beslissingen van onderzoek slechts cassatieberoep worden ingesteld na de eindbeslissing
dit is het geval voor tussenbeslissingen die een verzoek verwerpen om een getuige te horen; dat artikel maakt geen onderscheid tussen de vonnisrechters in strafzaken
kan bijgevolg geen onverantwoorde discriminatie inhouden tussen partijen die voor deze rechters verschijnen
beslissingen van onderzoek - Tussenbeslissing die een verzoek tot verhoor van een getuige verwerpt - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 420 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 2 - 3 Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen het in dat artikel bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen, dat de lijst bevat van de getuigen die ter rechtszitting van dat hof zullen worden gehoord, geen rechtsmiddel kan worden ingesteld
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen houdende de lijst van getuigen - Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering - Afwezigheid van rechtsmiddel Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278, § 4 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 4 - 7 Ingevolge de bepalingen van de artikelen 281, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering is het niet uitgesloten dat de voorzitter van het hof van assisen tijdens het debat voor dat hof, eventueel op vraag van een partij, beslist om getuigen te verhoren ook wanneer die zijn geweerd uit de lijst van getuigen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering
tegen die beslissing van de voorzitter staat een uitgesteld cassatieberoep open
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING
TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Discretionaire macht van de voorzitter - Artikel 281, § 2 Wetboek van Strafvordering - Horen van getuigen - Getuigen die niet voorkomen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Tussenarrest - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 281, § 2,
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: CASSATIEBEROEP - STRAFZAKEN - Beslissingen vatbaar voor cassatieberoep - Strafvordering - Algemeen Vrije woorden: Hof van assisen - Artikel 306 Wetboek van Strafvordering - Horen van getuigen op vordering van de procureur-generaal of verzoek van de beschuldigde of de burgerlijke partij - Getuigen die niet voorkomen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Tussenarrest - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 281, § 2,
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - BEHANDELING TER ZITTING
TUSSENARRESTEN. VERKLARING VAN DE JURY Vrije woorden: Artikel 306 Wetboek van Strafvordering - Horen van getuigen op vordering van de procureur-generaal of verzoek van de beschuldigde of de burgerlijke partij - Getuigen die niet voorkomen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering - Tussenarrest - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Artt. 281, § 2,
306 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 8 - 9 Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de partijen op straffe van verval bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die zij overeenkomstig artikel 235bis, § 5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen omschrijven
dat de voorzitter hierover uitspraak doet in een afzonderlijk arrest dan dit bedoeld in artikel 278, § 3, waartegen een eis tot cassatie kan worden ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest bedoeld in artikel 359
over de gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering - Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
over de gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering - Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering - Rechtsmiddel - Uitgesteld cassatieberoep Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 278bis - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Fiches 10 - 12 Wanneer het Hof van Cassatie vaststelt dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering, in het licht van de artikelen 281, § 2,
306 van dat wetboek, een onderscheid bevat tussen, eensdeels, partijen voor een hof van assisen, die geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire zitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting van dat hof te ondervragen of ze te doen ondervragen
, anderdeels, partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken, die wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste of in
ige aanleg gewezen beslissing waarbij de rechter datzelfde verzoek afwijst, zodat aldus de vraag rijst of dit onderscheid verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10
11 Grondwet, stelt het hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof
306 Wetboek van Strafvordering - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°,
Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van hetzij artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering hetzij de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen houdende de lijst van getuigen - Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering - Afwezigheid van rechtsmiddel - Onderscheid met de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Fiches 13 - 15 Wanneer het Hof van Cassatie vaststelt
