← België

S. contra MINISTER VAN FINANCIËN

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 07 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.9 Rolnummer: P.21.0527.N Zaak: S. contra MINISTER VAN FINANCIËN Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-09-20 Raadplegingen: 459 - laatst gezien 2026-06-15 09:04 Versie(s): Vertaling FR Fiche Het begrip bijhorend erf bedoeld in artikel 429, §3, eerste lid, b), i), laatste gedachtestreepje, Programmawet van 27 december 2004 duidt overeenkomstig zijn gewone taalkundige betekenis op een erf dat op een meer dan occasionele wijze dienstig is voor de exploitatie van een landbouwonderneming; bijgevolg is een bouwwerf van een derde geen bijhorend erf louter omdat graafwerken op die werf teelaarde opleveren die nadien als landbouwproduct wordt vervoerd van de werf naar een landbouwperceel

(1).
(1)Art. 429, § 3, eerste lid, b), i), Programmawet van 27 december 2004, BS 31 december
  1. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Accijnsvrijstelling voor de producten gebruikt als brandstof voor tractoren bij vervoer tussen de boerderij en de bijhorende erven - Begrip bijhorend erf Wettelijke bepalingen: Programmawet 27 december 2004 - 27-12-2004 - Art. 429, § 3, eerste lid, b), i) - 30 ELI link Pub nr 2004021170 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0527.N
  2. S. S., beklaagde,
  3. T. A. U. G., beklaagde, eisers, met als raadsman mr. Yves Vluggen, advocaat bij de balie Gent, tegen BELGISCHE STAAT, fod Financiën, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de directeur van de douane en accijnzen te Gent, met kantoor te 9000 Gent, administratief centrum “Ter Plaeten”, Sint-Lievenslaan 27, vervolgende partij, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67 bus 14, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 17 maart
  4. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Erwin Francis heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  5. Het middel voert schending aan van artikel 429 van de Programmawet van 27 december 2004: het arrest oordeelt ten onrechte dat de activiteit van de eisers, bestaande in het vervoer van teelaarde in een aanhangwagen getrokken door een landbouwtractor op de openbare weg tussen het bedrijfsterrein waar die aarde was uitgegraven en een landbouwperceel, niet valt onder de accijnsvrijstelling van artikel 429, § 3, eerste lid, b), i), van de vermelde Programmawet omdat dit bedrijfsterrein niet kan worden beschouwd als een bijhorend erf; daarmee geeft het arrest een te beperkende en onjuiste invulling van het begrip bijkomend erf; immers, dat erf dient geen deel uit te maken van een boerderij en het vervoer hoeft niet louter plaats te vinden tussen boerderijen; elk perceel of elke site aangewend of dienstig voor de exploitatie van een landbouwbedrijf komt in aanmerking als bijkomend erf; dit was het geval voor het bedrijfsterrein waar de teelaarde was opgeslagen.
  6. Artikel 429, § 3, eerste lid, b), i), van de Programmawet van 27 december 2004 bepaalt een accijnsvrijstelling voor de producten gebruikt als brandstof voor de voeding van geïnstalleerde motoren op land-, tuin- en bosbouwtractoren. Het tweede lid van die paragraaf verduidelijkt dat: “Onder land-, tuin- en bosbouwtractoren in de zin van deze paragraaf wordt verstaan: de eigenlijke tractoren en tuinfrezen, als dusdanig ingeschreven, die op de openbare weg mogen rijden en die gebruikt worden voor: - het voorttrekken van machines, landbouwwerktuigen, al dan niet geladen aanhang- of transportwagens, die bij hun exploitatie worden gebruikt door een land-, tuin- en bosbouwer of in de visteelt of door personen die in hun dienst werken, voor zover er een direct verband bestaat tussen het gebruik op de openbare weg en het beheer van deze exploitatie; - door andere dan voornoemde ondernemers, of door hun personeel, voor werkzaamheden die betrekking hebben op de exploitatie door derden van de land-, tuin- en bosbouwbedrijven of viskwekerijen voor zover het vervoer via de openbare weg van handelsgoederen, landbouwproducten of dieren slechts gebeurt tussen de boerderij en de bijhorende erven en omgekeerd.”
