← België

G.

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.14 Rolnummer: P.21.0428.N Zaak: G. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige Invoerdatum: 2021-09-28 Raadplegingen: 971 - laatst gezien 2026-06-19 05:15 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd en het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken

(1); uit de enkele omstandigheid dat de op verschillende tijdstippen en plaatsen gepleegde misdrijven gelijkaardig of gelijksoortig zijn, kan niet noodzakelijk worden afgeleid dat deze onderscheiden misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet.
(1)Cass. 8 februari 2012, AR P.11.1918.F ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120208.8, AC 2012, nr.
  1. Thesaurus CAS: STRAF - SAMENLOOP - Eéndaadse Vrije woorden: Eenheid van opzet - Begrip - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Strafwetboek 1867 - 08-06-1867 - Art. 65, eerste lid - 01 ELI link Pub nr 1867060850 Fiche 2 De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de verschillende feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart. Thesaurus CAS: ONAANTASTBARE BEOORDELING DOOR DE FEITENRECHTER Vrije woorden: Strafzaken - Samenloop - Eendaadse - Eenheid van opzet - Begrip - Draagwijdte Fiche 3 Behoudens bij daartoe strekkende conclusie dient de rechter die van oordeel is dat er geen eenheid van opzet bestaat tussen feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt middels verschillende dagvaardingen in onderscheiden zaken, dit niet uitdrukkelijk vast te stellen. Thesaurus CAS: REDENEN VAN DE VONNISSEN EN ARRESTEN - GEEN CONCLUSIE - Strafzaken (geestrijke dranken en douane en accijnzen inbegrepen) Vrije woorden: Samenloop - Eendaadse - Eenheid van opzet - Motivering Tekst van de beslissing Nr. P.21.0428.N D. G., beklaagde, eiser, met als raadsman David Frejlich, advocaat bij de balie Antwerpen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 22 februari 2021 (nr. 2021/866). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Eerste middel
  2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65, eerste lid, Strafwetboek: het bestreden vonnis neemt geen eenheid van opzet aan tussen de in deze zaak beoordeelde feiten en andere gelijkaardige feiten in drie andere zaken; de vaststelling dat de feiten niet allemaal op hetzelfde tijdstip en dezelfde plaats werden gepleegd, doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek.
  3. Artikel 65, eerste lid, Strafwetboek bepaalt: “Wanneer een zelfde feit verscheidene misdrijven oplevert of wanneer verschillende misdrijven die de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van een zelfde misdadig opzet, gelijktijdig worden voorgelegd aan een zelfde feitenrechter, wordt alleen de zwaarste straf uitgesproken.”
  4. Verschillende aan een beklaagde ten laste gelegde misdrijven komen uit eenzelfde opzet voort wanneer zij onderling verbonden zijn door eenheid van doel en verwezenlijking en in die zin door één feit, te weten een complexe gedraging, zijn opgeleverd. Het in de wet bedoelde opzet kan omschreven worden als eenheid van drijfveer, waarbij elk van de door de dader gestelde handelingen een welomschreven plaats inneemt in het systeem dat hij heeft bedacht om zijn doel te bereiken.
  5. Uit de enkele omstandigheid dat de op verschillende tijdstippen en plaatsen gepleegde misdrijven gelijkaardig of gelijksoortig zijn, kan niet noodzakelijk worden afgeleid dat deze onderscheiden misdrijven de opeenvolgende en voortgezette uitvoering zijn van eenzelfde misdadig opzet.
  6. De rechter oordeelt onaantastbaar of er eenheid van opzet bestaat tussen de verschillende feiten waaraan hij een beklaagde schuldig verklaart.
  7. Behoudens bij daartoe strekkende conclusie dient de rechter die van oordeel is dat er geen eenheid van opzet bestaat tussen feiten die bij hem aanhangig zijn gemaakt middels verschillende dagvaardingen in onderscheiden zaken, dit niet uitdrukkelijk vast te stellen.
  8. Het middel dat uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt naar recht. Tweede middel
  9. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 37ter (lees artikel 37quinquies) Strafwetboek: de keuze van de appelrechters voor een gevangenisstraf en een geldboete in plaats van de door de eiser gevraagde werkstraf is niet naar recht verantwoord en is evenmin naar recht gemotiveerd.
  10. De rechter oordeelt onaantastbaar of een werkstraf een gepaste strafrechtelijke reactie is op een feit waaraan hij de beklaagde schuldig verklaart. De loutere omstandigheid dat een beklaagde voldoet aan de wettelijke voorwaarden voor een werkstraf, verplicht de rechter niet die straf uit te spreken. Er bestaat immers geen recht op een werkstraf. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
  11. Artikel 37quinquies, § 3, tweede lid, Strafwetboek bepaalt dat de rechter die een door een beklaagde gevraagde werkstraf weigert, die beslissing met redenen moet omkleden.
  12. Het bestreden vonnis verwerpt eisers vraag om een werkstraf in plaats van een gevangenisstraf of een geldboete omdat dit een onvoldoende sterk signaal zou zijn gelet op de hardleersheid van de eiser. Het verwijst ter verantwoording van de opgelegde hoofdgevangenisstraf en geldboete naar de zwaarwichtigheid van de bewezen verklaarde feiten, de ernstige veiligheidsrisico’s die zij inhielden, de hardleersheid van de eiser zoals die blijkt uit zijn strafregister en de vaststelling dat eerdere gerechtelijke veroordelingen klaarblijkelijk niet het gewenste remediërend effect hebben gehad. Aldus is de afwijzing van eisers verzoek om een werkstraf regelmatig met redenen omkleed en naar recht verantwoord. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Derde middel
  13. Het middel voert schending van artikel 149 Grondwet aan, alsmede miskenning van het persoonlijke karakter van de strafrechtelijke sanctie: de persoonlijke aard van de straf noopt de rechter tot motivering van de opgelegde straf en dit is te meer vereist bij een verzwaring van de straf in hoger beroep; de verzwaring in hoger beroep is nergens gemotiveerd, zodat de straf niet regelmatig is opgelegd.
  14. Artikel 149 Grondwet noch enige andere bepaling verplicht de appelrechter te motiveren waarom hij in vergelijking met de eerste rechter de bestraffing verzwaart. Hij dient enkel de door hem opgelegde straffen te motiveren, niet waarom hij anders straft dan de eerste rechter.
  15. Uit artikel 149 Grondwet volgt voor de rechter geen bijzondere motiveringsverplichting voor wat betreft de keuze van de straffen en de maat ervan. Uit de artikelen 163, tweede lid, en 195, zevende lid, Wetboek van Strafvordering volgt dat de politierechtbank en de correctionele rechtbank in hoger beroep enkel het opleggen van een verval van het recht tot sturen en de maat van die bijkomende straf bijzonder moeten motiveren, voor zover de wet die aan hun vrije beoordeling overlaat. Het opleggen van andere straffen valt niet onder die bijzondere motiveringsverplichting.
  16. In zoverre het middel uitgaat van andere rechtsopvattingen, faalt het naar recht.
  17. Met de redenen die het bestreden vonnis (p. 6) bevat, vermeldt het nauwkeurig de redenen voor het opleggen van de bijkomende straf van het verval van het recht tot sturen en de duur ervan. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
  18. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten op 71,01 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.14 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120208.8 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230131.2N.6 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240507.2N.10 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.