id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 16 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.5 Rolnummer: F.20.0034.N Zaak: DV SPECIAL MACHINES bv contra BELGISCHE STAAT Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Belastingrecht Invoerdatum: 2021-09-24 Raadplegingen: 849 - laatst gezien 2026-06-16 04:23 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 In geval door de belastingplichtige een aangifte in de roerende voorheffing wordt ingediend, zijn de in artikel 333, tweede lid, WIB92 voorziene termijnen gedurende dewelke de administratie onderzoekingen kan doen in verband met die aangifte gekoppeld aan het aanslagjaar en belastbaar tijdperk waarvoor de aangifte wordt ingediend; indien die aangifte onjuist wordt bevonden en eruit blijkt dat inkomsten werden aangegeven die betrekking hebben op een ander belastbaar tijdperk dan zijn de termijnen voor de eventuele verdere onderzoeksverrichtingen met betrekking tot die verkeerd aangegeven inkomsten gekoppeld aan het jaar waarnaar het aanslagjaar genoemd wordt waarvoor de belasting is verschuldigd. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Vrije woorden: Aangifte - Onderzoekstermijn Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Artt. 333 en 354 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Fiches 2 - 3 Een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de roerende voorheffing moet als een controle of onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelasting in de zin van artikel 358, § 1, 1°, WIB92 worden beschouwd. Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - VOORHEFFINGEN EN BELASTINGKREDIET - Roerende voorheffing Vrije woorden: Onderzoekingen - Aard Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Thesaurus CAS: INKOMSTENBELASTINGEN - AANSLAGPROCEDURE - Aanslagtermijnen Vrije woorden: Roerende voorheffing - Onderzoekingen - Begrip Wettelijke bepalingen: Wetboek Inkomstenbelastingen 1992 - 12-06-1992 - Art. 358 - 32 Link Justel databank 19920612-32 Tekst van de beslissing Nr. F.20.0034.N DV SPECIAL MACHINES bv, met zetel te 9831 Sint-Martens-Latem, Lindenpark 2, bus B, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0450.164.825, eiseres, vertegenwoordigd door mr. Daniel Garabedian, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Goedheidsstraat 5, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de adviseur-generaal Centrum KMO Aalst, met kantoor te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. Geoffroy de Foestraets, advocaat bij het Hof van Cassatie, en bijgestaan door mr. Stefan De Vleeschouwer, advocaat bij de balie Brussel, beiden met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 september
- Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft op 5 juli 2021 een schriftelijke conclusie neergelegd. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Johan Van der Fraenen heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDELEN De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Eerste middel Eerste onderdeel
- Krachtens artikel 333, eerste lid, WIB92 kan de administratie, onverminderd de bevoegdheden die haar bij de artikelen 351 tot 354 zijn toegekend, de in Titel VII, hoofdstuk III, bedoelde onderzoekingen verrichten en belastingen of aanvullende aanslagen eventueel vestigen, zelfs wanneer de aangifte van de belastingplichtige reeds werd aangenomen en de desbetreffende belastingen reeds werden betaald. Bedoelde onderzoekingen mogen krachtens artikel 333, tweede lid, WIB92 zonder voorafgaande kennisgeving aan de belastingplichtige worden verricht gedurende het belastbaar tijdperk evenals in de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid, en in de termijn bedoeld in artikel 354, vierde lid, WIB
- Krachtens artikel 354, eerste lid, WIB92 mag bij niet-aangifte, bij laattijdige overlegging van aangifte, of wanneer de verschuldigde belasting hoger is dan de belasting met betrekking tot de belastbare inkomsten en de andere gegevens vermeld in de daartoe bestemde rubrieken van een aangifteformulier dat voldoet aan de vorm- en termijnvereisten, gesteld bij de artikelen 307 tot 311, de belasting of de aanvullende belasting, in afwijking van artikel 359, worden gevestigd gedurende drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd waarvoor de belasting is verschuldigd. Op voorwaarde dat de Administratie de belastingplichtige vooraf schriftelijk en op nauwkeurige wijze kennis heeft gegeven van de aanwijzingen inzake belastingontduiking die te zijnen aanzien bestaan voor het bedoeld tijdperk, mogen die onderzoekingen bovendien krachtens artikel 333, derde lid, WIB92 worden verricht gedurende de in artikel 354, tweede lid, bedoelde aanvullende termijn van vier jaar. Die voorafgaande kennisgeving is voorgeschreven op straffe van nietigheid. Krachtens artikel 354, tweede lid, WIB92 wordt de termijn van artikel 354, eerste lid, WIB92 met vier jaar verlengd in geval van inbreuk op de bepalingen van dit Wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten, gedaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
- Krachtens artikel 267, eerste lid, WIB92 brengt de toekenning of de betaalbaarstelling van de inkomsten, in geld of in natura, de opeisbaarheid van de roerende voorheffing mede. Krachtens artikel 199 KB/WIB92 valt voor de toepassing van de roerende voorheffing het belastbare tijdperk samen met het jaar waarnaar het aanslagjaar wordt genoemd. Overeenkomstig artikel 204, 2°, KB/WIB92 is inzake inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen die overeenkomstig de artikelen 261, 2°, 263, eerste lid, en 267 WIB92 aan de roerende voorheffing onderworpen zijn, het belastbaar tijdperk het tijdperk waarin die inkomsten aan de belastingplichtige zijn betaald of toegekend.
