← België

G. contra F.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:

Art. 61q

uinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 127

- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: ONDERZOEKSGERECHTEN Vrije woorden: Regeling van de rechtspleging - Arrest waarbij bijkomende onderzoekshandelingen worden bevolen - Buitenvervolgingstelling - Hoger beroep - Rechtsmacht - Mogelijkheid om uitspraak te doen over de regeling van rechtspleging - Gewijzigde omstandigheden - Gevolg Wettelijke bepalingen: Gerechtelijk Wetboek - Eerste deel: ALGEMENE BEGINSELEN. (art. 1 tot 57) - 10-10-1967 - Art. 19, tweede lid - 01 ELI link Pub nr 1967101052 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 61q

uinquies - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wetboek van Strafvordering - eerste boek (Art. 8 tot en met 136ter), zoals gewijzigd door de Wet van 11 juli 1994 betreffende de politierechtbanken en houdende een aantal bepalingen betreffende de versnelling en de modernizering van de

Art. 127- 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr.

P.20.0199.N

  1. G G, burgerlijke partij,
  2. E S, burgerlijke partij,
  3. H V V, burgerlijke partij,
  4. QUINHOUSE bv, met zetel te 1760 Roosdaal, Lombeekstraat 68, burgerlijke partij, eisers, met als raadsman mr. Bart Daneels, advocaat bij de balie Gent, tegen
  5. J F, inverdenkingestelde,
  6. J G, inverdenkingestelde, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, kamer van inbeschuldigingstelling, van 28 januari
  7. De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  8. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 149 Grondwet, de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering en artikel 19, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek: aangezien bij een met toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering gewezen arrest van 29 november 2018 door de kamer van inbeschuldigingstelling is geoordeeld dat het onderzoek niet volledig was en dat voor de waarheidsvinding specifieke bijkomende onderzoeksdaden dienden te worden uitgevoerd, kan het bestreden arrest met een loutere verwijzing naar de voeging van een oud strafdossier niet oordelen dat de eerder bevolen onderzoekshandelingen niet meer noodzakelijk zijn; de voeging van een oud bestaand strafdossier kan niet zomaar tot gevolg hebben dat het onderzoek als volledig dient te worden beschouwd, zonder dat concreet wordt aangeduid hoe die voeging de uitvoering van de bevolen onderzoekshandelingen niet langer noodzakelijk maakt; de beslissing is niet naar recht verantwoord; het bestreden arrest kan niet oordelen dat het onderzoeksgerecht rechtsmacht had om de bezwaren te beoordelen.
  9. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging. In zoverre het middel de schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  10. In zoverre het middel schending aanvoert van de artikelen 127, 135 en 223 Wetboek van Strafvordering, zonder te preciseren op welk in de appelconclusie van de eisers gevoerd verweer het bestreden arrest niet antwoordt, is het bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.
  11. Artikel 19, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek verzet zich niet ertegen dat de kamer van inbeschuldigingstelling die moet beslissen over het hoger beroep van een burgerlijke partij tegen een beslissing tot buitenvervolgingstelling van de raadkamer, oordeelt dat de aanvullende onderzoeksmaatregelen die diezelfde kamer van inbeschuldigingstelling heeft bevolen bij toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering, gelet op gewijzigde omstandigheden, niet langer noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding.
  12. De kamer van inbeschuldigingstelling oordeelt onaantastbaar of er gewijzigde omstandigheden zijn die maken dat de bij toepassing van de artikelen 61quinquies en 127, § 3, Wetboek van Strafvordering bevolen onderzoekshandelingen niet langer noodzakelijk zijn voor de waarheidsvinding. Het Hof gaat wel na of het onderzoeksgerecht uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
  13. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  14. Het bestreden arrest oordeelt dat gelet op de voeging van een eensluidend verklaard afschrift van het gerechtelijk onderzoek DE.25.99.40439/2013 het onderzoek volledig is en het toelaat om te oordelen. Het stelt vast dat er geen noodzaak is tot het bevelen van de door de eisers gevraagde onderzoekshandelingen: de vroegere gemeentesecretaris P.R. en landmeter B.D.P. werden reeds omstandig gehoord in het kader van het gerechtelijk onderzoek DE.25.99.40439/2013; de verweerders en A.V.R. werden zowel in het kader van dit vroegere gerechtelijk onderzoek als in het kader van het voorliggende dossier gehoord; C.G. werd in het kader van het voorliggende dossier reeds tweemaal verhoord; een nieuw (her)verhoor van één of meerdere van de vernoemde personen zal niet van aard zijn om bijkomende relevante gegevens aan het reeds verzamelde materiaal toe te voegen. Op grond van die redenen kan het bestreden arrest wettig oordelen dat gelet op de voeging van het dossier DE.25.99.40439/2013 het onderzoek volledig is en toelaat om te oordelen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.
