id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 21 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.15 Rolnummer: P.21.0849.N Zaak: R. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Overige Invoerdatum: 2021-09-28 Raadplegingen: 667 - laatst gezien 2026-06-19 23:38 Versie(s): Vertaling FR Fiche Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet
(1).
(1)P. TRAEST en J. ROELANDT, "Herziening van de herziening anno 2019", NC 2019/6, 488-489; P. TRAEST, "Is der herziening in strafzaken aan herziening toe?", in F. DERUYCK, E. GOETHALS, L. HUYBRECHTS, J.-F. LECLERCQ, J. ROZIE, P. TRAEST en R. VERSTRAETEN (eds.), Amicus curiae Liber amicorum Marc De Swaef, Antwerpen, Intersentia, 2013, 388-
- Thesaurus CAS: HERZIENING - VERZOEK EN VERWIJZING OM ADVIES Vrije woorden: Verzoek - Ontvankelijkheid - Nieuw feit - Begrip - Draagwijdte Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 443, 3° - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Tekst van de beslissing Nr. P.21.0849.N R. R., verzoeker tot herziening, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verzoeker woonplaats kiest. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Bij verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht en ter griffie van het Hof is neergelegd op 25 juni 2021, vraagt de verzoeker op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering de herziening van: - het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 6 september 2017 (nr. 2017/13734); - het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 juni 2018 (nr. 2018/2854). De verzoeker heeft bij zijn verzoekschrift een met redenen omkleed gunstig advies gevoegd van mr. Katrien Van der Straeten, advocaat bij de balie Dendermonde, mr. Martine Geyskens, advocaat bij de balie Antwerpen, en mr. Charlotte Kennis, advocaat bij de balie Dendermonde. Deze advocaten zijn meer dan tien jaar ingeschreven op de tabel. Raadsheer Eric Van Dooren heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Alain Winants heeft geconcludeerd. II. RELEVANTE GEGEVENS
- Lastens de verzoeker werden onder meer de volgende beslissingen gewezen: - het vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, van 19 mei 2015 waarin hij wegens de niet-inlevering van het rijbewijs op 16 augustus 2014 na te zijn vervallen verklaard van het recht tot sturen, bij verstek werd veroordeeld tot een geldboete van 200,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 1.200,00 euro of een vervangend rijverbod van zestig dagen en een verval van het recht tot het besturen van motorvoertuigen voor een termijn van drie maanden, waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gesteld van het slagen in een medisch onderzoek; - het vonnis van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, van 14 september 2015 waarin hij wegens de niet-inlevering van het rijbewijs op 27 februari 2015 na te zijn vervallen verklaard van het recht tot sturen, bij verstek werd veroordeeld tot een geldboete van 300,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 1.800,00 euro of een vervangend rijverbod van negentig dagen en een verval van het recht tot het besturen van motorvoertuigen voor een termijn van drie maanden; - het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 6 september 2017 waarin hij onder de telastlegging B wegens het besturen van een motorvoertuig op 2 juli 2016 zonder met goed gevolg het bij het voormelde vonnis van 19 mei 2015 voorgeschreven onderzoek te hebben ondergaan, bij verstek werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes maanden, een geldboete van 1.000,00 euro, na verhoging met opdeciemen gebracht op 6.000,00 euro of een vervangend rijverbod van driehonderd dagen en een verval van het recht tot het besturen van motorvoertuigen voor een termijn van twee jaar, waarbij het herstel in het recht tot sturen afhankelijk werd gesteld van het slagen in een theoretisch en praktisch examen en een medisch en psychologisch onderzoek; - het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 13 december 2017 waarbij op tegenspraak het verzet van de verzoeker tegen het voormelde vonnis van 6 september 2017 wegens laattijdigheid niet ontvankelijk werd verklaard; - het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 juni 2018 waarbij op tegenspraak het beroepen vonnis van 13 december 2017 werd bevestigd; - de beschikking van de voorzitter van het Hof van 25 september 2018 (P.18.0863.N), waarbij het cassatieberoep tegen het voormelde vonnis van 18 juni 2018 niet toelaatbaar werd verklaard en waardoor de voormelde vonnissen van 6 september 2017 en 18 juni 2018 in kracht van gewijsde zijn gegaan.
- Uit de bij het verzoekschrift gevoegde brief met bijlage van de griffie van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, van 1 juli 2016 blijkt verder dat het verval van het recht tot het besturen van motorvoertuigen dat door het voormelde vonnis van die rechtbank van 14 september 2015 aan de verzoeker werd opgelegd voor een termijn van drie maanden, werd uitgevoerd van 1 april 2016 tot 1 juli 2016 en dat de verzoeker zijn rijbewijs op 1 juli 2016 terug in ontvangst nam. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Op grond van artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering kan in criminele of in correctionele zaken de herziening worden aangevraagd van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de rechtszitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.
- De verzoeker voegt tot staving van zijn verzoek tot herziening een brief met bijlage bij van de griffie van de politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Sint-Niklaas, van 1 juli 2016 waaruit volgt dat hij sedertdien opnieuw in het bezit van zijn rijbewijs werd gesteld. Hij leidt daaruit af dat hij er op 2 juli 2016 vanuit kon gaan over een volwaardig rijbewijs te beschikken.
- Uit de voorliggende stukken blijkt dat: - het veroordelend vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 6 september 2017 vaststelt dat de verzoeker, hoewel regelmatig gedagvaard, niet ter rechtszitting is verschenen, noch iemand voor hem; - het vonnis van de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 13 december 2017, onder meer steunend op het door de verzoeker ondertekende “attest van kennisname van de betekening” gericht aan de procureur des Konings te Antwerpen, vaststelt dat de verzoeker op 26 oktober 2017 persoonlijk kennis heeft gekregen van de betekening van het verstekvonnis van 6 september 2017 en vervolgens oordeelt dat zijn verzet aangetekend bij akte van 23 november 2017 laattijdig voorkomt, waardoor hij ook wordt veroordeeld tot de kosten van de verzetsprocedure; - het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 18 juni 2018 het beroepen vonnis van 13 december 2017 integraal bevestigt.
- De verzoeker toont niet aan dat het onmogelijk was de voormelde brief met bijlage van 1 juli 2016 in de behandeling van de zaak voor de politierechtbank Antwerpen, afdeling Antwerpen, te betrekken. De mogelijkheid om bij de behandeling van zijn zaak verstek te laten, doet daaraan geen afbreuk.
- Hieruit volgt dat het door de verzoeker bijgebrachte element geen gegeven is als bedoeld in artikel 443, eerste lid, 3°, Wetboek van Strafvordering, zodat de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond is. Dictum Het Hof, Verwerpt de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond. Veroordeelt de verzoeker tot de kosten. Bepaalt de kosten tot op heden op 0,00 euro. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis en Eric Van Dooren, en in openbare rechtszitting van 21 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.15 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div