id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Hof van Cassatie Vonnis/arrest van 28 september 2021 ECLI nr: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 Rolnummer: P.21.0653.N Zaak: A. Kamer: 2N - tweede kamer Rechtsgebied: Strafrecht - Overige - Internationaal publiekrecht Invoerdatum: 2021-10-08 Raadplegingen: 1009 - laatst gezien 2026-06-19 09:55 Versie(s): Vertaling FR Fiche 1 Artikel 600 Wetboek van Strafvordering noch artikel 8 Probatiewet noch enige andere wetsbepaling verzetten zich ertegen dat de rechter uitstel van tenuitvoerlegging weigert op grond van een op het strafregisteruittreksel vermelde veroordeling; tenzij de juistheid van die vermelding bij conclusie wordt betwist, vereist die beslissing niet de voeging van een eensluidend verklaard afschrift van de veroordelende beslissing met de vermelding dat die beslissing kracht van gewijsde heeft. Thesaurus CAS: VEROORDELING MET UITSTEL EN OPSCHORTING VAN DE VEROORDELING - GEWOON UITSTEL Vrije woorden: Weigering van het uitstel wegens een eerdere veroordeling - Inlichtingen uit het strafregister Wettelijke bepalingen: Wetboek van Strafvordering - 17-11-1808 - Art. 600 - 30 ELI link Pub nr 1808111701 Wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie - 29-06-1964 - Art. 8 - 30 ELI link Pub nr 1964062906 Fiches 2 - 3 Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn waarbinnen over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging overeenkomstig artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist, is overschreden
(1); bij de beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde
(2); het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord
(3); de marginale toets die het middel van het Hof vraagt over het oordeel door de rechter betreffende het al dan niet overschreden zijn van de redelijke termijn is enkel mogelijk op grond van feitelijke gegevens die de rechterlijke beslissing bevat of die blijken uit andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan.
(1)Cass. 25 maart 2014, AR P.13.1855.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.3, AC 2014, nr. 239; Cass. 14 februari 2001, AR P.00.1350.N ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14, AC 2001, nr. 91.
(2)Cass. 15 juni 2021, AR P.21.0252.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2, AC 2021, nr. 443; Cass. 23 maart 2021, AR P.20.1161.N ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9, AC 2021, nr. 215; Cass. 20 oktober 2020, AR P.20.0620.N ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.9, AC 2020, nr. 647; Cass. 28 september 2016, AR P.16.0307.F ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160928.2, AC 2016, nr. 529 (met concl. van advocaat-generaal M. NOLET DE BRAUWERE, op datum in Pas., RABG 2017, 563 noot C. VAN DE HEYNING; Cass. 13 september 2016, AR P.16.0403.N ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.7, AC 2016, nr. 485; Cass. 25 maart 2014, AR P.12.1890.N ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.9, AC 2014, nr. 237; Cass. 18 oktober 2011, AR P.11.0442.N ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.2, AC 2011, nr. 552. Zie ook J. HUYSMANS, Legitieme verdediging, Intersentia, 2017, 55-59; C. VAN DEN WYNGAERT, S. VANDROMME en Ph. TRAEST, Strafrecht en strafprocesrecht in hoofdlijnen, Gompel Svacina, 2019, 745-747; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, I, 51-66.
(3)Cass. 14 december 2010, AR P.10.0671.N ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.7, AC 2010, nr. 741; Cass. 26 september 2006, AR P.06.0604.N ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7, AC 2006, nr. 439; Cass. 17 mei 2000, AR P.00.0275.F ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000517.31, AC 2000, nr. 302 . Zie J. MEESE, “Redelijke termijn in strafzaken”, in Comm. Sr. 2012, 7; R. VERSTRAETEN, Handboek strafvordering, Maklu, 2012, 949; R. DECLERCQ, Beginselen van strafrechtspleging, Kluwer, 2014, 807-808; M.A. BEERNAERT, H.D. BOSLY en D. VANDERMEERSCH, Droit de la procédure pénale, Die Keure, 2021, I,
- Thesaurus CAS: CASSATIEMIDDELEN - STRAFZAKEN - Onaantastbare beoordeling door feitenrechter Vrije woorden: Marginale toets door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Thesaurus CAS: RECHTEN VAN DE MENS - VERDRAG RECHTEN VAN DE MENS - Artikel 6 - Artikel 6.1 Vrije woorden: Recht op een proces binnen een redelijke termijn - Criteria voor de beoordeling van de redelijke termijn - Controle op de motieven door het Hof Wettelijke bepalingen: Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend op 4 november 1950, te Rome - 04-11-1950 - Art. 6.1 - 30 Link Justel databank 19501104-30 Annotaties Publicaties: T.Strafr.-Tijdschrift voor strafrecht: jurisprudentie, nieuwe wetgeving en doctrine voor de praktijk - 2022, nr. 1, p. 52-
- - HOET, Peter; Noot'Een uittreksel uit het strafregister tot bewijs van een eerdere veroordeling: voldoende om uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf te weigeren' Tekst van de beslissing Nr. P.21.0653.N I I A, beklaagde, eiser, met als raadsman mr. Yen Buytaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. II B A, beklaagde, eiseres, met als raadsman mr. Yen Buytaert, advocaat bij de balie West-Vlaanderen. I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 14 april
- De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan. De eiseres II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan. Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht. Advocaat-generaal Bart De Smet heeft geconcludeerd. II. BESLISSING VAN HET HOF Beoordeling Ontvankelijkheid van het cassatieberoep I
- Het arrest stelt vast dat nog niet kan worden geoordeeld over de door de eiser I betaalde borgsom. Dit is geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der uitzonderingsgevallen als bedoeld in artikel 420 Wetboek van Strafvordering. In zoverre het cassatieberoep ook is gericht tegen die beslissing, is het wegens voorbarigheid niet ontvankelijk. Eerste middel van de eiser I en van de eiseres II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt niet het verweer van de eisers in verband met de verklaringen van de initiële klager K.B.
