id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 23 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210923.1N.5 Rolnummer: C.20.0162.N Zaak: P. contra S. Kamer: 1N - eerste kamer Rechtsgebied: Burgerlijk recht Invoerdatum: 2022-01-05 Raadplegingen: 851 - laatst gezien 2026-06-17 05:21 Versie(s): Vertaling FR Fiches 1 - 2 De Haviltex-rechtspraak naar Nederlands recht die inhoudt dat de verhouding tussen contractspartijen in een schriftelijke overeenkomst niet alleen op grond van een zuiver taalkundige uitleg van de contractsbepalingen moet bepaald worden maar veeleer op grond van de zin die de contractspartijen in de gegeven omstandigheden aan de contractsbepalingen mochten toekennen en op grond van wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, geldt ook voor huwelijksovereenkomsten
(1)Zie HR, 6 oktober 2006 (ECLI:NL:HR:2006:AX8847); HR, 28 november 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AK3697); HR, 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Thesaurus CAS: OVEREENKOMST - UITLEGGING Vrije woorden: Huwelijksovereenkomst - Nederlands recht - Haviltex rechtspraak - Toepassing Wettelijke bepalingen: Nederlands Burgerlijk Wetboek - Art. 6:248 Thesaurus CAS: HUWELIJKSVERMOGENSSTELSELS - ALGEMEEN Vrije woorden: Nederlands recht - Huwelijksovereenkomst - Uitlegging - Haviltex rechtspraak - Toepassing Wettelijke bepalingen: Nederlands Burgerlijk Wetboek - Art. 6:248 Tekst van de beslissing Nr. C.20.0162.N M. P., eiser, vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 2000 Antwerpen, Amerikalei 187/302, waar de eiser woonplaats kiest, tegen C. S., verweerster, vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1170 Brussel, Terhulpensesteenweg 177/7, waar de verweerster woonplaats kiest, in aanwezigheid van W. P., tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 12 november
- Raadsheer Sven Mosselmans heeft verslag uitgebracht. Eerste advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd. II. CASSATIEMIDDEL De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan. III. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling
- Krachtens artikel 6:248, eerste lid, Nederlands Burgerlijk Wetboek, heeft een overeenkomst niet alleen de door de partijen overeengekomen rechtsgevolgen, maar ook die welke, naar de aard van de overeenkomst, uit de wet, de gewoonte of de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeien. Naar Nederlands recht wordt de uitleg van overeenkomsten mede beheerst door het Haviltex-arrest van de Hoge Raad der Nederlanden van 13 maart 1981 (ECLI:NL:HR:1981:AG4158). Krachtens dit precedent moet de vraag hoe in een schriftelijke overeenkomst de verhouding van de contractspartijen is geregeld niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de contractsbepalingen, maar veeleer op grond van de zin die de contractspartijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de contractsbepalingen mochten toekennen en op grond van wat de contractspartijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. De Haviltex-rechtspraak geldt ook voor huwelijksovereenkomsten, zoals mede blijkt uit arresten van de Hoge Raad der Nederlanden van 28 november 2003, (ECLI:NL:HR:2003:AK3697, r.o. 3.3) en 6 oktober 2006, (ECLI:NL:HR:2006:AX8847, r.o. 3.4).
