id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.1 Rolnummer: F.20.0059.N Zaak: BELGISCHE STAAT contra Gerlach & Co nv Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-10-25 Raadplegingen: 1162 - laatst gezien 2026-06-18 23:49 Versie(s): Vertaling FR Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.1 Fiche Voor de toepassing van artikel 221.4 CDW is het voldoende dat de douaneautoriteiten van oordeel zijn dat er sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare handeling waardoor de douaneschuld is ontstaan, ongeacht het tijdstip waarop de douaneautoriteiten deze handeling als strafrechtelijk vervolgbaar kwalificeren
(1)Zie concl. OM. Thesaurus CAS: DOUANE EN ACCIJNZEN Vrije woorden: Communautair Douanewetboek - Artikel 221.3 CDW - Verplichting van mededeling van het bedrag van de verschuldigde rechten binnen drie jaar - Uitzondering artikel 221.4 CDW - Douaneschuld ontstaan uit strafrechtelijk vervolgbare handeling - Toepassingsvoorwaarden Wettelijke bepalingen: EEG-Verordening nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek - 12-10-1992 - Art. 221 - 32 Link Justel databank 19921012-32 Tekst van de beslissing Nr. F.20.0059.N BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de administratie der douane en accijnzen, centrale administratie-dienst Invordering en geschillen in de persoon van de Gewestelijke Directeur van Antwerpen, met kantoor te 2060 Antwerpen, Ellermanstraat 21, eiser, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest, tegen GERLACH CO nv, met zetel te 2030 Antwerpen, Schouwkensstraat 7, Haven 200, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0404.527.216, verweerster, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweerster woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 3 december 2019. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 6 juli 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste onderdeel Ontvankelijkheid (…) Gegrondheid 3. Artikel 221.3 CDW bepaalt dat de mededeling aan de schuldenaar van het bedrag van de rechten moet plaatsvinden binnen drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan. Krachtens artikel 221.4 CDW mag de mededeling van de wettelijk verschuldigde bedragen, overeenkomstig de in de geldende bepalingen daartoe gestelde voor-waarden, nog na het verstrijken van de in het derde lid bedoelde termijn aan de schuldenaar worden gedaan wanneer de douaneschuld is ontstaan ingevolge een handeling die op het tijdstip dat zij werd verricht strafrechtelijk vervolgbaar was. Voor de toepassing van artikel 221.4 CDW is het voldoende dat de douaneautori-teiten van oordeel zijn dat er sprake is van een strafrechtelijk vervolgbare hande-ling waardoor de douaneschuld is ontstaan, ongeacht het tijdstip waarop de doua-neautoriteiten deze handeling als strafrechtelijk vervolgbaar kwalificeren. 4. Artikel 261 AWDA bestraft met een geldboete van 125 tot 1.250 euro, voor zover zij niet worden beteugeld door een andere sanctie inzake douane en accijn-zen, de inbreuken: - op verordeningen en beschikkingen van algemene aard van de Raad of van de Commissie van de Europese Gemeenschappen; - op de besluiten getroffen bij toepassing van artikel 11, § 1; - in het algemeen, op de wetten en besluiten inzake douane en accijnzen. Derhalve maakt elke onregelmatigheid inzake douane en accijnzen in het Belgi-sche recht een handeling uit die in principe strafrechtelijk vervolgbaar is. 5. Overeenkomstig artikel 78.1.b CTW, vóór de wijziging bij Verordening nr. 1063/2010 van de Commissie van 18 november 2010, worden als rechtstreeks ver-voerd van het begunstigde land van uitvoer naar de Gemeenschap of van de Ge-meenschap naar het begunstigde land beschouwd, en bijgevolg onder het preferen-tieel tarief ingeklaard: “