- De omstandigheid dat de rechter de in een conclusie voorgehouden zienswijze niet volgt, levert geen motiveringsgebrek op in de zin van de vermelde bepalingen. In zoverre de middelen uitgaan van een andere rechtsopvatting, falen ze naar recht.
- Het arrest oordeelt dat het standpunt van de eisers dat de verklaring van K.B. leugenachtig zou zijn, op generlei wijze aannemelijk wordt gemaakt, te meer het hof van beroep vaststelt dat net zoals K.B., ook I.A. en Z.H. over een Litouwse verblijfkaart beschikten. Met die redenen beantwoordt het arrest wel degelijk het bedoelde verweer, zonder dat het moet antwoorden op elk argument tot staving van dat verweer dat evenwel geen afzonderlijk middel vormt. In zoverre kunnen de middelen niet worden aangenomen. Tweede middel van de eiser I Eerste onderdeel
- Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 600 Wetboek van Strafvordering: het arrest kan niet louter op basis van het strafregister, zonder voeging van de bedoelde vonnissen, oordelen dat de eiser I overeenkomstig artikel 8, § 1, Probatiewet niet meer in aanmerking komt voor de gunst van het gewoon uitstel.
- Artikel 600 Wetboek van Strafvordering noch artikel 8 Probatiewet noch enige andere wetsbepaling verzetten zich ertegen dat de rechter uitstel van tenuitvoerlegging weigert op grond van een op het strafregisteruittreksel vermelde veroordeling. Tenzij de juistheid van die vermelding bij conclusie wordt betwist, vereist die beslissing niet de voeging van een eensluidend verklaard afschrift van de veroordelende beslissing met de vermelding dat die beslissing kracht van gewijsde heeft. Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede onderdeel
- Het onderdeel voert miskenning aan van het algemeen beginsel van de bewijskracht van akten: het arrest kan de onmogelijkheid van uitstel niet louter afleiden uit een strafregister; met het oordeel dat de eiser I niet in aanmerking komt voor uitstel, miskent het arrest de bewijskracht van het proces-verbaal nummer 001427/2015 dat enkel gewag maakt van feiten waarvoor de eiser I politioneel zou zijn gekend; dat stuk is niet dienstig bij de beoordeling van de strafmaat.
- In zoverre het onderdeel dezelfde strekking heeft als het eerste onderdeel is het om de redenen vermeld in het antwoord op dat onderdeel te verwerpen.
- Het arrest verwijst voor het bekritiseerde oordeel niet naar het in het onderdeel vermelde proces-verbaal. Het kan dan ook de bewijskracht ervan niet miskennen. In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag. Derde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat afwezigheid van de eiser I aan de basis zou liggen van de vertragingen gedurende de procedure om te besluiten dat de redelijke termijn slechts beperkt is overschreden; de initiële dagvaarding werd niet aan de eiser I persoonlijk of aan zijn woonst betekend, niettegenstaande het openbaar ministerie beschikte over de juiste adresgegevens van de eiser I in het buitenland; de eiser I werd ook nooit uitgenodigd voor verhoor; het Hof moet de beslissing betreffende de redelijke termijn marginaal toetsen.
- Het staat aan de rechter onaantastbaar te oordelen of de redelijke termijn waarbinnen over een tegen een beklaagde ingestelde strafvervolging overeenkomstig artikel 6.1 EVRM moet zijn beslist, is overschreden. Bij de beoordeling houdt de rechter rekening met de complexiteit van de zaak, de houding van de beklaagde, de houding van de met opsporing, vervolging en berechting belaste overheden en het belang dat de zaak heeft voor de beklaagde. Het Hof gaat na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen trekt die op grond daarvan onmogelijk kunnen worden verantwoord.
