id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 09 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210909.1N.11 Rolnummer: C.21.0017.N Zaak: H. contra H. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2021-12-16 Raadplegingen: 887 - laatst gezien 2026-06-19 23:37 Versie(s): Vertaling FR Fiche De verrijking van het eigen vermogen door arbeid van een echtgenoot buiten een professionele context en in die zin zonder inkomstenderving brengt geen verarming van het gemeenschappelijk vermogen mee en kan bijgevolg geen aanleiding geven tot vergoeding. Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - WETTELIJK STELSEL Vrije woorden: Verrijking van het eigen vermogen - Vergoeding aan het gemeenschappelijk vermogen - Voorwaarden Wettelijke bepalingen: oud Burgerlijk Wetboek - 21-03-1804 - Artt. 221, eerste lid, 1405.1 en 4, 1432 en 1435 - 30 ELI link Pub nr 1804032150 Annotaties Publicaties: BJS-Bulletin juridique social - 2021, n° 681, p.
- - ADRIAENSEN, François; Note'La récompense générée par l'industrie personnelle d'un conjoint déployée au bénéfice de son immeuble propre' RABG-Rechtspraak Antwerpen Brussel Gent - 2022, nr. 2-3, p. 180-
- - GOVAERTS, Marcel; Noot'De klussende echtgenoot is niet langer de klos: slechts in beperkte mate kan het gemeenschappelijk vermogen een vergoedingsaanspraak doen gelden' Tekst van de beslissing Nr. C.21.0017.N F. H., eiser, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eiser woonplaats kiest, tegen C. H., verweerster. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 30 april
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Els Herregodts heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 1432 Oud Burgerlijk Wetboek is elk der echtgenoten vergoeding verschuldigd ten belope van de bedragen die hij uit het gemeenschappelijk vermogen heeft opgenomen om een eigen schuld te voldoen en, in het algemeen, telkens hij persoonlijk voordeel heeft getrokken uit het gemeenschappelijk vermogen. Artikel 221, eerste lid, Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat iedere echtgenoot bijdraagt in de lasten van het huwelijk naar zijn vermogen. Artikel 1435 Oud Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de vergoeding niet kleiner mag zijn dan de verarming van het vergoedingsgerechtigde vermogen. Hebben de in het vergoedingsplichtige vermogen gevallen bedragen en gelden echter gediend tot het verkrijgen, instandhouden of verbeteren van een goed, dan zal de vergoeding gelijk zijn aan de waarde of de waardevermeerdering van dat goed, hetzij bij de ontbinding van het stelsel indien het zich op dat tijdstip bevindt in het vergoedingsplichtige vermogen, hetzij op de dag van de vervreemding indien het voordien vervreemd is. Is het vervreemde vermogen vervangen door een ander goed, dan wordt de vergoeding geschat op de grondslag van dat nieuwe goed. Krachtens artikel 1405.1 en 4, Oud Burgerlijk Wetboek, zoals hier van toepassing, zijn onder meer gemeenschappelijk: de inkomsten uit de beroepsbezigheden van elk der echtgenoten, alle inkomsten of vergoedingen die ze vervangen of aanvullen, evenals de inkomsten uit openbare of particuliere mandaten en alle goederen waarvan niet bewezen is dat zij aan een der echtgenoten eigen zijn in gevolge enige wetsbepaling.
- Hieruit volgt dat de echtgenoot die tijdens het huwelijk inspanningen levert ten voordele van een eigen goed waardoor een meerwaarde werd gerealiseerd, geen vergoeding is verschuldigd aan het gemeenschappelijk vermogen ingeval die inspanningen een bijdrage in de lasten van het huwelijk uitmaken. Ingeval die inspanningen geen bijdrage in de lasten van het huwelijk vormen, geven zij slechts aanleiding tot vergoeding in zoverre het gemeenschappelijk vermogen hierdoor inkomsten heeft moeten derven. De verrijking van het eigen vermogen door arbeid van een echtgenoot buiten een professionele context en in die zin zonder inkomstenderving brengt geen verarming van het gemeenschappelijk vermogen mee en kan bijgevolg geen aanleiding geven tot vergoeding.
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - de gewezen gezinswoning van de partijen een eigen onroerend goed van de eiser is; - de woning ingevolge tijdens het huwelijk doorgevoerde verbouwings- en verfraaiingswerken een meerwaarde heeft verworven ten bedrage van 90.000 euro; - deze meerwaarde voortvloeit uit eensdeels de kostprijs blijkens facturen ten bedrage van 31.567 euro en anderdeels arbeidsprestaties dan wel materiële inspanningen van de eiser bij de verbouwing en verfraaiing van zijn woning; - de arbeidsprestaties en materiële inspanningen van de eiser kaderen in zijn bijdrage in de lasten van het huwelijk; - de eiser niet aantoont dat de prestaties zijn normale bijdrage in de lasten van het huwelijk overtreffen; - in casu hoe dan ook niet blijkt dat de huwelijksgemeenschap hierdoor is verarmd.
- De appelrechter die op grond van voormelde redenen verder oordeelt dat “de meerwaarde niet enkel [dient te] worden berekend louter op basis van het gefactureerde materiaal (en werk)”, “ook [de] eigen arbeidsprestaties [van de eiser] hebben gediend tot de verbouwings/verfraaiingswerken met meerwaarde tot gevolg”, “de vermogenswaarde van deze materiële inspanningen in de regel aan het gemeenschappelijk vermogen toe[komt]” en “niet alleen de door de huwelijksgemeenschap gedragen facturen maar ook de arbeidsprestaties (…) hebben bijgedragen tot de meerwaarde”, verantwoordt zijn beslissing dat het eigen vermogen van de eiser aan de huwelijksgemeenschap een vergoeding ten bedrage van 90.000 euro is verschuldigd, niet naar recht. Het middel is gegrond. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het oordeelt omtrent de vergoeding voor de verbouwing en verfraaiing van de gewezen gezinswoning en uitspraak doet over de kosten. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitters Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en de raadsheren Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 9 september 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Els Herregodts, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210909.1N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:GHCC:2026:ARR.025 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div