- Uit de samenhang van deze wettelijke bepalingen volgt dat in geval door de belastingplichtige een aangifte in de roerende voorheffing wordt ingediend, de in artikel 333, tweede lid, WIB92 voorziene termijnen gedurende dewelke de administratie onderzoekingen kan doen in verband met die aangifte gekoppeld zijn aan het aanslagjaar en belastbaar tijdperk waarvoor de aangifte wordt ingediend. Indien die aangifte onjuist wordt bevonden en eruit blijkt dat inkomsten werden aangegeven die betrekking hebben op een ander belastbaar tijdperk dan zijn de termijnen voor de eventuele verdere onderzoeksverrichtingen met betrekking tot die verkeerd aangegeven inkomsten gekoppeld aan het jaar waarnaar het aanslagjaar genoemd wordt waarvoor de belasting is verschuldigd.
- De appelrechters stellen vast en oordelen dat: - de betrokken aangifte in de roerende voorheffing door de eiseres op 11 januari 2013 werd ingediend en als datum van toekenning of betaalbaarstelling 5 juni 2013 vermeldt; - in een situatie waarin de eiseres de uitkering van dividenden zelf koppelt aan het aanslagjaar 2013 door als datum van toekenning of betaalbaarstelling een datum te vermelden die valt binnen dit aanslagjaar, het de administratie toegelaten was om binnen de termijn bedoeld in artikel 354, eerste lid, WIB92 te rekenen vanaf 1 januari van het aanslagjaar dat door de eiseres zelf werd aangegeven, een vraag om inlichtingen zonder voorafgaande kennisgeving aan de eiseres te stellen, en dat de administratie mocht uitgaan van de juistheid van de aangifte van de eiseres en, voor de toepassing van artikel 333 WIB92, van de datum die erin vermeld was; - de vraag om inlichtingen werd gesteld in het kader van een controle voor het aanslagjaar 2013; - het feit dat naar aanleiding van die vraag naderhand bleek dat de eiseres de uitkering verkeerdelijk gekoppeld had aan het aanslagjaar 2013, aangezien de werkelijke datum van toekenning of betaalbaarstelling zich in het aanslagjaar 2012 situeerde, niet tot gevolg heeft dat de administratie door het stellen van deze onderzoeksdaad zonder voorafgaande kennisgeving een inbreuk op artikel 333 WIB92 heeft gepleegd, aangezien de administratie, na te hebben opgemerkt dat de uitkering door de eiseres aan een verkeerd aanslagjaar werd gekoppeld, geen verdere onderzoekingen heeft verricht en aan de eiseres een bericht van wijziging van aangifte en later een supplementaire aanslag voor het correcte aanslagjaar heeft verstuurd. Aldus verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht. Het onderdeel kan niet worden aangenomen. Tweede onderdeel
- Krachtens artikel 358, § 1, 1°, WIB92 mag de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelastingen ten name van een welbepaalde belastingplichtige uitwijst, dat die belastingplichtige de bepalingen van dit wetboek of van ter uitvoering ervan genomen besluiten inzake roerende voorheffing heeft overtreden, in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar van de vaststelling van de inbreuk.
- Krachtens artikel 1, § 1, WIB92 worden als inkomstenbelastingen geheven: 1° een belasting op het totale inkomen van rijksinwoners, personenbelasting geheten; 2° een belasting op het totale inkomen van binnenlandse vennootschappen, vennootschapsbelasting geheten; 3° een belasting op inkomsten van andere Belgische rechtspersonen dan vennootschappen, rechtspersonenbelasting geheten; 4° een belasting op inkomsten van niet-inwoners, belasting van niet-inwoners geheten. Krachtens artikel 1, § 2, WIB92 worden de belastingen geheven door middel van voorheffingen, binnen de grenzen en onder de voorwaarden als bepaald in titel VI, hoofdstuk I. Een controle of een onderzoek in verband met de toepassing van de roerende voorheffing moet als een controle of onderzoek in verband met de toepassing van de inkomstenbelasting in de zin van artikel 358, § 1, 1°, WIB92 worden beschouwd. In zoverre het onderdeel van een tegenovergestelde rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 149 Grondwet, is het afgeleid uit de vergeefs aangevoerde stelling dat de vraag om inlichtingen van 30 september 2015 een controle van de aangifte in de roerende voorheffing is en geen controle in verband met de toepassing van de inkomstenbelastingen in de zin van artikel 358, § 1, 1°, WIB92, en bijgevolg niet ontvankelijk. (…) Dictum Het Hof, Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het nalatigheidsinterest toekent. Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest. Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over. Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Brussel. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Filip Van Volsem, Bart Wylleman, Koenraad Moens en François Stévenart Meeûs, en in openbare rechtszitting van 16 september 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Johan Van der Fraenen, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210916.1N.5 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div