- b)producten die één enkele zending vormen en over het grondgebied van andere landen dan over dat van het begunstigde land of over dat van de Gemeenschap worden vervoerd, eventueel met overslag of tijdelijke opslag in deze landen, voorzover zij onder toezicht van de douaneautoriteiten van het land van doorvoer of opslag zijn gebleven en aldaar geen andere behandelingen hebben ondergaan dan lossen en opnieuw laden of enige andere behandeling om deze producten in goede staat te behouden”. Wanneer het preferentieel tarief wordt toegepast zonder dat aan het voorschrift van artikel 78.1.b CTW is voldaan, is er sprake van een douanerechtelijk misdrijf, met name een inbreuk op artikel 261, eerste streepje, AWDA, waaruit een douane-schuld ontstaat. 6. Uit het arrest blijkt dat: - de verweerster in de periode van februari 2004 tot en met april 2006 in op-dracht van Gildan Activewear Ltd verschillende aangiftes heeft ingereikt voor het in verbruik stellen van textiel; - daarbij Honduras of Haïti werd vermeld als het land van oorsprong en verschil-lende certificaten van oorsprong FORM A werden voorgelegd, waardoor een preferentieel recht aan 0 pct. werd toegekend; - voor bepaalde zendingen aan de voorwaarden van artikel 78.1.b CTW niet was voldaan omdat de goederen naar de EG werden vervoerd via de Verenigde Staten; - voor die zendingen op 8 november 2011 door de eiser een beschikking werd opgemaakt waarin de toepassing van het preferentieel tarief werd geweigerd; - het administratief bezwaar van de verweerster tegen deze beschikking werd af-gewezen bij beschikking van de administrateur der douane en accijnzen van 26 februari 2013; - de eiser in de beschikking van 26 februari 2013 “de [strafrechtelijk vervolgba-re] handeling wel als dusdanig aanhaalt, zij het als een handeling van derden”. 7. De appelrechters overwegen dat: - de overtreding van artikel 78 CTW inzake de afwezigheid van bewijs van “rechtstreeks vervoer” voor de litigieuze invoeren op het ogenblik van het stel-len van de vordering tot betaling van de aanvullende invoerrechten niet door de eiser was gekwalificeerd als een in artikel 261 AWDA bedoeld misdrijf, aange-zien die overtreding pas nadien als strafrechtelijk vervolgbaar werd ge-kwalificeerd; - een strafrechtelijk vervolgbare handeling niet aan de oorsprong ligt van de navordering, en dit zelfs nu de eiser in de beschikking van 26 februari 2013, in antwoord op het administratief beroep van de verweerster tegen de beschikking van 8 november 2011, “de handeling wel als dusdanig aanhaalt, zij het als een handeling van derden”, aangezien “ook de beschikking van 26 februari 2013 niet in concreto aanduidt welke concrete strafrechtelijke handeling dan aan deze derde verweten wordt of welk voornemen bestond deze aldus (…) te vervolgen”; - het “onderzoek door het hof (van beroep) van de vraag of precies door enige strafrechtelijk vervolgbare handeling [de eiser] niet tijdig kon overgaan tot het invorderen van de aanvullende invoerrechten, (…) evenmin [heeft] kunnen lei-den tot een positief antwoord”. Door aldus te oordelen dat “[de verweerster] met reden volhoudt dat [de eiser] niet bewijst dat het gaat om een vordering van aanvullende invoerrechten aan-gaande een strafrechtelijk vervolgbare handeling bedoeld in artikel 221, lid 4 CDW, zodat krachtens artikel 221, lid 3 CDW [de verweerster] terecht het verstre-ken zijn van de invorderingstermijn inroept en zij geacht moet worden bevrijd te zijn van betaling van deze rechten door het verstrijken ervan op het ogenblik van het aanvatten van die invordering”, verantwoorden de appelrechters hun beslissing niet naar recht. Het onderdeel is gegrond. 8. De door de verweerster voorgestelde prejudiciële vraag of de regeling waar-bij elke inbreuk op een materiële bepaling inzake douane en accijnzen strafbaar wordt gesteld zodat de facto steeds de tienjarige verjaringstermijn van toepassing is, in overeenstemming is met het Unierecht, houdt geen verband met het onder-deel en dient bijgevolg niet te worden gesteld. Overige grieven 9. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden. Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 16 september 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.1 Gerelateerde publicatie(
- s)Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210916.1N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div