← België

D. contra RES

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210923.1N.3 Rolnummer: C.20.0310.N Zaak: D. contra RES Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2022-01-05 Raadplegingen: 1182 - laatst gezien 2026-06-19 14:13 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 De rechter die een beperking van de vrijheid van meningsuiting oplegt moet in zijn beslissing dit recht afwegen tegen de andere rechten bedoeld in artikel 10.2 EVRM zoals het recht op goede naam, maar ook nagaan of, in de gegeven omstandigheden, de opgelegde beperking beantwoordt aan een dwingende sociale noodzakelijkheid en pertinent is, en dat door de opgelegde beperking de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel

(1).
(1)Zie Cass. 20 maart 2015, AR D.13.0022.N ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.4, AC 2015, nr. 212; Cass. 9 november 2012, AR D.12.0013.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.8, AC 2012, nr. 608; Cass. 12 januari 2012, AR C.10.0610.N ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120112.1, AC 2012, nr. 29; Cass. 23 mei 2011, AR C.09.0216.F ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110523.1, AC 2011, nr.
  1. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrije woorden: Artikel 10.2 - Vrijheid van meningsuiting - Opleggen van een beperking - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Fiche 2 Hoewel de vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te verspreiden in de commerciële sfeer valt onder de bescherming van artikel 10 EVRM, komt aan de rechter een ruime beoordelingsmarge toe om beperkingen op te leggen wanneer het de verhouding betreft tussen concurrerende ondernemingen die onderworpen zijn aan het mededingingsrecht dat de openbare orde raakt. Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 10 Vrije woorden: Vrijheid van meningsuiting - Concurrerende ondernemingen - Vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te verspreiden - Beperking - Taak van de rechter Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 10.2 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Wetboek van economisch recht - 28-02-2013 - Artt. VI.104, VI.105, 1°, c), XVII.1 en XVII.9 - 19 ELI link Pub nr 2013A11134 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0310.N
  2. E. D.,
  3. S. M.,
  4. RES TRADE EURO nv, met zetel te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 1006, bus 103, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0866.384.006,
  5. DOUBLE D EUROPE bv, met zetel te 9000 Gent, Kortrijksesteenweg 1006, bus 103, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0894.477.877,
  6. S. P., ,
  7. P. D. B.,
  8. SAFRE bv, met zetel te 9831 Sint-Martens-Latem, Dorpsstraat 48, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0810.678.785, eisers, vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de eisers woonplaats kiezen, tegen
  9. RES cv, met zetel te 3000 Leuven, Mercatorpad 9, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0456.589.985,
  10. ADMIN LEUVEN bv, met zetel te 3000 Leuven, Mercatorpad 9, ingeschreven bij de KBO onder het nummer 0877.665.797, verweersters, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de verweersters woonplaats kiezen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 24 februari
  11. Raadsheer Koenraad Moens heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eisers voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Tweede onderdeel
  12. Krachtens artikel VI.104 WER, zoals van toepassing, is verboden elke met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad waardoor een onderneming de beroepsbelangen van een of meer andere ondernemingen schaadt of kan schaden. Krachtens artikel VI.105, 1°, c), WER, zoals van toepassing, is, onverminderd andere wettelijke of reglementaire bepalingen, verboden elke reclame van een onderneming die alle bestanddelen in acht genomen, op enigerlei wijze, met inbegrip van haar voorstellingswijze of de weglating van informatie, de persoon tot wie zij zich richt of die zij bereikt misleidt of kan misleiden omtrent, onder meer de hoedanigheid, kwaliteiten, kwalificaties en rechten van een onderneming, zoals haar identiteit en haar vermogen, haar bekwaamheden en haar industriële, commerciële of intellectuele eigendomsrechten of haar bekroningen en onderscheidingen. Krachtens artikel XVII.1 WER, zoals van toepassing, stelt de voorzitter van de ondernemingsrechtbank het bestaan vast en beveelt hij de staking van een zelfs onder het strafrecht vallende daad die een inbreuk uitmaakt op de bepalingen van dit Wetboek, onverminderd de bijzondere bepalingen eigen aan boeken VI, XI en XII, bedoeld in hoofdstukken 3, 4 en 5 van deze titel. Krachtens artikel XVII.9 WER, zoals van toepassing, kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank de marktpraktijken bedoeld in de artikelen VI. 92 tot VI.109 van dit Wetboek verbieden wanneer zij nog geen aanvang hebben genomen, doch op het punt staan plaats te vinden.