  7. Het begrip bijhorend erf bedoeld in het laatst vermelde gedachtestreepje duidt overeenkomstig zijn gewone taalkundige betekenis op een erf dat op een meer dan occasionele wijze dienstig is voor de exploitatie van een landbouwonderneming. Bijgevolg is een bouwwerf van een derde geen bijhorend erf louter omdat graafwerken op die werf teelaarde opleveren die nadien als landbouwproduct wordt vervoerd van de werf naar een landbouwperceel. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  8. Het arrest oordeelt als volgt: - met de term “de bijhorende erven” worden volgens de wettekst duidelijk de erven bedoeld die bij de boerderij behoren. Hierbij is het niet vereist dat de bijhorende erven effectief naast de boerderij liggen, zodat de afstand tussen de boerderij en het bijhorende erf irrelevant is; - op basis van de feiten van het strafdossier komt voor het hof van beroep vast te staan dat grond werd uitgegraven voor het plaatsen van putten aan het industrie- en bedrijfsterrein van B. nv, waarna de uitgegraven aarde werd vervoerd van dat terrein naar een weiland van de landbouwer H.P.; - het industrieterrein van B. nv is geen boerderij en kan in de voormelde omstandigheden evenmin worden beschouwd als een bijhorend erf; - in die omstandigheden werd door de eisers een niet-vrijgestelde activiteit uitgevoerd, waarbij het aanwezige registratieformulier voor de niet-vrijgestelde activiteit voorafgaandelijk niet werd ingevuld. Aldus verantwoordt het arrest de beslissing naar recht. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van de artikelen 66 en 67 Strafwetboek: het arrest veroordeelt de eiser 2 als mededader van het feit van de telastlegging zonder aan te geven dat hij het opzet had om bij te dragen tot de verwezenlijking van het misdrijf ingevolge een wilsovereenstemming met de eiser 1; aldus stelt het arrest het deelnemingsopzet van de eiser 2 niet vast.
  10. Het arrest oordeelt dat: - de eiser 2 de chauffeur van de tractor was en op de datum van de feiten minstens driemaal in de vastgestelde omstandigheden aarde heeft vervoerd, waarbij het registratieformulier voor de niet-vrijgestelde activiteit voorafgaandelijk niet werd ingevuld, zodat hij noodzakelijke hulp heeft verschaft aan de eiser 1 en daardoor als mededader te beschouwen is; - inzake douane en accijnzen in de regel het feit zelf van de overtreding inhoudt dat de dader daaraan schuldig moet worden geacht, behoudens overmacht of onoverwinnelijke dwaling, zodat de overtreder het wettelijke schuldvermoeden kan doen omkeren; - de mededader niet het opzet moet hebben gehad dat vereist is voor het misdrijf waaraan hij zijn medewerking verleent. Vereist is enkel dat hij een door de wet bepaalde vorm van medewerking aan het misdrijf verleent, hij weet dat hij daaraan zijn medewerking verleent en het opzet heeft daaraan zijn medewerking te verlenen. Die kennis moet het feitelijk voorhanden zijn van alle wettelijke bestanddelen van het misdrijf betreffen; - in douanezaken de rechter het bewijs van het deelnemingsopzet bij de beklaagde die zijn medewerking aan de materiële uitvoering van een bepaald fraudesysteem verleent, kan afleiden uit de feitelijke organisatie en de werking van dit systeem; - het materieel mogelijk maken van een voorgenomen misdaad of een wanbedrijf zoals het wordt uitgevoerd, een daad van strafbare deelneming kan zijn zoals omschreven in artikel 66 Strafwetboek; - het op grond van het geheel van de in het arrest vermelde gegevens en vaststellingen buiten elke redelijke twijfel vaststaat dat zowel de eiser 1 ten behoeve en voor rekening van zichzelf en zijn onderneming als de eiser 2 hun onontbeerlijke medewerking hebben verleend aan het scheppen of bevorderen van het douanemisdrijf en dat zij hierbij wisten, minstens redelijkerwijze hadden moeten weten, dat hun handelen in het systeem van het gemengd gebruik voor het aandrijven van een tractor op de openbare weg bij een niet-vrijgestelde activiteit kaderde, terwijl de eisers niet aannemelijk maken dat er bij hen sprake zou zijn geweest van overmacht of onoverwinnelijke dwaling. Aldus verantwoordt het arrest naar recht de beslissing dat het deelnemingsopzet bij de eiser 2 vaststaat, zonder dat het uitdrukkelijk moet vaststellen dat er tussen de eisers wilsovereenstemming bestond voor het plegen van het misdrijf. Het middel kan niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 130,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Erwin Francis, Sidney Berneman en Ilse Couwenberg, en in openbare rechtszitting van 7 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210907.2N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.