  15. Met die redenen vermeldt het bestreden arrest bovendien voor elk van de met het arrest van 29 november 2018 bevolen onderzoekshandelingen waarom de uitvoering ervan niet langer noodzakelijk is. In zoverre berust het middel op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag.
  16. Met de overwegingen die het bevat onder de randnummers 7 tot en met 12 (p. 11-23), vermeldt het bestreden arrest de voornaamste redenen die de appelrechters hebben overtuigd om te beslissen tot de buitenvervolgingstelling van de verweerders 1 en
  17. Aldus zijn de eisers in staat die beslissing te begrijpen. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Tweede middel Eerste onderdeel
  18. Het onderdeel voert schending aan van artikel 245 Strafwetboek: met het oordeel dat een bruto commissie van 900,00 euro in het kader van belangenneming niet aanzienlijk is en op die grond voor de telastlegging A.1 de buitenvervolgingstelling van de verweerder 1 te bevelen, vereist het bestreden arrest voor het misdrijf van belangenneming ten onrechte een effectief voordeel; er is immers een voltooid misdrijf indien de ambtenaar een voordeel kan behalen uit zijn ambt; een theoretische mogelijkheid en de enkele vaststelling van een commissie van 900,00 euro volstaat; het voordeel van de verweerder 1 beperkt zich overigens niet tot die premie; uit de tapmaatregel blijkt verder dat de verweerder 1 de belangenneming heeft toegegeven; het bestreden arrest miskent dan ook de bewijsstukken.
  19. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de beoordeling van de feiten door het bestreden arrest of verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.
  20. Het bestreden arrest grondt de beslissing tot buitenvervolgingstelling van de verweerder 1 onder meer op de volgende redenen, welke de beslissing tot buitenvervolgingstelling voor de telastlegging A.1 schragen: - tijdens het gerechtelijk onderzoek is gebleken dat de verweerder 1 voor zijn prestaties als private bankier in het jaar 2013 een totale bonus van 13.840,00 euro heeft ontvangen, dat volgens de gegevens verstrekt door de bank, indien de verweerder 1 effectief als private bankier zou zijn tussengekomen bij de belegging van 500.000,00 euro door A.V.R., 900,00 euro als bonus aan die specifieke belegging zou kunnen worden gelinkt, maar dat evenwel een louter theoretische oefening is want de bonus wordt berekend op de totale prestaties en niet per dossier of per cliënt; - er zijn alleszins geen concrete aanwijzingen voor de stelling dat de verweerder 1 bij de onderhandelingen met A.V.R. over de aankoop van de site V.R. door de gemeente een persoonlijk belang zou hebben genomen door A.V.R. er tijdens de onderhandelingen over de aankoop van de site op een of andere wijze toe aan te zetten om zijn deel van de opbrengst binnen D.L. te beleggen en dan nog op dusdanige wijze dat de verweerder 1 daarbij op een commissie van zijn werkgever kon rekenen; - er zijn evenmin concrete aanwijzingen dat de verweerder 1 binnen D.L-B.N. het beheer van de rekeningen van A.V.R. waarnam of waarneemt. In zoverre kan het onderdeel, dat is gericht tegen een overtollige reden, niet tot cassatie leiden en is het niet ontvankelijk.
  21. Het bestreden arrest betrekt bij de beoordeling wel degelijk de beweerde bekentenis van de verweerder 1 die zou blijken uit een tapmaatregel. Het oordeelt dat de uitlating van de verweerder 1 in dit getapt gesprek niet met voldoende zekerheid kan worden geïnterpreteerd als een ernstige schuldaanwijzing lastens de verweerder 1 voor de telastlegging B en het bestempelt die uitlating eerder als een vrijblijvende opmerking in plaats van een voorwaarde voor het verkrijgen van een bouwvergunning. In zoverre berust het onderdeel op een onvolledige lezing van het bestreden arrest en mist het feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
  22. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het bestreden arrest is dubbelzinnig en tegenstrijdig gemotiveerd; met het tussenarrest van 24 oktober 2019 wordt geoordeeld dat ook een mogelijke belangenneming een voltooid misdrijf oplevert, wat manifest strijdig is met het oordeel van het bestreden arrest dat er onvoldoende bezwaren bestaan bij de vaststelling van een voordeel van 900,00 euro.
  23. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de regeling van de rechtspleging. In zoverre het onderdeel de schending van die bepaling aanvoert, faalt het naar recht.
  24. Een tegenstrijdigheid of een dubbelzinnigheid als juridisch sanctioneerbaar motiveringebrek veronderstelt redenen of beschikkingen van eenzelfde rechterlijke beslissing. Een dergelijk motiveringsgebrek kan niet bestaan tussen redenen of beschikkingen van onderscheiden rechterlijke beslissingen. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten op 130,41 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 14 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.17 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.