id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 14 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.7 Rolnummer: P.21.0530.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-09-22 Raadplegingen: 836 - laatst gezien 2026-06-18 18:47 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 Voor de bepaling van de straf kan de rechter alle feitelijke omstandigheden in aanmerking nemen die naar zijn oordeel een licht werpen op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de dader op voorwaarde dat deze feiten aan tegenspraak zijn onderworpen en dat daardoor het vermoeden van onschuld niet wordt miskend; het enkele gegeven dat die feitelijke omstandigheden als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, belet de rechter niet die omstandigheden bij de straftoemeting te betrekken, voor zover hij niet vaststelt dat de beklaagde zich aan die feiten heeft schuldig gemaakt
(1)Cass. 29 mei 2018, AR P.17.0762.N ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2, AC 2018, nr. 340; Cass. 12 oktober 2016, AR P.16.0627.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.2, AC 2016, nr. 566; Cass. 28 mei 2014, AR P.14.0484.F ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.4, AC 2014, nr. 387, met concl. van advocaat-generaal D. VANDERMEERSCH op datum in Pas.. Thesaurus CAS: STRAF - ALGEMEEN. STRAF EN MAATREGEL. WETTIGHEID Vrije woorden: Straftoemeting - Feitelijke omstandigheden omtrent de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de dader - Feiten als een misdrijf omschreven - Vermoeden van onschuld - Grens Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.2 Vrije woorden: Straftoemeting - Feitelijke omstandigheden omtrent de ernst van de feiten en de persoonlijkheid van de dader - Feiten als een misdrijf omschreven - Vermoeden van onschuld - Draagwijdte Tekst van de beslissing Nr. P.21.0530.N H R R, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 12 maart
- De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Dirk Schoeters heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Middel Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en miskenning van de regels van de motivering in strafzaken: het bestreden vonnis is intern tegenstrijdig gemotiveerd; het oordeelt enerzijds met verwijzing naar het blanco strafverleden van de eiser dat hij in de wettelijke voorwaarden verkeert voor het gewoon uitstel van tenuitvoerlegging en beterschap kan worden verhoopt; het verleent anderzijds niettegenstaande beterschap kan worden verhoopt geen uitstel van tenuitvoerlegging.
- Uit het enkele feit dat een beklaagde zich bevindt in de wettelijke voorwaarden om uitstel van tenuitvoerlegging te genieten en dat beterschap kan worden verhoopt, volgt niet dat de rechter verplicht is uitstel van tenuitvoerlegging te verlenen. De rechter kan immers andere elementen in aanmerking nemen waaruit volgt dat de maatregel van het uitstel niet wenselijk is.
- De tegenstrijdigheid bestaat niet. Het onderdeel mist feitelijke grondslag. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 en 6.3.a EVRM, alsmede miskenning van het vermoeden van onschuld: het bestreden vonnis houdt bij de straftoemeting rekening met een niet definitief bewezen verklaard feit, dat wordt gesitueerd drie maanden vóór de feiten van de telastleggingen A en B; bij het bepalen van de strafmaat wordt aldus rekening gehouden met een beweerdelijk vastgesteld feit dat niet voorlag aan de rechter in deze procedure en waarvan het geenszins vaststond op het moment van de beoordeling dat dit op een definitieve wijze was bewezen.
- Voor de bepaling van de straf kan de rechter alle feitelijke omstandigheden in aanmerking nemen die naar zijn oordeel een licht werpen op de ernst van de bewezen verklaarde feiten en de persoonlijkheid van de dader op voorwaarde dat deze feiten aan tegenspraak zijn onderworpen en dat daardoor het vermoeden van onschuld niet wordt miskend.
- Het enkele gegeven dat die feitelijke omstandigheden als een misdrijf kunnen worden omschreven, waarvoor de beklaagde niet wordt vervolgd, belet de rechter niet die omstandigheden bij de straftoemeting te betrekken, voor zover hij niet vaststelt dat de beklaagde zich aan die feiten heeft schuldig gemaakt.
- Indien de rechter evenwel aanneemt dat de beklaagde zich aan een dergelijk niet vervolgd misdrijf heeft schuldig gemaakt, miskent hij het vermoeden van onschuld.
- In de mate dat de rechter bij de straftoemeting rekening houdt met het gegeven dat er tussen de feiten van 1 december 2019 (telastleggingen A en B) en 14 maart 2020 (telastleggingen C en D), waarvoor hij wordt vervolgd en waaraan hij schuldig wordt verklaard, slechts drie maanden liggen en dus met het opeenvolgend karakter van de vervolgde feiten, miskent hij niet het vermoeden van onschuld. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.
- Het bestreden vonnis oordeelt met betrekking tot de feiten van 1 december 2019 dat de verbalisanten de eiser “herkenden van een eerdere vaststelling waarbij de bestuurder zich niet had gehouden aan de voorwaarden van het voorlopig rijbewijs”. Het oordeelt met betrekking tot de straftoemeting als volgt: “Thans werd [de eiser] in december 2019 staande gehouden en geverbaliseerd voor gelijkaardige feiten, reden waarom de politie hem had herkend en aan een controle had onderworpen”. Aldus stelt het bestreden vonnis enkel vast dat de eiser een drietal maanden vóór de feiten van 1 december 2019 voor gelijkaardige feiten werd geverbaliseerd, zonder te oordelen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan een strafbaar feit waarvoor hij niet werd vervolgd. Bijgevolg miskent het bestreden vonnis met dit oordeel niet het vermoeden van onschuld van de eiser. In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen. Derde onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek: het bestreden vonnis kan eisers verzoek om een werkstraf niet afwijzen met het motief dat het klassieke straffenarsenaal passender is voor deze specifieke telastleggingen; zo wordt de weigering van een werkstraf gekoppeld aan de telastleggingen op zich en niet aan de doelstellingen van de straftoemeting zoals de concrete gegevens van de zaak en de persoon van de eiser.
- De rechter mag bij de beoordeling of een werkstraf een passende straf is wel degelijk de efficiëntie van de straf om een bepaald strafdoel te bereiken in aanmerking nemen en oordelen dat de bewezen verklaarde feiten efficiënter worden beteugeld door het klassieke straffenarsenaal. In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het bestreden vonnis grondt de straftoemetingsbeslissing niet enkel op de ernst van de feiten, maar ook op de persoonlijkheid van de eiser. Hij verwijst daarbij naar de bijzondere hardnekkigheid in zijn weigering om zich te conformeren en de vaststelling dat de opeenvolgende feiten duiden op een totaal gebrek aan verantwoordelijkheid in het verkeer. In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 134,86 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 14 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Schoeters, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210914.2N.7 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20211005.2N.9 precedenten: ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140528.4 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20161012.2 ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180529.2 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div