- De marginale toets die het middel van het Hof vraagt over het oordeel door de rechter betreffende het al dan niet overschreden zijn van de redelijke termijn is enkel mogelijk op grond van feitelijke gegevens die de rechterlijke beslissing bevat of die blijken uit andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- De in het middel aangevoerde feitelijke gegevens zijn niet vermeld in het arrest en evenmin in andere stukken waarop het Hof vermag acht te slaan. Aldus verplicht het middel tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof geen bevoegdheid heeft. In zoverre is het middel niet ontvankelijk. Vierde middel van de eiser I
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verzwaart zonder de vereiste eenstemmigheid de door het beroepen vonnis opgelegde straf; de effectieve gevangenisstraf van 18 maanden wordt weliswaar op 1 jaar gebracht, maar de van 1.000,00 euro tot 500,00 euro verlaagde geldboete wordt vermenigvuldigd met twee, zodat er een zwaardere geldboete is opgelegd.
- Of er een strafverzwaring is in de zin van artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering wordt bepaald door de hoofdstraf, zonder dat voor die beoordeling de bijkomende straffen in aanmerking worden genomen. Er is geen strafverzwaring wanneer de appelrechter de door de eerste rechter als hoofdstraf opgelegde gevangenisstraf verlaagt en dit ongeacht een eventuele verhoging van de geldboete. Het middel dat berust op een andere rechtsopvatting, faalt naar recht. Tweede middel van de eiseres II
- Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM en artikel 21ter Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de afwezigheid van de eiseres II aan de basis zou liggen van de vertragingen gedurende de procedure om te besluiten dat de redelijke termijn slechts beperkt is overschreden; de initiële dagvaarding werd niet aan de eiseres II persoonlijk of aan haar woonst betekend, niettegenstaande het openbaar ministerie beschikte over de juiste adresgegevens van de eiseres II in het buitenland; zij werd tijdens het gerechtelijk onderzoek ook twee keer verhoord en bleef beschikbaar voor de politiediensten om verdere inlichtingen te verschaffen, wat in het arrest wordt erkend; het Hof moet de beslissing betreffende de redelijke termijn marginaal toetsen.
- Het middel heeft dezelfde strekking als het derde middel van de eiser I en is om de in het antwoord op dat middel vermelde redenen te verwerpen. Derde middel van de eiseres II
- Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvordering: het arrest verzwaart zonder de vereiste eenstemmigheid de door het beroepen vonnis opgelegde straf; het halveert de met het beroepen vonnis opgelegde geldboete, maar staat slechts voor de helft van die geldboete uitstel van tenuitvoerlegging toe, terwijl het beroepen vonnis voor drie vierden uitstel van tenuitvoerlegging toestond; het effectief deel van de geldboete wordt niet gewijzigd.
- Of er een strafverzwaring is in de zin van artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering wordt bepaald door de hoofdstraf, zonder dat voor die beoordeling de bijkomende straffen in aanmerking worden genomen. Er is geen strafverzwaring wanneer de appelrechter de door de eerste rechter als hoofdstraf opgelegde gevangenisstraf verlaagt en dit ongeacht een eventuele verhoging van de geldboete. In zoverre het middel berust op een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.
- Het arrest herleidt de met het beroepen vonnis opgelegde gevangenisstraf van 1 jaar tot 9 maanden, telkens met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende 5 jaar. Aldus is er geen strafverzwaring in de zin van artikel 211bis, tweede zin, Wetboek van Strafvordering en dient het arrest geen eenparigheid te vermelden. In zoverre kan het middel niet worden aangenomen. Ambtshalve onderzoek
- De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen. Dictum Het Hof, Verwerpt de cassatieberoepen. Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep. Bepaalt de kosten in het geheel op 261,32 euro, waarvan de eiser I 130,65 euro is verschuldigd en de eiser II 130,66 euro is verschuldigd. Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Filip Van Volsem, als waarnemend voorzitter, de raadsheren Antoine Lievens, Sidney Berneman, Eric Van Dooren en Steven Van Overbeke, en in openbare rechtszitting van 28 september 2021 uitgesproken door waarnemend voorzitter Filip Van Volsem, in aanwezigheid van advocaat-generaal Bart De Smet, met bijstand van griffier Frank Adriaensen. PDF document ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210928.2N.11 Gerelateerde publicatie(s) geciteerd door: ECLI:BE:CASS:2024:CONC.20241007.3F.3 ECLI:BE:CASS:2025:CONC.20251112.2F.1 precedenten: ECLI:BE:CASS:2000:ARR.20000517.31 ECLI:BE:CASS:2001:ARR.20010214.14 ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060926.7 ECLI:BE:CASS:2010:ARR.20101214.7 ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111018.2 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.3 ECLI:BE:CASS:2014:ARR.20140325.9 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160913.7 ECLI:BE:CASS:2016:ARR.20160928.2 ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20201020.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210323.2N.9 ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210615.2N.2 zie ook recenter: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240918.2F.2 ECLI:BE:CASS:2025:ARR.20250114.2N.1 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div