erzijds dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering partijen voor het hof van assisen belet cassatieberoep in te stellen tegen een arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van dat hof dat de lijst bevat van de getuigen die ter rechtszitting van dat hof zullen worden gehoord
anderzijds dat die partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, daar waar die partijen zich in de beide gevallen in een vergelijkbare situatie kunnen bevinden omdat betwistingen die het voorwerp uitmaken van zowel het
e als het andere arrest verband kunnen houden met de uitoefening van hun recht van verdediging. zodat aldus de vraag rijst of dit onderscheid verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel neergelegd in de artikelen 10
11 Grondwet, stelt het hierover een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof
Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van hetzij artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering hetzij de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Vergelijkbare situaties - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: PREJUDICIEEL GESCHIL Vrije woorden: Prejudiciële vraag - Hof van Cassatie - Artikel 26, § 1, 3°,
Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof - Onderscheid inzake de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van hetzij artikel 278, § 4 Wetboek van Strafvordering hetzij de artikelen 218, § 2,
306 Wetboek van Strafvordering - Vergelijkbare situaties - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
- 30 ELI link Pub nr 1989021001 Thesaurus CAS: HOF VAN ASSISEN - SAMENSTELLING VAN DE JURY
VAN HET HOF. PRELIMINAIRE ZITTING Vrije woorden: Preliminaire zitting - Arrest van de voorzitter van het hof van assisen houdende de lijst van getuigen - Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering - Afwezigheid van rechtsmiddel - Onderscheid met de mogelijkheid tot uitgesteld cassatieberoep bij toepassing van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering - Vergelijkbare situaties - Verenigbaarheid met de artikelen 10
11 Grondwet - Verplichting voor het Hof van Cassatie - Ambtshalve prejudiciële vraag Wettelijke bepalingen: Bijzondere wet op het Arbitragehof van 6 januari 1989 - 06-01-1989 - Art. 26, § 1, 3°,
P.21.0828.N I-VI J.-C. L., beschuldigde, aangehouden, eiser, met als raadslieden mr. Filip De Reuse
mr. Bram Casier, advocaten bij de balie West-Vlaanderen, mr. Filip De Reuse met kantoor te 8800 Roeselare, Sint-Alfonusstraat 36, waar de eiser woonplaats kiest, VII-XII H. V. A., beschuldigde, aangehouden, eiseres, met als raadsman mr. Kris Vincke, advocaat bij de balie West-Vlaanderen, met kantoor te 8310 Brugge (Sint-Kruis), Maalse Steenweg 138, waar de eiseres woonplaats kiest, tegen 1. S. S., burgerlijke partij, 2. J. M., burgerlijke partij, 3. R. M., burgerlijke partij, 4. A. M., burgerlijke partij, verweerders. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen I
VII zijn gericht tegen het arrest nr. 13/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278bis Wetboek van Strafvordering (hierna arrest I). De cassatieberoepen II
VIII zijn gericht tegen het arrest nr. 14/2020 van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 24 september 2020, gewezen overeenkomstig artikel 278 Wetboek van Strafvordering (hierna arrest II). De cassatieberoepen III
IX zijn gericht tegen het arrest nr. 12/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 5 maart 2021 over de ontvankelijkheid van de burgerlijkepartijstelling van de verweerders op het verzet van de eisers (hierna arrest III). De cassatieberoepen IV
X zijn gericht tegen het arrest nr. 13/2021 van de voorzitter van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 9 maart 2021, waarbij een deskundige werd aangesteld (hierna arrest IV). De cassatieberoepen V
XI zijn gericht tegen het arrest nr. 14/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 16 maart 2021 over de motivering van de schuldigverklaring van de eisers (hierna arrest V). De cassatieberoepen VI
XII zijn gericht tegen het arrest nr. 15/2021 van het hof van assisen van de provincie West-Vlaanderen van 17 maart 2021 dat de eisers tot straf veroordeelt (hierna arrest VI). De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vijf middelen aan. De eisers doen afstand zonder berusting van hun respectieve cassatieberoepen in zoverre ze gericht zijn tegen de niet-definitieve beslissingen op burgerlijk gebied. Advocaat-generaal Alain Winants heeft op 9 september 2021 ter griffie van het Hof een schriftelijke conclusie neergelegd. Op de openbare rechtszitting van 21 september 2021 heeft raadsheer Erwin Francis verslag uitgebracht
heeft de vermelde advocaat-generaal geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II
VIII 1. Artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen het in dat artikel bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen, dat de lijst bevat van de getuigen die ter rechtszitting van dat hof zullen worden gehoord, geen rechtsmiddel kan worden ingesteld. Die bepaling heeft een impact op de ontvankelijkheid van de cassatieberoepen II
VIII. 2. De eisers voeren aan dat artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering buiten toepassing moet worden gelaten omdat het strijdig is met de hogere rechtsnormen vervat in de artikelen 6.1, 6.3.d
13 EVRM
artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM, behoudens indien het zo wordt uitgelegd dat een uitgesteld cassatieberoep openstaat tegen een hier bedoeld arrest.
