← België

C. contra E.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.11 Rolnummer: P.21.0815.N Zaak: C. contra E. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht Invoerdatum: 2021-09-22 Raadplegingen: 471 - laatst gezien 2026-06-15 05:36 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Een beklaagde die zich beroept op de wettige verdediging van artikel 416 Strafwetboek moet die bewering enigszins aannemelijk maken, wat inhoudt dat hij op een wijze die niet elke geloofwaardigheid mist aanvoert dat de voorwaarden vervuld zijn voor deze rechtvaardigingsgrond, namelijk een ernstige en actuele onrechtmatige aanranding en een noodzakelijk en evenredig verweer, zonder dat hij dit ook moet bewijzen; indien hij slaagt in die aanvoeringsplicht, wat onaantastbaar wordt beoordeeld door de rechter, staat het aan het openbaar ministerie of de burgerlijke partij te bewijzen dat de voorwaarden voor de ingeroepen rechtvaardigingsgrond niet zijn vervuld; het Hof gaat daarbij wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. Thesaurus CAS: MISDRIJF - RECHTVAARDIGING EN VERSCHONING - Rechtvaardiging Vrije woorden: Wettige zelfverdediging - Aanvoering door de beklaagde - Omvang - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 416 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Thesaurus CAS: BEWIJS - STRAFZAKEN - Bewijslast. Beoordelingsvrijheid Vrije woorden: Rechtvaardiging - Wettige zelfverdediging - Aanvoering door de beklaagde - Wijze - Gevolg Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 416 - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0815.N O C, burgerlijke partij, eiser, met als raadsman mr. Tanja Smit, advocaat bij de balie Antwerpen, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 222, waar de eiser woonplaats kiest, tegen Y E H, beklaagde, verweerder. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 26 mei

  1. De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep
  2. De eiser heeft geen hoedanigheid om cassatieberoep aan te tekenen tegen de beslissing op de strafvordering, behoudens wat betreft zijn veroordeling tot de kosten van die vordering. In zoverre is het cassatieberoep niet ontvankelijk.
  3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser zijn cassatieberoep heeft laten betekenen aan het openbaar ministerie bij het appelgerecht. In zoverre gericht tegen de beslissing waarbij de eiser wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van de strafvordering, is zijn cassatieberoep niet ontvankelijk. Middel
  4. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wetboek van Strafvordering en artikel 416 Strafwetboek: de beslissing betreffende de wettige verdediging is niet naar recht verantwoord; het arrest stelt immers niet vast dat de voorwaarden voor de toepassing van artikel 416 Wetboek van Strafvordering in concreto zijn vervuld; het stelt niet vast welke onrechtmatige aanranding door de verweerder werd beoogd, welke dreiging precies uitging van het gedrag van de eiser en of die dreiging actueel was.
  5. Een beklaagde die zich beroept op de wettige verdediging van artikel 416 Strafwetboek moet die bewering enigszins aannemelijk maken. Dit houdt in dat hij op een wijze die niet elke geloofwaardigheid mist aanvoert dat de voorwaarden vervuld zijn voor deze rechtvaardigingsgrond, namelijk een ernstige en actuele onrechtmatige aanranding en een noodzakelijk en evenredig verweer, zonder dat hij dit ook moet bewijzen. Indien hij slaagt in die aanvoeringsplicht, wat onaantastbaar wordt beoordeeld door de rechter, staat het aan het openbaar ministerie of de burgerlijke partij te bewijzen dat de voorwaarden voor de ingeroepen rechtvaardigingsgrond niet zijn vervuld. Het Hof gaat daarbij wel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  6. Het arrest oordeelt als volgt: - de eerste rechters hebben een overzicht gegeven van de relevante gegevens van het onderzoek en de schuld van de verweerder gesteund op de vaststellingen van de verbalisanten met betrekking tot de kwetsuren van de eiser, het medisch attest, de vaststellingen van dr. Van Noten, de verklaring van B.E.H. en de verklaringen van de eiser en de verweerder; - er moet worden vastgesteld dat de eiser zich beroept op de rechtvaardi¬gingsgrond van wettige verdediging en dat hij in dat kader voldoet aan de aanvoeringslast, gelet op het feit dat er geen betwisting bestaat dat het de eiser is geweest die zelf de verweerder is komen opzoeken in het kapsalon (volgens hemzelf om zwart werk vast te stellen) en op de gelijkluidende verklaringen van de verweerder en B.E.H. dat het de eiser is die de verweerder is beginnen slaan; - de verwijzing door de eerste rechters naar de verklaring van B.E.H. als belastend element is merkwaardig en naar het oordeel van de appelrechters niet correct; - aangezien de verweerder voldoet aan zijn aanvoeringslast, komt het aan het openbaar ministerie en de eiser toe om aan te tonen dat hier geen sprake is van wettige verdediging, maar zij slagen niet in die weerlegging; - voor zover de eerste rechters zich hebben gesteund op de verklaringen van de eiser en de verweerder gaat het om “woord tegen woord”; - de verwijzingen naar de vaststellingen van kwetsuren en medische attesten tonen aan dat de eiser verwondingen had en arbeidsongeschikt was, maar dit wordt op zich ook niet betwist en de aard van de verwondingen toont niet aan dat er hoe dan ook sprake zou zijn geweest van een buitenproportionele reactie van de verweerder, die trouwens ook medisch geattesteerde en gefotografeerde verwondingen had.
  7. Uit die motivering blijkt dat de appelrechters niet op abstracte wijze maar in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak hebben onderzocht of de verweerder erin is geslaagd op een wijze die niet elke geloofwaardigheid mist aan te voeren dat de voorwaarden voor de door hem ingeroepen rechtvaardigingsgrond van wettige verdediging zijn vervuld. Op grond van hun vaststellingen konden zij wettig beslissen dat dit het geval is en dat de bewijslast voor de weerlegging van de aangevoerde rechtvaardigingsgrond bij het openbaar ministerie en de eiser ligt, die daarin echter niet slagen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 84,01 euro, waarvan 49,01 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 14 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.11 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.