- De appelrechter stelt vast en oordeelt dat: - artikel 7 van het tussen de verweerster en haar vooroverleden echtgenoot gesloten huwelijkscontract bepaalt dat, ingeval het huwelijk eindigt door het vooroverlijden van die echtgenoot, tussen de verweerster en de rechtverkrijgenden van de vooroverleden echtgenoot zal worden afgerekend alsof tussen de echtgenoten een nader gepreciseerde gemeenschap van goederen had bestaan; - het verrekenbeding enkel kan gelden ten behoeve van de verweerster als langstlevende echtgenote en ten laste van de nalatenschap van haar vooroverleden echtgenoot; - de notaris-vereffenaar in zijn staat van vereffening-verdeling vaststelt dat het vermogen van de verweerster groter is dan de helft van het verrekenvermogen, zodat de verweerster geen vordering heeft ingevolge het verrekenbeding; - de notaris-vereffenaar aanneemt dat de verweerster het verrekenbeding heeft geheeld, maar de heling niet sanctioneert, aangezien de verweerster geen vordering heeft ingevolge het verrekenbeding; - geen betwisting erover bestaat dat de verweerster het verrekenbeding heeft geheeld door het opzettelijk te verzwijgen; - de partijen wel discussie voeren over de interpretatie die de notaris-vereffenaar aan het verrekenbeding geeft, zo ook over de sanctionering van de heling en de daartoe vereiste samenstelling van de verrekenmassa en meer precies over de vraag hoe de verrekening concreet moet gebeuren; - de toepassing van het Nederlandse civiele recht op de heling van het verrekenbeding impliceert dat door de verzwijging van het verrekenbeding, de verweerster haar aandeel in de vergoedingsvordering die zij zou hebben gehad bij een correcte samenstelling van de verrekenmassa heeft verbeurd aan de eiser en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij en dat zij de waarde ervan moet vergoeden; - derhalve moet worden overgegaan tot samenstelling van een verrekenmassa, met inbegrip van alle goederen en schulden die er zouden zijn geweest indien er geen verzwijging of verborgenhouding was geweest; - noch de notaris-vereffenaar noch de eiser en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij eenduidig zijn omtrent de praktische toepassing van het verrekenbeding; - de eiser en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij in hun berekeningen uitgaan van bepaalde vermogensrechtelijke aanspraken die niet kunnen worden aangenomen.
- Anders dan waarvan het middel uitgaat, stelt de appelrechter niet vast dat het vermogen van de verweerster groter is dan de helft van het verrekenvermogen, en evenmin dat uit het verrekenbeding voortvloeit dat de verweerster bij het vooroverlijden van haar echtgenoot een schuldvordering heeft op diens nalatenschap. In zoverre berust het middel op een onjuiste lezing van het arrest en mist het bijgevolg feitelijke grondslag.
- Anders dan het middel nog aanvoert, geeft de appelrechter, door ervan uit te gaan dat het verrekenbeding enkel kan gelden ten behoeve de verweerster als langstlevende echtgenote en ten laste van de nalatenschap van haar vooroverleden echtgenoot, van het verrekenbeding een uitleg die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is. In zoverre het middel aanvoert dat de appelrechter de bewijskracht van het verrekenbeding miskent, mist het eveneens feitelijke grondslag.
- Door verder te oordelen dat, ingevolge de heling van het verrekenbeding door de verweerster, zij haar aandeel in de vergoedingsvordering die zij zou hebben gehad bij een correcte samenstelling van de verrekenmassa heeft verbeurd aan de eiser en de tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij en dat zij de waarde ervan moet vergoeden, richt de appelrechter zich naar de zin die de contractspartijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het verrekenbeding mochten toekennen en naar wat de contractspartijen redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Door nog verder te oordelen dat moet worden overgegaan tot samenstelling van een verrekenmassa, met inbegrip van alle goederen en schulden die er zouden zijn geweest indien er geen verzwijging of verborgenhouding was geweest, kent de appelrechter aan het door de verweerster geheelde verrekenbeding de wettige gevolgen toe in overeenstemming met de wil van de contractspartijen en de gedane uitleg. In zoverre het middel schending aanvoert van voormelde wetsbepaling naar Nederlands recht, kan het niet worden aangenomen. Dictum Het Hof, Verwerpt het cassatieberoep en de vordering tot bindendverklaring. Veroordeelt de eiser tot de kosten. Bepaalt de kosten voor de eiser op 1.174,94 euro en op de som van 650 euro rolrecht verschuldigd aan de Belgische Staat. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samengesteld uit sectievoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, sectievoorzitter Geert Jocqué en de raadsheren Bart Wylleman, Koenraad Moens en Sven Mosselmans, en in openbare rechtszitting van 23 september 2021 uitgesproken door sectievoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Vanity Vanden Hende. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210923.1N.5 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:NL:HR:1981:AG4158 ECLI:NL:HR:2003:AK3697 ECLI:NL:HR:2006:AX8847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div