Strafwetboek: het arrest oordeelt dat de eiser bij de inbezitneming van het voertuig kennis had van de wederrechtelijke oorsprong ervan, maar stelt niet vast door welke concrete feitelijke handeling van de medebeklaagde het basismisdrijf misbruik van vertrouwen voltrokken was op het ogenblik van de inbezitneming door de eiser; het arrest kan geen materiële daad van verduistering door de medebeklaagde afleiden uit de vaststelling: “met name door het zich wederrechtelijk toe-eigenen van het voertuig BMW Z8 teneinde het daarna over te kunnen dragen als zekerheid voor de terugbetaling van een persoonlijke lening”.
  11. Met het oordeel, eensdeels, dat de medebeklaagde misbruik van vertrouwen heeft gepleegd door het hem ter bede toevertrouwde voertuig als zekerheidsstelling te overhandigen aan de eiser en, anderdeels, dat de eiser dat voertuig heeft geheeld door het met kennis van zaken als zekerheidsstelling van de medebeklaagde in bezit te nemen, stelt het arrest vast dat het basismisdrijf misbruik van vertrouwen was voltrokken op het moment van de inbezitneming van het voertuig door de eiser en verantwoordt het de beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 120,51 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.6 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210907.2N.6 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.