11 Grondwet schendt omdat het, voor wat betreft de mogelijkheid om cassatieberoep in te stellen tegen een afwijzende beslissing tot het verhoren van een getuige, een onverantwoorde discriminatie bevat tussen personen vervolgd voor een hof van assisen
personen vervolgd voor een andere vonnisrechter in strafzaken. Zij vragen meest ondergeschikt de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof: “Schendt art. 278, §4 Sv. de artikelen 10
11 van de Gecoördineerde Grondwet, in die zin geïnterpreteerd dat: tegen het door het hof van assisen uitgesproken afwijzend arrest op het verzoek van de voor het hof van assisen vervolgde persoon overeenkomstig art. 278, §1
6.1 EVRM, art. 6.3.d EVRM, art. 13 EVRM, art. 2 van het 7 Protocol bij het EVRM, evenals in samenhang met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, om getuigen op te roepen, te ondervragen of te doen ondervragen, noch een onmiddellijk, noch een uitgesteld cassatieberoep mogelijk is, terwijl tegen een door een andere bodemrechter dan het hof van assisen uitge-sproken afwijzend arrest op het verzoek van de vervolgde persoon overeenkomstig art. 6.3.d EVRM, in samenhang gelezen met art. 6.1 EVRM, art. 13 EVRM, art. 2 van het 7de Protocol bij het EVRM, evenals in samenhang met het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, om getuigen op te roepen, te ondervragen of te doen ondervragen, wél een cassatieberoep mogelijk is, én terwijl het belang bij de oproeping
ondervraging ter zitting van getuigen voor een persoon die voor het hof van assisen vervolgd wordt - voor zover de beide categorieën van vervolgde personen niet volledig gelijk maar slechts zeer vergelijkbaar zouden zijn - groter zal zijn om de volgens hem relevante getuigen ter zitting te doen oproepen
te ondervragen of te doen ondervragen.” 5. Krachtens artikel 420 Wetboek van Strafvordering kan, behoudens in hier niet toepasselijke gevallen, tegen de voorbereidende beslissingen
beslissingen van onderzoek slechts cassatieberoep worden ingesteld na de eindbeslissing. Dit is het geval voor tussenbeslissingen die een verzoek verwerpen om een getuige te horen. Dat artikel maakt geen onderscheid tussen de vonnisrechters in strafzaken
kan bijgevolg geen onverantwoorde discriminatie inhouden tussen partijen die voor deze rechters verschijnen. 6. Artikel 2 Zevende Aanvullend Protocol EVRM bepaalt dat iedereen die door een gerecht is veroordeeld wegens een strafbaar feit, het recht heeft zijn schuldigverklaring of veroordeling opnieuw te doen beoordelen door een hoger gerecht. Die bepaling betreft
kel het recht om hoger beroep in te stellen tegen een in eerste aanleg gewezen vonnis
verleent geen recht op cassatieberoep tegen een in laatste of in
ige aanleg gewezen beslissing van een strafgerecht.
à décharge te verzamelen. Hij leidt de debatten op een objectieve
onpartijdige wijze. De voorzitter bezit een discretionaire macht, krachtens welke hij alles vermag te doen wat hij nuttig acht om de waarheid te vinden; de wet schrijft hem voor naar eer
geweten al zijn krachten in te spannen om de waarheid aan het licht te brengen. De voorzitter kan in de loop van de debatten alle personen oproepen, zelfs bij bevel tot medebrenging,
hen verhoren, of zich alle nieuwe stukken doen brengen, die, volgens de nadere gegevens ter terechtzitting verstrekt door de beschuldigden of door de getuigen, naar zijn oordeel op het betwiste feit meer licht kunnen werpen. (…)”. Artikel 306 Wetboek van Strafvordering bepaalt: “In de loop van de debatten kan de procureur-generaal vorderen
de beschuldigde of de burgerlijke partij kunnen verzoeken dat getuigen, die niet zijn vermeld in het arrest bedoeld in artikel 278, worden gedagvaard. De voorzitter laat het verhoor van deze getuigen toe wanneer dit noodzakelijk lijkt in het licht van elementen die zijn opgedoken tijdens de debatten.” 9. Door die bepalingen is het niet uitgesloten dat de voorzitter van het hof van assisen tijdens het debat voor dat hof, eventueel op vraag van een partij, beslist om getuigen te verhoren ook wanneer die zijn geweerd uit de lijst van getuigen in het arrest bedoeld in artikel 278 Wetboek van Strafvordering. Tegen die beslissing van de voorzitter staat een uitgesteld cassatieberoep open. Bijgevolg moet de overeenstemming van artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering met de artikelen 10
11 Grondwet worden beoordeeld met inachtneming van die bepalingen. 10. Ten slotte heeft artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering niet
kel betrekking op vervolgde personen, maar op alle partijen voor het hof van assisen. 11. Derhalve blijft de vraag of artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering, in het licht van de artikelen 281, § 2,