  13. Krachtens artikel 10.2 EVRM kan de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting, die de vrijheid omvat om inlichtingen of denkbeelden door te geven en plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, welke bij de wet worden voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn, onder meer tot bescherming van de goede naam of de rechten van anderen.
  14. Een beperking van de vrijheid van meningsuiting is nodig in een democratische samenleving wanneer zij beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid, op voorwaarde dat de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel en de beperking verantwoord is op grond van relevante en toereikende motieven. Uit de beslissing van de rechter moet niet alleen blijken dat hij het recht op vrije meningsuiting heeft afgewogen tegen de andere rechten bedoeld in artikel 10.2 EVRM, zoals het recht op de goede naam, maar ook dat de opgelegde beperking, in acht genomen de context waarin de mening werd geuit, de hoedanigheid van de partijen en de overige bijzondere omstandigheden van de zaak, beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid en pertinent is en dat door de opgelegde beperking de evenredigheid wordt geëerbiedigd tussen het aangewende middel en het beoogde doel.
  15. De vrijheid om inlichtingen en denkbeelden te verspreiden in de commerciële sfeer valt eveneens onder de bescherming van artikel 10 EVRM, met dien verstande dat aan de rechter een ruime beoordelingsmarge toekomt om beperkingen op te leggen wanneer het de verhouding betreft tussen concurrerende ondernemingen die onderworpen zijn aan het mededingingsrecht dat de openbare orde raakt.
  16. De appelrechters, mede onder verwijzing naar de redenen van de eerste rechter, stellen vast en oordelen dat: - de eiseres en de verweersters concurrerende ruilhandelsystemen voor ondernemers hebben opgezet; - de eisers in het raam van reclame en communicatie met handelaren denigrerende mededelingen doen over het netwerk van de verweersters met het oogmerk “om klanten te werven voor hun eigen netwerk”; - niet blijkt dat het hierbij gaat om “vaststaande, objectieve, juiste en volledige feiten”; - indien een onderneming het recht heeft om kritiek te formuleren op de handelwijze en beweringen van een andere onderneming, zij dit moet doen op een zodanige wijze dat zij niet zonder noodzaak de reputatie van die onderneming in het gedrang brengt; - het recht van vrije meningsuiting en de vrijheid van expressie en informatie geen vrijgeleide bieden om een ander ongeoorloofd slecht te maken; - door een beperking op te leggen om een ander ongeoorloofd slecht te maken, artikel 10 EVRM, dat de vrijheid van meningsuiting garandeert, niet wordt geschonden. Zij oordelen voorts dat: - de eerste rechter terecht heeft geoordeeld dat de eisers zich schuldig hebben gemaakt aan oneerlijke marktpraktijken in de zin van artikel VI.104 WER door de verweersters of het RES-netwerk in het raam van reclame voor een concurrerend netwerk slecht te maken en door reclame te maken die afbrekende gegevens bevat over de verweersters of het RES-netwerk; - slechtmaking echter ook buiten het kader van de reclame een met de eerlijke marktpraktijken strijdige daad is in de zin van artikel VI.104 WER; - het bevel tot staking van dergelijke inbreuk op een duidelijk omschreven daad moet slaan, maar daarbij ook van aard moet zijn om een herhaling van een verboden praktijk te vermijden; - het dan ook past dat, zoals gevorderd door de verweersters, aan elk van de eisers het verbod wordt opgelegd om de verweersters, het bestuur van de verweersters en het RES-netwerk in het raam van elke concurrerende activiteit te denigreren en bestaande negatieve berichtgeving over de verweersters, het bestuur van de verweersters en het RES-netwerk in de pers of elders op enige wijze, al dan niet via stromannen of tussenpersonen, te delen of te verspreiden en om in elke vorm van correspondentie of contact, met bestaand cliënteel of met prospecten, melding of gebruik te maken van mogelijke tegenslagen geleden door de verweersters. De appelrechters die in die omstandigheden het bedoelde stakingsbevel opleggen, verantwoorden hun beslissing naar recht en geven de redenen aan waarom het opgelegde stakingsbevel beantwoordt aan een dwingende sociale noodwendigheid, pertinent is en evenredig met het beoogde doel. Het middel kan niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep. Veroordeelt de eisers tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eisers op 348,43 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 september 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210923.1N.3 Gerelateerde publicatie(s) precedenten: ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20110523.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20120112.1 ECLI:BE:CASS:2012:ARR.20121109.8 ECLI:BE:CASS:2015:ARR.20150320.4 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.