306 van dat wetboek, een redelijk niet te verantwoorden onderscheid bevat tussen, eensdeels, partijen voor een hof van assisen, die geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire zitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting van dat hof te ondervragen of ze te doen ondervragen
, anderdeels, partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken, die wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste of in
ige aanleg gewezen beslissing waarbij de rechter datzelfde verzoek afwijst. 12. Artikel 278bis Wetboek van Strafvordering bepaalt: “Op straffe van verval omschrijven de partijen bij conclusie alle onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
alle gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die zij overeenkomstig artikel 235bis, § 5, voor de feitenrechter kunnen opwerpen. De voorzitter doet hierover uitspraak in een afzonderlijk arrest dan dit bedoeld in artikel 278, § 3. De eis tot cassatie tegen dit arrest wordt ingesteld samen met de eis tegen het eindarrest, bedoeld in artikel 359.” Aldus is tegen een arrest bedoeld in artikel 278bis Wetboek van Strafvordering, dat hier het voorwerp uitmaakt van de cassatieberoepen I
VI, wel een uitgesteld cassatieberoep mogelijk. 13. Indien het antwoord op de eerste vraag negatief is, rijst bijgevolg de vraag of artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering een niet redelijk te verantwoorden onderscheid creëert tussen partijen voor het hof van assisen doordat het die partijen belet cassatieberoep in te stellen tegen een arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van dat hof dat de lijst bevat van de getuigen die ter rechtszitting van dat hof zullen worden gehoord, terwijl die partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de preliminaire rechtszitting van de voorzitter van het hof van assisen over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering, daar waar die partijen zich in de beide gevallen in een vergelijkbare situatie kunnen bevinden omdat betwistingen die het voorwerp uitmaken van zowel het
e als het andere arrest verband kunnen houden met de uitoefening van hun recht van verdediging. 14. Er is bijgevolg grond om overeenkomstig artikel 26, § 1, 3°,
, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof de hierna bepaalde vragen aan het Grondwettelijk Hof te stellen. Dictum Het Hof, Schort elke verdere beslissing op tot het Grondwettelijk Hof bij wijze van prejudicieel arrest uitspraak zal hebben gedaan over de volgende vragen: “Schendt artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10
11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d
13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl partijen voor een andere vonnisrechter in strafzaken wel een, eventueel uitgesteld, cassatieberoep kunnen instellen tegen elke in laatste aanleg gewezen tussenbeslissing waarbij de rechter een dergelijk verzoek afwijst?”
indien het antwoord op die vraag negatief is, “Schendt artikel 278, § 4, Wetboek van Strafvordering de artikelen 10
11 Grondwet, samen gelezen met de artikelen 6.1, 6.3.d
13 EVRM, doordat partijen voor het hof van assisen geen uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het in artikel 278 Wetboek van Strafvordering bedoelde arrest van de preliminaire rechtszitting waarbij de voorzitter van het hof van assisen hun verzoek afwijst om getuigen ter rechtszitting te ondervragen of ze te doen ondervragen, terwijl diezelfde partijen op grond van artikel 278bis Wetboek van Strafvordering wel een uitgesteld cassatieberoep kunnen instellen tegen het arrest van de voorzitter van het hof van assisen dat uitspraak doet over onregelmatigheden, verzuimen of nietigheden
gronden van niet-ontvankelijkheid of verval van de strafvordering die de partijen overeenkomstig artikel 235bis, § 5, Wetboek van Strafvordering voor de feitenrechter kunnen opwerpen?” Gelast de overzending aan het Grondwettelijk Hof van een door de voorzitter
de griffier van het Hof ondertekende expeditie van deze beslissing tot verwijzing. Houdt de beslissing over de kosten aan. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Peter Hoet, Antoine Lievens, Erwin Francis
Eric Van Dooren,
in openbare rechtszitting van 21 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Alain Winants, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210921.2N.9 Gerelateerde publicatie(s) Conclusie O.M.: ECLI:BE:CASS:2021:CONC.20210921.2N.9 gevolgd door: ECLI:BE:CASS:2022:ARR.20221220.2N.22 ECLI:BE:CASS:2022:CONC.20221220.2N.22 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.